Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

De receptie

(Een fragment uit mijn 3e boek: “De spuigaten uit”)


Ge herkent dat wel op een receptie: de sfeer groeit langzaam naar een hoogtepunt, de gesprekken worden steeds heftiger en harder en voordat je er zelf erg in hebt, is er een biertje te veel in genomen. Misschien wel twee! 
En de tijd vliegt!
Plots is de tijd aangebroken, dat je over naar huis gaan moet denken. Niet denken, maar die tijd is dus nu gekomen!
Ik neem afscheid van mijn biljartvrienden, neem nog een laatste voor de dorst, pak er nog eentje op de vriendschap en een laatste op het jubilerende DOB, en stap uiteindelijk niet helemaal zeker van mezelf bij ’t Boerke (op de Rijen) naar buiten.
Het Is al donker! Dus later dan ik dacht. 
Op mijn gemak wandel ik in de richting van onze woonwijk Schoorveken en kies het fietspad, dat achter de huizenblokken door loopt. Volgens mijn waarnemingen en gedachten is dat lopend de kortste weg naar huis. 
Er is echter één probleem: als ik in het rond kijk, lijken alle woonhuizen vreselijk veel op elkaar. Zeker de achtergevels!. De schuurtjes, de gemetselde tussenmuurtjes: het ziet er allemaal hetzelfde uit. En daarbij komt nog de duisternis!
“Potverdorie, die seriebouw!” brom ik in mezelf. “Alles maoken ze ut zelfde. Het is nog enees nie mooi en ge kunt er zo ok hillemaol gin wijs uit!”
Nadenkend over de hedendaagse architectuur, die volgens mij dus ook niet alles is en verbeterd kan worden, loop ik enkele brandgangetjes en fietspaden door en uiteindelijk weer terug. Na wat op en neer gewandeld te hebben zie ik geen poort of achtertuin, die me bekend voor komt of op de onze lijkt.

 

Net als ik geheel in vertwijfeling geraak en mijn zoekactie wil staken, springt plots een hond tegen me aan!
“Hé Bobbie, manneke,” reageer ik. “Bende gij da, jom. Doede gij ut baosje zoeke? Braof beesje, breng het baosje mar us lekker naor huis!”
Bobbie kijkt me met een schuin kopje aan en ik denk, dat hij begrijpt wat ik bedoel. De hond draait zich om en loopt een aantal gangetjes door. Ik er achteraan.
“Nie te rap, jonge,” roep ik nog naar de hond 
Dan hoor ik de stem van mijn vrouw, Riet, roepen: “Bobbie, Bobbie!”
Zij heeft hem uitgelaten en de hond heeft natuurlijk mijn geur opgesnoven en zijn baasje opgezocht.
Goed werk!
Ik volg ons huisdiertje en zie een stukje verder Riet staan.
“Waor komde gij nou vandaon?” vraagt ze niet begrijpend. 
Dus kom ik hoogstwaarschijnlijk uit een verkeerde richting, concludeer ik voor mezelf. Maar nonchalant met mijn arm zwaaiend leg ik het haar duidelijk uit, wat de bedoeling van mijn wandelroute is.
“Ik zij binnendeur gelope,” zeg ik. “Da’s wa korter!”
Ja, ja, zie ik ze knikken, maar ze denkt waarschijnlijk toch wel wat anders!
We lopen onze Bobbie achterna en komen nu wel bij een voor mij bekende poort.
Ik ben thuis!
Zo zie je maar, hoe waardevol het kan zijn om een hond in huis te hebben!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 Klik op: De spuigaten uit.

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

02-12-2018:  De receptie

29-11-2018:  Het rijbewijs

 24-11-2018:  Een sleur

21-11-2018:  Bizar

28-10-2018:  Effe een broodje bakken

26-10-2018:  De overgang

22-10-2018:  Hoeveel keer nog?

18-10-2018:  Een jaar later

11-10-2018:  Romantiek

13-08-2018:  Centje bijverdienen

04-08-2018:  Een emmer zweet

02-08-2018:  Onmacht

(Omdat sommige verhalen een vervolg hebben, zou je de verhalen van beneden naar boven moeten lezen.)

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

 

Het rijbewijs (1967)

(Uit het boek "Mijn jeugdherinneringen")

Mijn vader is een doorzetter.

Als hij iets in z’n kop heeft, dan moet er dat ook komen. En het komt er.

In een eerder hoofdstuk vertelde ik over onze ‘Sprinkie’, de eekhoorn. Die had een buitenkooi nodig en die was in één dag tijd in elkaar getimmerd.

Er moest eens een konijnenberg gemaakt worden. Hij groef een gat van een meter diep en drie bij vier meter groot, voorzag die van ouwe gaas,  gooide het weer dicht en maakte er nog een zandberg op en een omheining bij. De holen groeven de konijnen zelf, maar het stond er binnen een week!

Ja, als hij zich iets voorneemt, dan moet het er komen of gebeuren!

 

We doen een sprong in de tijd: onze Wim en ik hebben allebei ons rijbewijs. En we rijden beiden met plezier een tweedehands autootje.

“Ik gaoj ok autorije,” beslist onze pa op een goede dag.

En ook vader koopt een auto en gaat het bijbehorende rijbewijs halen.

En wel in die genoemde volgorde!

Hij schaft eerst een tweedehands Volkswagen aan, ’n groene Kever. Laat er meteen een dubbele bediening in aanbrengen en gaat er mee lessen!

Vijfenvijftig jaar is hij nou!

Hij neemt lessen in zijn eigen wagen bij rijschool Schellekens uit Dongen, maar wil tussendoor zo veel mogelijk rij-uren maken.

“Henk, jonge,” zegt ie tegen mij, “ge mot ’s mee mijn gaon rije. Dan leer ik ’t wè vlugger en hoef nie zo veul lesse te betaole aon die rijschool.”

En zo geschiedt.

De wet staat het toe, dat iemand met een rijbewijs naast vader gaat zitten en hem laat rijden. Daar is de dubbele bediening voor: de extra rem en extra koppeling!

Dus ik op een zaterdagmiddag met ons vader mee. Hij heeft al wat lessen gehad van de rijschoolhouder en weet dus waar het contact, de gas en de rem zitten. En meer hoefde niet te weten!                   

Wij  met de VW de bossen in. Tenminste, we blijven wel op de verharde wegen. Het asfaltweggetje richting Dorst langs natuurbad Surae is lekker rustig en loopt bij het natuurzwembad rondom de parkeergelegenheden heen. En daar is dus ruimte zat om goed te kunnen oefenen met koppelen en schakelen, gas geven en afremmen.

Alles gaat prima.

Vanuit ons huis in de Ligstraot vertrekken we. Onze pa rijdt na enkele rijschoollessen redelijk goed en loodst ons goed door de Rijen heen.

 

Bij Surae aangekomen wil ik hem – na wat op en neer gerij - leren ‘keren op de weg’.  “Waant  dè ‘s nog ’n zwak punt,” volgens ons vader.

Er is geen fietser of hond in de buurt, dus we hebben alle tijd om het keren te oefenen. Het mee sturen en tegen sturen gaat echter allemaal niet zo vlot, als ik van hem verwacht en ik wordt een beetje ongeduldig.

“Dè is toch nie zo moeilijk pa, aandersom,” zeg ik tegen hem, als hij een stuurfoutje maakt. Maar ik denk, dat mijn uitspraken iets te fel zijn en hem een beetje opjutten! Onze pa kan af en toe ‘kort in de kèr’ zijn!

Plots geeft ie vol gas, denkt dat ie achteruit zal gaan, maar schiet met een ruk naar voren en duikt de langs de weg liggende sloot in! 

En ik ben door die onverwachte actie ook te laat om met die dubbele bediening te remmen! Kunde nagaan, dat er even met God gepraat wordt!

“Hoe kande me nou op zonne weg vlak langs n’n sloot laoten draaien!!!”

Ja, hoe kan ik!

We stappen allebei uit de auto en zien gelukkig, dat het een droge sloot is waar we in zitten.  Geluk bij een ongeluk!

Maar het Kevertje ligt met zijn buik op de grond en zijn voor- en achterwielen hangen vrij boven de berm en de sloot!  Wat nou??!!

Vader loopt eens een paar keer om het wagentje heen en gaat mogelijkheden bedenken om de auto uit de droge sloot te krijgen.

Ik moet van onze pa achter het stuur gaan zitten en zelf kruipt ie op de achterbank zo ver mogelijk naar achteren. Zo probeert hij door zijn gewicht in de schaal te brengen, de achterwielen aan de grond te krijgen.

Maar al gaan we zelfs met  z’n tweeën op de achterbumper staan, het wagentje beweegt helemaal niet; het ligt muurvast op zijn buik in het zand!

Na mij nog het een en ander goed duidelijk te hebben gemaakt over mijn manier van lesgeven, loopt ons vader mopperend naar café De Laat. Dat is een klein kroegeske een paar honderd meter lopen vanaf de plek, waar we vast zitten. Het staat vlak langs de spoorlijn Breda – Rijen bij een onbewaakte overweg.  Even later komt hij met twee schoppen terug: een steekschop en een panneke.

 Zwijgend beginnen we aan het graafwerk en scheppen het zand net zo lang weg onder de volkswagen, totdat de vier wielen de grond raken en er tussen grond en autobodem nog wat ruimte over is.  

Voor het zover is, zijn we weer een groot uurtje en veel zweetdruppels verder!

Ik rijd daarna gemakkelijk de wagen uit de sloot en we brengen de twee schoppen terug naar café De Laat. Daar nemen we nog een limonaadje om toch iets terug te doen voor het lenen van het gereedschap. Daarna rijdt mijn vader zijn Volkswagentje zelf weer foutloos en veilig naar huis.

Niet helemaal foutloos en veilig.

Want wat gebeurt er, als we in de Laagstraat aankomen en vader de auto den dam op wil rijden? Iets heel onschuldigs: we komen een patrouillewagen van de politie tegen!

De politieagent, die alleen in de auto zit, is waarschijnlijk onderweg naar huis voor een bakske koffie: hij heeft ons helemaal niet opgemerkt.

Maar ons vader let wel op de politie en te weinig op onze dam! Hij is even niet geconcentreerd aan het auto besturen!  Hij neemt daardoor de bocht te ruim en schiet op een boom af, die naast onze inrit staat.

Nu zit ik wel met mijn voet op het rempedaal, maar net iets te laat. De VW raakt de boom zachtjes, maar net hard genoeg om een flinke deuk in het linker voorspatbord te veroorzaken!

Met een behoorlijke krachtterm schakelt ons vader achteruit en rijdt alsnog de wagen onze dam op. We stappen uit en kijken eerst, waar de politie gebleven is.

Die is gewoon door gereden! Heeft helemaal niks gezien! Die heeft waarschijnlijk andere zorgen aan zijn kop!

We lopen terug onze werft op om de schade aan het spatbord op te nemen. Een hoop gemopper van ons vader natuurlijk, maar: “Dieje deuk slaoi ik er zelf wel uit,” is zijn conclusie.  En dat doet ie!

Maar ik heb ons vader nooit geen rijles meer hoeven te gegeven!

 

Gied Schaerlaeckens, een ouwe maot van hem, heeft al jaren een rijbewijs. En ondanks dat Gied geen auto heeft en nooit rijdt, geeft hij onze pa de nodige bijlessen. Tenminste: hij neemt plaats naast ons vader in de VW.

“As ik mar iemand neffe me heb zitte meej ’n rijbewijs,” zegt ie tegen anderen. “Ik wit zelf wel, hoe’k mot rije!”

En dat gaat goed, want na een keer of drie vier opgaan heeft vader zijn zo begeerde rijbewijs. Hij sloopt de dubbele bediening uit de auto. Die is nimmer nodig en wordt te koop aangeboden.

Over die dramatische rijles door de bossen en bij Surae: daar hebben we later weer dikwijls om moeten lachen!

En onze pa is blijven rijden tot zijn drieëntachtigste !!!

 

Copyright Henk M. van Oosterwijk.

Boek 'Mijn jeugdherinneringen'te bestellen bij www.boekenbestellen.nl .

 

Een sleur

Wat een sleur

 

Vandaag wordt de 27e bestraling uitgevoerd in het Verbeeten Instituut. Het is een echte sleur voor mij geworden. Elke werkdag naar Breda, soms naar Tilburg. Het kost me zo’n twee uren om op en neer te gaan. Met de voorbereiding thuis mee bijna drie uur! Voor vijf minuten bestraling!

 

Ik begin met tijdig een douche te nemen en daarna gemakkelijke kleding aan te trekken. Dan snel een halve liter water naar binnen werken, ongeveer een uur voor de bestraling.

Wachten op de taxi, die ik veertig minuten voor de bestraling afspreek. Dan naar het Verbeeten Instituut. Als de taxi goed op tijd is en het verkeer niet te druk heb ik in het instituut weer een wachttijd voor ik aan de beurt ben.

 

De bestraling, om de prostaatkanker te doden, is kort.

Je moet op een verstelbare bank gaan liggen. De voeten, knieholten en het hoofd worden op vaste posities ondersteund en de machine wordt afgesteld op de vier tatoeages, die voor de bestraling op mijn lichaam zijn aangebracht. Zo lig ik steeds in dezelfde positie met een volle blaas (halve liter water). Omdat de bestralingsmachine voorzien is van een CT-scanner, worden de vier in mijn prostaat aangebrachte ‘goudmarkers’ (gouden staafjes van ongeveer een halve millimeter rond en halve centimeter lang) op een scherm zichtbaar, zodat de zusters/broeders met grote precisie de plaats van bestraling kunnen vaststellen. Enkele minuten draait dan de bestralingskop om me heen.

Fluitje van een cent, dus!

Uitkleden, bestralen en aankleden is binnen tien minuten gebeurd. Dan de blaas ledigen en weer op mijn vervoermiddel wachten.

 

Het is een dagelijkse sleur geworden, die zich elke dag op verschillende tijdstippen afspeelt. Want een vaste dagelijkse tijd afspreken bij Verbeeten is onmogelijk.

Vandaag word ik voor de zevenentwintigste keer bestraald; er zijn nog acht bestralingen te gaan.

Einde in zicht en als de bijverschijnselen zijn, zoals nu, ben ik dik tevreden.

Tenminste, daarna genezen verklaard worden, dat is uiteraard het einddoel.

 

Ik voel me leeg.

Als een luchtballon hoog in de lucht, waarvan langzaam de luchttemperatuur in de ballon zak en zo geleidelijk hoogte wordt verloren.

Ik heb energie nodig, vuur, om de luchttemperatuur te verhogen en daardoor de ballon te doen stijgen.

Hopelijk komt dat vuur snel.

 

Nog acht bestralingen.

Ik hoop dan te horen, dat het gevecht met de prostaatkanker is overwonnen. Dat de ziekte tenminste onder controle is.

Want zekerheid heb je nooit in dit leven.

  

Leeg.

 

 Ik voel me leeg.

Als een luchtballon hoog in de lucht.

Waarin langzaam de luchttemperatuur zakt.

Geleidelijk wordt hoogte verloren.

Ik heb energie nodig, vuur.

Om de luchttemperatuur te verhogen.

Waardoor de ballon gaat stijgen.

Naar onsterfelijke hoogte.

Hopelijk komt dat vuur snel.

 

Nog acht bestralingen.

Ik wil dan horen,

Dat de strijd in mij

Door de prostaatkanker is verloren.

Dat de ziekte onder controle is.

Ten minste,

Want zekerheid heb je nooit in dit leven.

 

Vakantie?

 

Hoera, morgen vakantie!

Zo voelt het tenminste aan.

Vandaag heb ik voor de 35e keer in de bestralingsmachine van het Verbeeten Instituut gelegen. Voor de laatste keer, neem ik aan.

Een heel juk valt van mijn schouders nu ik niet meer elke dag die trip naar het instituut hoef te maken.

Niets slechts over het Verbeeten. Zowel in Tilburg als in Breda werd ik steeds allervriendelijkst ontvangen. Door de receptionisten, de doctoren, en zeker niet op de laatste plaats de behandelaars. Of moet ik zeggen: de machinisten van het bestralingsapparaat. Fijn personeel van deze zorginstelling hebben ervoor gezorgd, dat ik, en vele anderen met mij, me daar zeven weken lang thuis voelde in dat toch bij het volk berucht staande instituut, waar iedereen wil wegblijven!

 

Maar het is voorbij, over en uit!

Het woord vakantie is eigenlijk niet goed gekozen. Het houdt in, dat er een terugkeer zal zijn en dat wil ik niet.

Over vijf weken heb ik toch weer een gesprek en bloedonderzoek en hoop ik de woorden ‘genezen’ te horen. Definitief met pensioen dus.

Dat is het.

 

 

Bizar

Afgelopen zaterdag maak ik een bizarre, maar toch leuke ervaring mee! Misschien beleefde u ooit ook een dergelijk moment, waarbij droom en werkelijk door elkaar heen verweven zijn. Het herbeleven van een gebeurtenis, als je in een staat van verdoving verkeert.

Bij mij ging dat als volgt.

 

Ik heb een flinke verkoudheid opgelopen en ben deze zaterdag strontziek. Afgelopen zondag trouwens ook nog. Maar die zaterdag, als ik de thermostaat van de verwarming even een graadje hoger heb gezet,  val ik ’s avonds in mijn heerlijke ligstoel voor de teevee in een diepe door de koorts opgedrongen slaap.

Plots schrik ik half wakker. Ik hoor mezelf spelen op de accordeon. Het is echt het geluid van mijn Weltmeister, mijn trekkastje, dat me tegemoet golft. Precies één van die drie liedjes, die ik redelijk kan spelen.

Ik dwing mijn door slaapvet dichtgeplakte oogluiken om zich te openen en met moeite onderscheid ik het tv-scherm. Ik ontwaar een accordeonist en nog wat figuren. Dat is toch niet het filmpje, dat gemaakt is, terwijl ik met de kleinkinderen muziek aan het maken ben? Het lijkt er wel op. Hoe komt dat op teevee?

Ik zie de kinderen om me heen zitten en glimlach om het samenzijn met m’n familie. Dan vallen mijn oogleden weer dicht en luister ik alleen naar de accordeonmuziek. Wat is het toch leuk om samen zo maar iets gezelligs te doen.

Zachtjes dommel ik weer in.

 

Dan is de muziek weg.

Deze muzikale stilte doet me ontwaken uit mijn droom. Ik hoor een man vertellen over een voetbalclub en probeer nu echt wakker te worden. Ik druk op de schakelaar om mijn ligstoel in de zitstand te zetten. Terwijl de zetel langzaam zijn normale houding inneemt, kijk ik toch wat verward om me heen.

Niemand op bezoek.

Een presentator vertelt in een programma over voetbalclub Emmen en ik zie de voetbalsupporters over het scherm paraderen.

Maar hoe kan dat nou?

Ik ben ervan overtuigd, dat ik mijn accordeonmuziek hoorde en de kleinkinderen om me heen zag trommelen en spelen.

Ik ben toch niet gek!?

 

Even ben ik echt de kluts kwijt.

Ik recht de rug en wrijf het vet uit mij ogen. Dan bedenk ik, dat ik van Ziggo dat horizon-apparaat heb, waarmee ik terug kan kijken in het tv-programma. Ik druk op de achteruit-spoelknop en laat het programma teruglopen, totdat ik een accordeon ontwaar. Dan druk ik de stopknop in en laat het verhaal weer vooruitlopen.

Inderdaad klinkt de accordeonmuziek weer door de kamer. Een klank gelijk uit mijn eigen accordeon komt. En mijn liedje, maar niet ik ben aan het muziek maken. Een voor mij vreemde man bespeelt de accordeon, waarschijnlijk een Emmenaar. Hij laat het nummer horen, dat ik samen met de kleinkinderen ooit speelde en wat toen in onze huiskamer is opgenomen op video. De figuren rondom de muzikant zijn niet mijn kleinkinderen, echter wel Emmen-supporters.

 

Even ben ik verbluft.

Heb ik koorts of zo? Ik zag toch duidelijk de kleinkinderen op het scherm en hoorde mijn eigen muziek!

Een hallucinatie?

 

Zo kun je blijkbaar door een paar muziekklanken herinnerd worden aan een mooi moment in je leven.

In je slaap werkt dat door en produceren je hersenen de beelden, die bij het geluid horen.

Voor mij is het toch even een verwarde situatie, misschien ook door de verkoudheid en de koorts.

Ik los het maar snel op met nog maar een extra dutje te doen, dat me in een droomloze slaap laat vallen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

De overgang

Nou mensen, ik kan nu echt meevoelen met de dames, die te maken hebben met de overgang. Ik ondervind het nu zelf aan den lijve!

En dat, terwijl ik al vijfenzeventig jaren tel.

Ik heb de puberteit, de midlife crisis en de pensioensleeftijd overleefd, maar nu zit ik na driekwart eeuw met levensgrote opvliegers!

Hoe dat komt?

Het is een van de middelen in de strijd tegen prostaatkanker. Het begint met dertig dagen pillen slikken en dan om de drie maanden een injectie met een implantaat, die driemaandenlang in mijn lichaam iets met hormonen rotzooit.

 

“Het is een behoorlijk dikke naald, die ik het beste in een vetlaag bij de buik kan inbrengen,” legt mij de vriendelijke zorgzuster van Zoladex uit.

Zoladex is de organisatie, die de spuitjes aan huis komt geven, een soort of ‘homeservice’ dus.

“Op die plek zit vet genoeg,” zeg ik lachend, terwijl ze de naald in mijn huid prikt.

“Geen pijn?” Ze kijkt me aan.

“Niks. Ik voel niks.”

Hoe kan het ook anders, denk ik bij mezelf. Dat vetbandje van mij heeft geen pijnzenuwen.

“Alweer klaar.” Ze pakt haar spullen bij elkaar. Ik trek mijn T-shirt omlaag en neem de spullen van haar aan, die in de vuilnisbak verdwijnen.

“Over drie maanden weer,” stelt ze vast. “Ik bel je wel.”

 

Nu is het bijna drie maanden verder en heb ik, naast de hormoontherapie, alweer achttien bestralingen in het Verbeeten Instituut er op zitten.

Ik ben over de helft, want in totaal krijg ik vijfendertig bestralingen.

Van die radioactieve behandeling heb ik niet zo veel last. Wat vermoeidheid, maar dat wordt opgelost door wandelen. Ja, beweging, daar vecht je mee tegen deze vermoeienis. En een extra dutje, dat helpt ook wel. De darmen zijn af en toe wat in de war en het plassen gaat soms moeilijk. Maar verder blijf ik dezelfde positieve jongen, die ik hiervoor was.

 

Maar die hormonen!

Die opvliegers! Twintig, dertig, veertig keer per dag en nacht vallen ze mijn temperatuursysteem aan.

Zo maar ineens, het zweet op m’n voorhoofd.

Ik krijg dan zin om kledingstukken uit te gooien, maar nog geen vijf minuten later komen koude rillingen over mijn rug. Alle knoopjes gaan weer dicht en af en toe doe ik een vestje aan!

Dan ’s nachts: je kruipt lekker onder de dekens, maar wordt een tijdje later wakker van de kou.

Alle dekens weg!

Natuurlijk weer een opvlieger en dan gooi je alles bloot en krijg je kou! Je trekt de dekens weer over je heen en valt opnieuw in slaap. Dit herhaalt zich nog diverse keren in diezelfde nacht.

 

“Je kunt onder andere opvliegers krijgen en humeurig worden," vertelde mij de oncoloog enkele maanden terug.

“Typisch vrouwelijke kenmerken," zei ik glimlachend en keek de dokter aan. "Krijg ik ook de drang om een jurkje te gaan kopen?"

Je moet je humor altijd behouden, niewaar?

Nu begrijp ik, en heb respect voor al die vrouwen in de overgang. Wat die niet afzweten!

Maar een goede raad: laat je humeur er niet onder lijden. Wordt niet chagrijnig.

Behoud je humor!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Effe een broodje bakken

Ben ik ouderwets?

Ja, een beetje, als ik eerlijk ben. Riet, mijn vrouw, heeft altijd voor het eten en huishouden gezorgd; ik zorgde ervoor, dat er geld in haar portemonnee zat. Niet helemaal waar, want ze heeft best nog een aantal jaren, naast haar werk in de huishouding, bij diverse bedrijven han en span diensten verricht. Maar ik, koken?

Begin jarentachtig heb ik dat wel eens gedaan, maar verder was het Riet die mij elke dag met haar kookkunsten verraste. Ik stam namelijk uit een generatie van: ‘de man op het werk en de vrouw in de keuken’.

Toen Riet ziek werd, ben ik definitief gaan koken en na haar overlijden is uiteraard de gehele keuken van mij. Niet zo gezellig, maar het moet.

 

Zo denk ik vandaag eens lekker broodjes te gaan bakken. Als begin neem ik vier voorgebakken ‘Petit Pains’ vanuit de super mee naar huis. Op de verpakking van deze ‘Pistolet’ lees ik voor alle zekerheid even de bereidwijze. De oven voorverwarmen op 200 graden en dan die voorgebakken broodjes tien tot twaalf minuten in de oven laten.

Fluitje van een cent!

Tenminste, als je een oven hebt. En die heb ik niet!

Wel een magnetronnetje van 700 watt, een Microwave oven, staat erop. Dat moet dus ook gaan, denk ik bij mezelf.

Ik plaats – voorlopig om het uit te testen – één pistolet op het ronde plateau in het oventje, stel het in op maximale warmte (want 200 graden is nogal wat) en zet de tijdklok op tien minuten. Als het brood niet gaar is, kan ik er altijd nog twee minuten bijdoen, is daarbij mijn gedachte. Ik klap het deurtje dicht en de magnetron treedt in werking. Door het glazen deurtje controleer ik nog even, of het plateau met pistolet ronddraait en loop de kamer in naar de teevee om het nieuws te bekijken.

Ik heb toch nog tien minuten, niewaar?

 

Als na enkele minuten onze papagaai Schipper, die op de keukendeur post heeft gevat, naar zijn kooi vliegt, kijk ik even richting open keuken.

Verschrikt veer ik uit mijn fauteuil omhoog. Het lijkt wel of de keuken in brand staat. Ik snel naar mijn magnetronnetje, dat dikke grijze wolken uit haar ventilatiegaten blaast en druk op de knop, die het deurtje opent. Een grijze walm schiet naar buiten en verspreid zich over mijn kookruimte en door een gedeelte van de woonkamer.

En stinken!

Geen wonder, dat Schipper naar zijn kooi vluchtte!

Ik schuif mijn microwave oven onder de afzuigkap, die op volle toeren draait. Langzaam trekt de grijze walm uit de magnetron weg en wordt een zwart hoopje zichtbaar.  Met de frikandellentang grijp ik het ding, dat eens een voorgebakken pistolet was, en houd het snel onder de koude waterkraan. Met een sissend geluid en opnieuw een flinke wolk rook wordt de hitte uit het ‘brood’ verdreven en blijft er een zielig hoopje verbrand deeg in de gootsteen liggen.

Teleurgesteld staar ik naar mijn pistolet. Ik heb zo’n zin in een warm broodje, maar dit zwarte hoopje zal het niet worden.

 

Met alle ventilatieroosters en deuren open duurt het een half uur, voordat de rook uit keuken en kamer verdreven is. Alleen de geur zit nog in mijn neus en hangt waarschijnlijk nog in het woonvertrek.

En nou? Ik heb nog steeds zin in een warm broodje!

Ik ben een volhouder, zet de koekenpan op het gas en verwarm deze zonder er enig vet of boter in te gooien. Als de bodem goed heet is, leg ik er een broodje in. Eentje maar, want ook dit is een experiment. Met de frikandellentang draai ik de pistolet steeds om en probeer daarmee te voorkomen, dat het brood aan de koekenpan vast brandt. Na een paar minuten, als ik denk dat het tijd is om te proeven, draai ik het gas uit en snijd het broodje open.

Ziet er goed uit!

Boter erop, een plakje komijnekaas, en proeven maar. Niet helemaal gaar, maar het smaakt toch prima. Ikzelf vind dit experiment redelijk geslaagd. De twee overgebleven pistolettes zal ik morgen zeker op deze manier, misschien iets langer, gaan bereiden.

 

Mijn microwave oventje heb ik nog even schoongemaakt en uit geprobeerd. Het werkt van geen kant meer! Rijp voor de stort! Eindelijk een reden om een combi te kopen, een magnetron /oven. Een echte dan.

Maar of ik in dat nieuwe kooktoestel een pistolet ga bakken, dat betwijfel ik!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Hoeveel keer nog?

Hoeveel keer nog?"

Deze vraag wordt door mijn taxichauffeuse gesteld, terwijl ze achter haar wagen doorloopt. Ze stapt achter het stuur en kijkt me aan.

"Ik was nu voor de tiende keer," antwoord ik, "nu nog vijfentwintig keer."

"Soo, da's een hele hoop." Ze spreekt met een Rotterdams accent.

"Nog vijf weken dus," zeg ik er achteraan.

Ze start de wagen en rijdt langzaam de oprijlaan van het Verbeeten Instituut af, terwijl haar mond onophoudelijk woorden produceert.

"Ikzelf heb vijf bestralingen gehad. Dat duurde me allemaal te lang hier in Breda. Ik zeg tegen mijn verzekering: joh, ken ik niet naar Rotterdam? En da kon. Maar veel schoot ik er niet mee op. Het scheelde een week. Maar ja, alles is meegenomen als het over kanker gaat. Want die kanker, da weet wat. Mijn man had ook kanker. Hij had wa pijn op zijn borst. Ik zei nog: ga naar de huisarts. Maar nee, de vent had het druk en de pijn viel allemaal nog mee, zeit'ie. Dus hij blijft lope met die pijn en ik denk bij me eige: die krijgt vandaag of morgen een hartaanval. Ik ken die pijn. Ik heb een lichte gehad. Nou doen mijn ribben zeer, maar ik ken het verschil goed tussen ribben en hartpijnnen"

Even houdt ze haar adem in, als we de snelweg oprijden.

"Mijn vrouw......," probeer ik dan, maar mijn chauffeuse ratelt gewoon door zonder naar mij te luisteren of te kijken.

"Hij was eigenwijs. Hij kon al moeilijk slikken en zijn stem werd ook minder.” Er valt even een stilte. “Heb jij pijn?"

Nu draait ze haar gezicht toch mijn richting in.

"Ik euh, nee."

"Hij wel. Uiteindelijk is ie naar de dokter gegaan en die stuurde hem naar de cardioloog. Ken je da? Mot je eerst weer vier weken wachte, voor je daar terecht ken en dan zegt die vent tegen je, dat ie niks aan zijn hart mankeert. Hadde ze verdorie een longfoto gemaakt, dan hadde ze da gezwel tenminste gezien. Maar nu moes ie eerst weer naar een andere dokter. Och, achteraf bekeken was het toch allang te laat. Hij was nie meer te helpe. Maar goed, krijgt mijn dochter ook nog een bestraling. Vijf keer. Toen was dat gelukkig weer goed. En dan komt die hond er nog bij. Wat een rottijd. We ontdekten een groot gezwel bij onze hond. Ook kanker. We waren wel goed verzekerd, maar ze was al oud en die kanker was ook al te ver doorgedrongen. Het beessie had geen kwaliteit van leven meer, dus hebbe se het maar een spuitje gegeve."

We zijn intussen kilometers verder de snelweg afgedraaid en Oosterhout ingereden.

"En uw man," krijg ik er net nog tussen, als ze moet ademhalen.

"Mijn man? Die is binnen twee maande overleje. Een kankergezwel in zijn borst en veel te laat naar de dokter gegaan. Zijn slokdarm was aangetast, zijn lever totaal verkankert en het zat bij hem overal. Je ken natuurlijk nie voor elk pijnscheutje naar de arts, maar hij hèt ’t laten verslonzen. Je weet ’t eigelijk ook nie. Je mot gewoon een beetje geluk hebben. Woont u hier in deze appartementen?"

Ik knik en ze draait het parkeerterrein op.

"Nou, u nog sterkte met die bestralingen. Dat het goed moge aflope."

"U ook sterkte," roep ik, terwijl ik het portier dichtklap.

"En nog een prettige avond," hoor ik haar nog zeggen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Een jaar later

Steeds keren mijn gedachten terug bij dat ene moment. Telkens weer zie ik het gebeuren.

Ik laat ze toen binnen, de uitvaartbroeders.

Nee, een broeder en een zuster. Op een waardige manier en met behulp van een glijlaken schuiven ze Riet van het bed op de baar. Meteen in een grote kunststof zak. De rits gaat half dicht en de broeder vraagt:

“Wil er iemand nog iets zeggen?”

Ja, wat moet ik zeggen?

Riet, doe je ogen open. Zeg, dat het een grapje is en kus me. Dit is onwerkelijk. Ik moet ze overdragen, haar lichaam meegeven aan deze mensen. Maar ik wil ze hier houden. Bij mij, in huis. Haar verzorgen, haar kussen, haar liefkozen.

Ik schud langzaam mijn hoofd. 

Ik ken geen woorden, die bij dit afscheid horen, wat voor mij nog geen afscheid kan zijn. Geen gezegdes, die Riet tot leven wekken. Geen kreet, die haar doet opschrikken, recht zitten en mij omhelzen.

Ik kijk de man aan en hij begrijpt.

Ik buig voorover en kus haar.

Koud!

Wat is ze koud!

Ik schrik ervan, terwijl ik weet dat ze vertrokken is. Weggegaan uit het leven.

Haar leven. Mijn leven.

Onvoorstelbaar! Dit kan niet! 

Om vier uur is ze ingeslapen; straks wordt ze weer wakker en kijkt me met die alles veroverende glimlach aan. Ze kust me, maar .......

Koud.

Haar lippen zijn zo koud.

Het is onwerkelijk, niet te begrijpen.

Onbestaanbaar.

Ik richt me op en knik tegen de uitvaartdienders. De man schuift de ritssluiting van de lijkzak dicht. Ik zie haar gezicht langzaam verdwijnen achter de sluitende rits.

Ze rijden de baar naar buiten, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. Hij weet zich ook geen houding te geven, moet iets doen en helpt zijn oma mee naar buiten. Ze schuiven Riet in de auto.

We staan erbij en kijken ernaar.

Wij, ik, mijn kinderen en kleinkinderen.

De auto vertrekt.

We blijven kijken, totdat het grijze mobiel om de hoek verdwijnt.

"Mijn vrouw is dood," zeg ik tegen een man, die net zijn hond uitlaat en op eerbiedige afstand het tafereel staat gade te slaan.

Hij knikt.

"Gecondoleerd en sterkte," zegt hij en loopt aarzelend verder, zijn hond manend om mee te gaan.

Ik voel me leeg.

Langzaam volg ik de kinderen, terug naar binnen. Fijn, dat ze er allemaal zijn.

Onwerkelijk, dat Riet er niet meer bij is.

 

 

Nu zijn we een jaar verder.

Ik heb af en toe zin om alles binnen handbereik kapot te slaan. Door de lucht te slingeren. In gruzelementen te rammen. Woede komt zomaar in me op en verduistert mijn geest. Het zijn maar seconden; maar wel heftig, pijnlijk en verscheurend. Het snijdt mijn adem af, drukt mijn borst ineen en vertroebelt mijn gevoel voor realiteit. Het duurt maar even. Een, twee, drie seconden. Dan heb ik weer controle over mijn gedachten.

Het is de machteloosheid, die mijn spieren doen verslappen, en met een diepe zucht zakken mijn armen slap weg langs mijn lichaam.

Waarom?

Waarom is Riet overleden?

Wat is de reden, dat zij mijn leven heeft verlaten. We kunnen samen nog zo veel varen, kunnen beleven, kunnen ervaren. Samen van onze ouderdom genieten.

Maar dat mag niet. Dat kan niet.

Ik zie dat verschrikkelijke beeld voor me en hoor de man nog zeggen:

"Wil er iemand nog iets zeggen?"

En dan die rits, die traag haar gezicht doet verdwijnen. De baar, die de gang in geduwd wordt, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. De wegrijdende auto en de man met zijn hond.

Hoe onwerkelijk is dit allemaal.

Opnieuw laait de woede in mij op, bijgestaan door een machteloos gevoel.

 

De dood is definitief.

Riet hield hier op.

Geef het een plek en kom tot rust.

Herinner je de mooie gebeurtenissen met haar.

Mooie woorden, maar realiteit is hard.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Romantiek

Romantiek, wat is dat?

Ik denk, dat dit woord voor ieder mens een andere betekenis heeft. Zeker als we naar de generatieverschillen gaan kijken.

Neem nou mijn eigen kinderen. Hoe zij hun sfeervolle uurtjes met hun vrienden precies indeelden, weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is, hoe zij elkaar ten huwelijk vroegen.

 

Neem nou mijn schoonzoon Bart.

Hij had een restaurantje gereserveerd, zich in een goed pak gestoken en een Rolls Royce naar mijn dochter Susanne haar werk gestuurd, om ze op te halen.

Het meisje wist van niks.

Nou, meisje, ze woonden al tien jaar samen in Almere, een stad ver van haar geboortedorp Rijen vandaan. Susanne stapte in de Rolls uit 1970 en werd naar dat restaurant vervoerd. Daar zat onze Bart te wachten, ging op zijn knieën en vroeg haar ten huwelijk.

Is dat niet romantisch?

We praten er nog steeds over!

 

En dan zoon Raymond.

Hij had heel iets anders in gedachte.

Tijdens een carnavalsfeest stapte hij het podium op en vroeg, ‘of hij effe van de microfoon gebruik kon maoke.”

Dat mocht.

Of het nou zijn zenuwen waren, of de biertjes die hij al genuttigd had: het begon heel onromantisch.

“Wil Monique effe op het podium komen,” schalde het door de luidspeakers, terwijl - tot grote ontsteltenis en hilariteit van zijn vrienden – hij al bijna tien jaar met Lenie samenwoonde!

“Neije, doe toch maar oos Lenie,” herstelde hij zich. Gelukkig meldde Lenie zich en ging ook Raymond op zijn knieën met de woorden: “Wilde gij mee mèn trouwe.”

En dat wilde ze, ondanks de eerdere spreekfout.

Is dat niet romantisch?

Ook hier wordt nog dikwijls om gelachen.

 

Maar dan wijzelf, ons Riet en ik.

Natuurlijk was ik romantisch en hield ontiegelijk veel van haar. Maar onze tijden – in de zestiger jaren van de vorige eeuw – waren heel anders.

We hadden al acht jaar verkering, voor we trouwden, maar samenwonen? Nee, dat was er niet bij. Ge vree gewoon met elkaar en over trouwen werd alleen wat lachend gesproken. Bijna drie jaar woonde Riet bij onze ouders in. Ze had een eigen kamer en ik moest een kamer met mijn broertje Wim delen.

Riet spaarde voor haar uitzet, die netjes op zolder gestald werd tot het eens tot een huwelijk zou komen. Op mijn verjaardag kreeg ik een pollepelrek van haar met de woorden: “Komt straks goed van pas!”

Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit gevraagd heb, of ze met me wilde trouwen.

Op een dag zij ze gewoon: “Ik ben naar de gemeente geweest en heb ons ingeschreven voor een woning!”

Maar ja, in die tijd was er een puntenstelsel en als we die berekeningen toepasten, zouden we op ons drieëndertigste eindelijk een woning krijgen!

We waren toen drieëntwintig!

 

Tot ik van mijn werk thuiskwam en zei: “Riet, we hebben een woning! Van mijne baos.”

En zes weken later waren we getrouwd.

 

Ik romantisch?

Natuurlijk wel. Ge kunt het helaas niet meer aan Riet vragen, maar geloof maar van mij, dat ik een idyllisch magische sfeer kon scheppen, als dat nodig was!

© Henk M. van Oosterwijk

Centje bijverdienen

Het kan soms raar gaan in het leven.

Ik praat nu over de tijd van begin jaren '90. Riet en ik varen een ZM-kruisertje van ongeveer zes meter lang, en onze vrienden Peter en Rietje een Verhoeven-kruiser met een lengte van acht meter zestig. Een Verhoeven-kruiser kent de gemiddelde watersporter wel, maar wat is een ZM-kruiser? Ik zal u uit de droom helpen: het is een Zelf Maaksel. Een polyester onderschip met een houten opbouw. En een plezier dat we met dit bootje, negen jaar lang, gehad hebben. Het is maar goed, dat bootjes niet kunnen praten!

 

Het gaat me echter niet om de kruisers, maar om de bijbootjes. Peter en ik hebben allebei nog een roeibootje met buitenboordmotor.

Zo gebeurt het, dat we samen aangemeerd liggen in het Middelgat van de Plomp, net waar de Sloot van Sint Jan de Plomp instroomt. Het Spaarbekken noemen wij deze plek.

Het is zaterdag en we zitten 's avonds lekker te borrelen, als rond de klok van elf een roeibootje langskomt glijden.

"Meneer," wordt er geroepen, "kunt u ons niet even naar de haven Vissershang slepen. We zijn verdwaald na een dropping. We zijn moe en komen waarschijnlijk te laat binnen." De droppelingen hebben waarschijnlijk onze volgbootjes zien liggen.

Peter reageert als eerste: "vur vijfentwintig gulden sleep ik oe er wel effe naor toe."

Ik kijk hem beduusd aan. Dat kun je toch niet maken.

"Akkoord," klinkt het verrassend uit het roeibootje.

"Vooruitbetalen," antwoord Peter weer. Ik zie een van de mannen naar zijn portemonnee grijpen en een geeltje (nu ongeveer elf euro) aan mijn maat geven.

"Vaorde mee?" Peter kijkt me aan.

"Oké," zeg ik, zoek mijn jas en pet op, want het is op en neer toch een uurtje varen en het kan kouder worden. We binden het dropbootje aan de Pioneer van Peter en weg zijn we.

 

Als we Vissershang naderen, zien we de silhouetten van het kleine vrachtschip van Frans Peeters voor in de haven liggen.

"Koppel ons hier maar af," zegt de betaler zachtjes tegen mij, "want anders ziet de organisatie, dat we gesleept zijn. Dit laatste stukje roeien we wel, dan hebben we waarschijnlijk nog gewonnen ook!"

Peter en ik kijken elkaar lachend aan, gooien de sleeplijn los en keren terug via Spijkerboor en de Sloot van Sint Jan.

 

Halfweg de Sloot ligt een bootje tussen het riet.

"Zijn jullie van de Don Pedro?"

"Kunnen jullie ons naar de haven slepen," klinkt het opnieuw uit het riet. "Hier is vijfentwintig gulden!"

Weer een gedropt gezelschap. 

"Die hebbe de vrouwe al gesproke," merkt Peter op. De vijf gedropten hebben het geld al verzameld, we pikken hun boot aan en slepen de nieuwe klanten weer naar Vissershang.

Als we terugkeren in de Plomp komen we nog diverse bootjes tegen met het verzoek hen te slepen, maar dat wordt door ons geweigerd. Het loopt al tegen één uur en we hebben intussen toch wel wat dorst gekregen.

De twee Rietjes zitten nog lekker aan een wit wijntje, als wij arriveren.

"Zo," zegt Peter tevreden, "effe vèftig gulde verdiend."

"Mar wij hebbe ok geld gebeurd," antwoord Rietje van Peter. "We hebbe die pakke wijn, die nie smôokte, aon de langskomende droppers verkocht en nog wa blikskes bier durbij!"

Eind goed, al goed, en we nemen er nog eentje.

 

Het is twee weken later en we liggen met onze boten op hetzelfde plekje in de Biesbosch, als er een meisjes van rond de veertien jaar met vier kleine meisjes van ongeveer tien, bij onze boten op de wal staan. Het is ook weer rond elf uur en pikkedonker. In de Biesbosch staan geen lantaarnpalen en het is nog eens zwaarbewolkt en 't regent af en toe.

Ze staan er met bemodderde schoenen en laarzen en vertellen ons, dat het groepje te voet door het Biesbosch land gaat. 

Wijzelf zitten met vieren in de boot, omdat het met regelmaat wat nat naar beneden komt.

"Meneer," begint het oudste meisje aarzelend, "we moeten naar het bruggetje van Sint Jan, maar we zijn verdwaald."

"Un dropping?" Ik kijk de groep verbaasd aan. "En te voet? Hedde gullie gin bôtje meegekrege?"

Het meisje schudt haar hoofd.

"Zèn jullie waoter overgestoke?" Ik zie nu dat hun broeken nat zijn.

Het meisje knikt. "En we zijn lastig gevallen door een paar jongens in een bootje!"

Ik zie, dat de kinderen bang zijn.

"Gij zijt nou aon de beurt om taxiboot te speule," hoor ik Peter achter me zeggen. "Eigelijk is ut onverantwôrd om die meiskes met dees weer en zo laot nog ut bos in te sture."

Hij heeft gelijk. Waarschijnlijk zal hun tocht niet door het water bedoeld zijn, maar doordat ze op de vlucht sloegen voor die jongens, zullen ze van het pad zijn afgeweken.

"Stap mar in, dan breng ik jullie wel effe." Ik loop naar mijn bijboot en help de kinderen in te stappen. Het is maar vijf minuten varen naar het bruggetje van Sint Jan, maar te voet kun je daar onmogelijk komen vanuit de plaats waar wij liggen.

 

Even later laat ik de boot tegen de wal naast het bruggetje glijden en de meisjes stappen uit. Op dat moment komen enkele ouderen, waarschijnlijk hun leiders, aanlopen. 

"Jullie zijn in overtreding," moppert de een tegen de kinderen, "en u had ze verdorie niet met de boot moeten brengen," wendt hij zich tot mij.

"Meneer," probeer ik ertussen te komen, maar die man gaat kwaad verder.

"We hebben hier een wedstrijd en die hebt u helemaal verstoord!"

Er volgt nog wat getier, terwijl mijn bloed begint te koken.

"Ge mot us goed luistere," verbreek ik zijn tirade, "Die meide komme nat en angstig bij oos aon. Ze zèn gevlucht vur un paor lastige jongus, zèn dan vermoedelijk  unne sloot overgestôke. Te voet konde ze hier nimmer kome. En gij zegt, da'k ze nie moes brenge? Wie stuurt er mèskes van tien dun Biesbosch in bij naacht? Gullie mot oew eige us nao laote kijke!"

Ik start de motor en vaar zonder om te kijken terug naar ons Rietje.

"De wereld is niet eerlijk," stel ik in mezelf vast, "de een speelt taxiboot en beurt vijftig gulden, de ander doet hetzelfde, maar krijgt op zijn donder."

Ik heb er met Peter en de Rietjes, die er natuurlijk hartelijk om moesten lachen, toch maar een lekker pintje op gepakt.

Copyright  Henk M. van Oosterwijk

Een emmer zweet

Bij de reacties van mijn vorige verhaal ‘Onmacht’ kom ik ene Richard tegen, die me plotseling doet herinneren aan een zweterig voorval. Ik heb dikwijls mensen zien transpireren. Bij zware arbeid, bij te hoge temperatuur in een feestzaal of – zoals vorige week - bij tropische temperaturen.

Zelf kan ik er ook wat van; als ik vorige week maar een balpen verlegde, stroomde het water vanaf mijn achterhoofd de nek in.

U weet, dat ik altijd waargebeurde verhalen schrijf, zoals ikzelf ze herinner. Nou deze geschiedenis overtreft alle zweettaferelen, die je ooit hebt gekend. Luister.

 

Het is in de jaren 80 van de twintigste eeuw.

Voor ik afzwaai als kastelein, heb ik nog een formidabel idee: een kasteleins driebanden biljarttoernooi organiseren onder de Rijense horecaondernemers!

Hoe verzin je het, niewaar.

Café en restauranthouders naar een etablissement lokken om daar vier doordeweekse dagen een onderlinge strijd op het groene laken uit te vechten. Dat moet een feest zijn!

En dat wordt het ook.

Via loting komt het eerste toernooi bij café-restaurant 't Hoekske terecht, momenteel zeer bekend als 't Vermaeck. Jantje Janssen runt samen met zijn vrouw Toos in die tijd de zaak naast de ingang van vliegveld Gilze-Rijen.

Acht kasteleins schrijven in voor dit driebandentoernooi. Ik hoop de juiste namen te noemen, want het archief heb ik indertijd aan anderen overgedragen. 

Volgens mij spelen mee: Louis Nooten van Hotel Nooten, Richard Dreijer van Restaurant Oase, Gerrit Wouters van 't Stationskoffiehuis, Nolleke Vromans van Plankenwammes, Kees Bink van De Drie Linden, Jan van Galen van bar ’t Pulleke (kan ook nog Ton Bierman geweest zijn, toen heette het de Ricardo Bar en na ’t Pulleke werd het ’t Hangijzerke van Helmus Theeuwes. Dit even terzijde.). Verder  Jantje Jansen natuurlijk, en ikzelf van 't Halve Maantje (nu bekend als Spijs en IJs).

Het wordt een grandioos succes en een groot feest, want elke kastelein brengt zijn eigen publiek mee. En leer kasteleins feesten, hè.

Vraag me niet, wie die eerste kampioenstitel gewonnen heeft, want dat kan ik me niet meer herinneren.

Het staat vast, dat dit succes tot een vervolg zal leiden. Het tweede jaar, ik denk bij Hotel Nooten gehouden, schrijven al meer ondernemers zich in en ook horeca uit Gilze meldt zich latere jaren aan.

 

Dan komt het jaar, dat dit biljartcircus in De Drie Linden te Molenschot neerdaalt. Uitbater hiervan is Kees Bink, alom bekend in deze streken. Bij een voorbespreking van dit biljarttoernooi zitten we ’s middags in zijn zaak te vergaderen.

“Een moment,” zegt Kees plots rond kwart voor vier. Hij staat op, loopt naar de bar, pakt een zak snoep en gaat daarmee naar zijn entreedeur. We zien een aantal schoolkinderen buiten staan, die onderweg zijn van school naar huis. Kees deelt snoepjes uit aan hen. Dan sluit hij de deur weer, bergt zijn snoepzak op en zegt tegen ons: “Over tien jaor zèn da allemaol klaante hier!”

Zo zit Kees in elkaar: in de toekomst kijken!

Over hem kun je een boek schrijven. Een serie, denk ik.

 

Omdat er zoveel deelnemers aan het toernooi zijn, laten we een tweede biljart bijplaatsen en ook hier wordt het toernooi met groot succes afgewerkt.

Nu hebt u zijn naam al gelezen: Richard Dreijer. Hij doet vanaf het eerste jaar mee, kan geen hout van biljarten, maar is een kei in goochelen. Tussen het biljarten door vermaakt ie de deelnemers en bezoekers met zijn vingervlugge trucs. Dit jaar gaat hij echter iets speciaals doen: Kees Bink in tweeën zagen! En Kees heeft zijn medewerking beloofd.

 

Na de prijsuitreiking op de slotavond zal de act plaatsvinden.

Met enkele helpers wordt de kist, waarin Kees moet plaatsnemen, naast de biljarttafels opgesteld en de zaag klaar gelegd. Kees krijgt het er al een beetje warm van, maar dat kan ook veroorzaakt zijn door enkele jonge jenevertjes. Met toch vrolijke tegenzin en een hoop geouwehoer stapt Kees in de kist. Bereidwillige handen maken zijn stropdas wat ruimer, zodat onze durfal wat meer lucht kan krijgen. 

Dan gaat de klep van de kist dicht en worden de sloten vergrendeld. Aan het ene eind van de kist steken voeten naar buiten, aan de andere kant het rode hoofd van de kastelein.

Dan verschijnt Ricardo, Richard dus, met een kettingzaag in zijn hand. Hij start het apparaat, dat wordt aangedreven door een benzinemotortje. De lawaai makende, knetterende zaag houdt hij schuin omhoog en geeft enkele keren een stoot vol gas.

Even vraag ik me af, of het slachtoffer in de kist wel een sterk hart heeft en kijk naar het uit het kop-eind stekende hoofd. Het is roder dan vuurrood en het zweet gutst van het gezicht af. ‘t Is net, of er een kraan open staat, zo transpireert de man. De zweetdruppels vormen een ware waterstraal en vormen een plas op de cafévloer.

Ik heb nog nooit iemand zo zien zweten!

 

Kees kijkt met grote ogen naar de kettingzaag en roept: “Da haaije we nie afgesproke!”

Richard laat het gelukkig niet lang duren, schakelt de kettingzaag uit, stelt Kees gerust en begint met de handzaag de werkelijke show en de kist in tweeën te zagen. U hebt de truc waarschijnlijk wel ergens gezien. Twee helften van elkaar af, weer tegen elkaar aan, sloten los en klep open.

En daar komt Kees omhoog, geheel ongeschonden maar wel zeiknat. Zijn witte overhemd kan als een dweil uitgewrongen worden. Volgens mij is hij in deze paar minuten wel een kilo of vijf afgevallen door vochtverlies!

Maar de truc en het toernooi zijn een succes en over de kettingzaag wordt nu - vijfendertig jaar later - nog steeds gelachen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Onmacht

Je hebt kanker.

Je wil dan natuurlijk zo snel mogelijk geholpen worden, maar de praktijk is toch anders. Als ik op 5 juli te horen krijg, dat ik agressieve prostaatkanker heb, ga ik er van uit, dat de ziekte half september uit mijn lichaam verdreven zal zijn. Niets is minder waar en nieuwe afspraken maken met Instituut Verbeeten en ziekenhuis zijn alleen maar tegenvallers voor mij, die wel geestelijk verwerkt moeten worden. Ik ben ook maar een mens.

 

Op donderdag 19 juli zit ik in het Tilburgse Verbeeten Instituut tegenover een vrouwelijke radioloog-oncoloog. Ik ga deze middag met deze dokter de behandelingen doornemen, die het artsen-team voor mij heeft uitgekozen.

"We beginnen met bicalutamide tabletten, een per dag en in totaal dertig dagen lang. Een week na de eerste pil krijg je een hormooninjectie. Deze kuur gaat de groei van de kankercellen in de prostaat afremmen."

Ik knik begrijpend. "Zijn er ook bijwerkingen?"

De dokter knikt bevestigend: “Je kunt onder andere opvliegers krijgen en humeurig worden."

“Typisch vrouwelijke kenmerken," zeg ik glimlachend en kijk de dokter aan. "Krijg ik ook de drang om een jurkje te gaan kopen?"

De arts schiet in de lach en als ze weer wat op adem is gekomen, antwoord ze: "Die bijwerking heb ik nog niet meegemaakt. Maar wel libidoverlies hoort erbij." 

Lachend maakt ze notities.

"Sorry voor de grap in deze situatie, maar ik moet mijn humor niet verliezen. Dat houdt me optimistisch." Ik maak met mijn hand een verontschuldigend gebaar.

"Is goed." Glimlachend kijkt ze op van haar notitieblok en vervolgt: "Dan ga ik een afspraak maken om goudmarkers in de prostaat te laten plaatsen."

"Word ik weer een beetje meer waard," grap ik tussen door. Opnieuw verschijnt er een glimlach op het gezicht van de dokter, maar ze gaat verder met de uitleg.

"Daarna, tenminste een week later, omdat de gemaakte wondjes bij deze ingreep eerst moeten genezen, maken we een MRI- en CT-scan en brengen we een tattoo aan. Dit allemaal om de precieze plaats voor de bestraling te bepalen, zodat we geen andere organen raken, maar alleen de kankercellen vernietigen. En dan beginnen de bestralingen, zeven weken lang elke werkdag. In totaal dus vijfendertig keer. Intussen geven we je elke drie maanden een hormooninjectie. Dit blijven we ongeveer drie jaar doen."

Ik heb het hele verhaal – ondanks de grappen tussendoor – aandachtig aangehoord. Zelf had ik een andere planning in mijn hoofd. Snel beginnen met de bestraling, intussen wat pillen slikken en begin september is Henkie klaar met de bestralingen. Genezen, kanker weg.

Maar nu komt er toch minstens een maandje bij, besef ik.

"Het kan natuurlijk altijd zo zijn, dat we de behandelingen aan de situatie moeten aanpassen,” gaat ze door. “Hoe reageer je op de pillen, injecties en de bestraling? We moeten dat afwachten.”

Ze legt haar pen neer.

Alles duidelijk? Zijn er nog vragen?" De oncoloog kijkt me vriendelijk aan. Ze scheurt haar notities van de blocnote en schuift die over tafel naar mij toe. “Goed, dat ze alles voor me heeft opgeschren, want ik zit hier alleen. Er valt een stilte, want ik laat nu alles eens goed bij me binnenkomen.

"Denk maar even na. Ik ga intussen een paar zaken voor je regelen.” De dokter loopt het kantoor uit, terwijl ik de notities ga bestuderen.

Doktersschrift, bijna onleesbaar.

 

Even later is ze weer terug. "Nog vragen?"

"Ja," begin ik weifelend. "Ik heb uw schrift een beetje proberen te ontcijferen."

De arts glimlacht.

"Met wat ik onthouden heb, ben ik eruit gekomen," ga ik verder. "Ik euh...”

Ik probeer de data van de afgelopen maanden naar boven te halen en ga verder: "In februari heb ik controle gehad bij de uroloog en is alles goed bevonden. De PSA-waarde in mijn bloed was twee jaar terug 17,0 en toen gezakt naar 1,5. Prima dus. Op 23 mei wordt er voor alle zekerheid wat weefsel uit de prostaat gehaald en is de conclusie: agressieve kanker. Drie maanden later! Na een botscan en pas op zesentwintig juni een PET-PSMA-scan krijg ik op 5 juli de mededeling, dat er geen uitzaaiingen zijn. Mooi dus, maar we zijn wel weer een maand verder."

Ik haal even rustig adem en kijk de dokter recht in de ogen.

"Wie garandeert me, nu twee maanden na de vaststelling van de kanker en bijna een maand na de constatering dat er geen uitzaaiingen zijn, dat er nu die nu nog niet zijn?"

De arts gaat meteen hierop in.

"In uw geval zullen uitzaaiingen langzaam komen. Bovendien beginnen we overmorgen meteen met de tabletten, die al remmend werken. Honderd procent garantie kunnen we als arts nooit geven, maar we verwachten geen problemen."

"Oké," ik ben een beetje gerustgesteld. Een beetje.

Met toch nog gemengde gevoelens loop ik naar het secretariaat van de arts.

"Meneer van Oosterhout?"

De secretaresse kijkt me aan.

"Nee," antwoord ik, "van Oosterwijk, maar dat scheelt maar dertig kilometer!" Het is een grapje, dat ik bij dit soort vraag altijd erin gooi.

De secretaresse glimlacht. "Sorry, hoor." Ze kijkt in een stapel paperassen. "Ik kan nu de afspraken niet rond krijgen. Het loopt tegen het einde van de middag, maar ik bel u morgen zeker op."

Ik knik.  "Dat is prima. Tot horens."

Ik loop naar de grote entreehal, bel mijn taxi, die een half uur later voorrijdt om me naar huis te brengen. Echt gelukkig voel ik me niet.

 

Die vrijdag gaat snel voorbij. Broer Wim met zijn vrouw Lia komen op bezoek en we kijken naar de Tour de France. Er komt geen telefoon.

Rond vijf uur komt zoon Raymond binnen.

"Waarom neem je de telefoon niet op, pa? Ik heb wel vijf keer gebeld!"

Ik kijk verrast op. Vijf keer gebeld? Hoe kan dat? Ik heb niets gehoord, terwijl mijn mobieltje voor me op de salontafel ligt. Ik pak de telefoon van tafel. Verdorie, ik heb gisteren het geluid uitgeschakeld. Op het schermpje zie ik, dat het Verbeeten Instituut driemaal gebeld heeft. Ik kijk op de klok. Tien over vijf, te laat om terug te bellen.

Morgen dan maar.

 

Op zaterdagmorgen bel ik het instituut, maar dat is in het weekend gesloten. Dan valt er die middag een enveloppe op de deurmat. Ik open de brief en lees met een opnieuw onrustig gevoel de vermelde afspraken door. Op 29 augustus zullen de goudmarkers geplaatst worden, lees ik, en op 24 september volgen dan de scans. De bestraling zal in Breda plaatsvinden en is nog niet ingepland. Na een kort rekensommetje bedenk ik, dat ik met de bestralingen pas eind november, begin december klaar zal zijn. In een boze reactie smijt ik de enveloppe, brieven en bijgesloten folders door de woonkamer. Dit kan toch niet! En uitzaaiingen? Wat gebeurt daarmee in de komende maanden? Is dit wel in de hand te houden?

Moedeloos raap ik de papieren weer bij elkaar.

 

De onmacht in dit hele gebeuren sloopt me.

Niet lichamelijk, want opvliegers en humeurigheid zijn me tot nu toe bespaard gebleven. Gelukkig bij deze temperatuur van vijfendertig graden!

Maar geestelijk ben ik neergehaald. Gevloerd.

Mijn planning van begin juli, dat ik eind september klaar zal zijn met de bestralingen, valt helemaal in het water.

Een heel weekend loop ik rond met allerlei gedachten en twijfels.

Op maandag bel ik naar het Verbeeten Instituut, maar dat verandert niets aan de situatie.

“De doctoren weten wel, waar ze mee bezig zijn,” krijg ik te horen. “En de scans kunnen niet eerder ingepland worden.”

Het stelt me niet gerust en ik bel de huisarts.

De dood, daar ben ik niet bang voor. Maar de familie. De gedachte aan kleinkinderen en kinderen geven me kracht.

Daarbij moet ik niet zo dramatisch doen, want vijfennegentig procent van mannen met prostaatkanker wordt genezen verklaard.

“En bovendien,” vertelt mijn huisarts me, “zijn er oude mannen aan allerlei kwaaltjes gestorven, die - na sectie - ook nog prostaatkanker bleken te hebben.”

Dus waarom maak ik me druk?

 

Intussen ben ik al meer dan een week met mijn pillen kuur bezig, waardoor de groei van de kankercellen geremd wordt, en heb ik afgelopen vrijdag (27 juli) de eerste hormooninjectie gehad.

Wat kan me gebeuren?

Eind december zit ik aan het Kerstdiner weer gulzig een groot stuk kalkoen weg te werken met een lekker glaasje wijn in de hand.

Genezen verklaard.

© Henk M. van Oosterwijk