Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Lasse baste, pa!

Het is ongeveer midden 1945.
We zijn in Rijen al een dik half jaar bevrijd van het Duitse juk. In onze gemeente Gilze-Rijen zijn veel doden gevallen. Doordat de geallieerden de "Vlieghaai", door de bezetter een groot militair vliegveld van gemaakt, vanaf 1943 regelmatig bestookten met bombardementen, vielen er nog al eens verwoestende bommen op Gilze, Hulten en in mindere mate op Rijen.
De angst voor luchtaanvallen is nu weg. De Canadezen en Polen verjoegen de Duitsers uit onze gemeente. De meeste weerstand werd door de Moffen, zoals wij ze noemden, geboden in enkele dagen strijd om de Vijfeiken. De Canadezen kwamen in de Pastoor Gillisstraat tot aan het café/winkeltje van Tinus Smee (Smeekens, nu cafetaria Wagemakers), de Duitsers lagen nabij de steenfabriek. Vlak voor onze deur (nummer 146) stond een uitgebrande Canadese tank met de verkoolde lijken er nog in.
Het oude huisje van mijn grootouders aan de Vijfeiken, toen verhuurd aan de familie Manus Pijpers, werd helemaal plat geschoten. Gelukkig was de familie tijdig uit de woning vertrokken. Het nieuwe huis van mijn opa en oma was pal naast de kapot geschoten woning gebouwd en werd niet getroffen door de Canadese en Duitse schutterij. Wij zaten met onze familie, pa, ma en ik, en onze tante Cor met zoon Henk, in een schuilgat, door mijn vader gegraven in ingericht om er te slapen, achter in onze tuin. Tussen de twee vuurlinies in dus. Proficiat 
Uiteindelijk sloeg het Duitse leger op de vlucht met achterlating van hun munitie. Dat woog te veel om op een snelle ontsnapping mee te nemen. Daarom werd alles in de waterpoelen, oude leemputten waar de steenfabriek haar grondstoffen uit groef, gekieperd om het onklaar en onzichtbaar te maken.
 
Terug naar 1945.
De munitielozing in de leemputten is een publiek geheim in de Pastoor Gillisstraat. Dat de grote kanonskogels van koper zijn gefabriceerd is ook bij iedereen bekend. Dus ieder huisvader gaat manieren verzinnen om, na de winter 44/45, dat waardevolle metaal uit de poelen te krijgen. Grote harken, vastgemaakt aan een lang touw, worden in elkaar gelast. Zo'n hark wordt in het water gegooid en met het touw naar de kant getrokken. Daardoor komt er van alle soorten rotzooi uit het water.
Ook de koperen hulzen, soms bijna een halve meter lang, maar wel kompleet met de ontsteking, het kruit en de kogel!
Eerst moet de ontsteking verwijderd worden en dan kogel en kruit.
Een levensgevaarlijk karwei!
Maar het brengt goed geld op en dus doet mijn vader ook mee aan deze rage.
 
Luister goed, ik herinner dit niet allemaal zelf, maar heb het uit de verhalen van pa en ma. Zelf ben ik nog geen drie jaar oud.
 
Er komt echter een kink in de kabel.
De marechaussee krijgt lucht van de gevaarlijke koperjacht, maakt een verbod bekend op het verzamelen van munitie en zendt patrouilles uit om de kopervissers in de kraag te grijpen. Tevens worden er links en rechts huiszoekingen gedaan en 'visgereedschap' met koper in beslag genomen.
Ook bij ons.
Op een dag in het weekeinde treden er twee heren in groen uniform, platte petten op en hoge kaplaarzen aan (dat weet ik dan nog wel) via de achterdeur onze keuken in het achterhuis binnen.
"Goeie dag, here," zegt mijn vader tegen de twee lange marechaussees, "waormeej ken ik u van dienst zijn?" Hij weet natuurlijk allang, waar die mannen voor komen.
"Wij willen uw huis en tuin eens doorzoeken," zegt het ene uniform, terwijl hij mijn vader een stuk papier overhandigt.
"Da ken," antwoordt pa weer, "ge maag alles overhoop haole, as ge't mar wir netjes op de goeie plots t'rug legt."
De uniformen reageren niet en gaan het huis en onze schuur door kijken.
Een kwartiertje later staan ze weer in de keuken, hoog en rechtop. Tegenover hen mijn vader in zijn manchesterse broek, ophouden door een paar galgen: de handen in de zakken.
"En?" Kijkt hij vragend naar de marechaussees. "Gevonde we ge zocht?"
"Wij willen u waarschuwen," zegt steeds dezelfde woordvoerder, "geen koper verzamelen of we pakken u op."
Dan ga ik me ermee bemoeien, een turf hoog.
Ik schop de spreekbuis tegen zijn schenen, zijn kaplaarzen dus, en roep:
"Pa, lasse baste!"
Het heeft geen gevolgen.
Voor het eerst zie ik bij die ene een flauwe glimlach op zijn uitdrukkingsloos gezicht. Hij tikt aan zijn pet en beide uniformen verdwijnen door de keukendeur en bijkeuken naar buiten. Vader roept nog ' houdoe' en ik klamp me vast aan zijn manchesterse  broekspijp.
 
Henk M. Van Oosterwijk
 

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

26 juni 2019: Lasse baste, pa!

11-05-2019:  Bij de Marine

26-04-2019:  Persberichten

19-04-2019:  Acrobatiek

25-03-2019:  Hondenbeet

06-03-2019:  Het was lekker. Bedankt!

13-02-2019:  De dood bestaat niet

04-02-2019:  't Plekkie van het Lege Bekkie

30-01-2019:  Olympisch Goud op de Rije

20-01-2019:  Onze huiskrekel

15-01-2019:  Onze Ouders

07-01-2019:  Schrobbelèr

01-01-2019:  Familietraditie

24-12-2018:  Mooie Kerst

17-12-2018:  Batterijtjes

02-12-2018:  De receptie

29-11-2018:  Het rijbewijs

 24-11-2018:  Een sleur

21-11-2018:  Bizar

28-10-2018:  Effe een broodje bakken

26-10-2018:  De overgang

22-10-2018:  Hoeveel keer nog?

18-10-2018:  Een jaar later

11-10-2018:  Romantiek

13-08-2018:  Centje bijverdienen

04-08-2018:  Een emmer zweet

02-08-2018:  Onmacht

(Omdat sommige verhalen een vervolg hebben, zou je de verhalen van beneden naar boven moeten lezen.)

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

 

Bij de Marine

Het is zo maar een zaterdag in het jaar 1960.

We zijn zestien jaar oud, mijn vriend Cor Aarts en ik. Cor heeft zijn definitieve levensloop vastgelegd door bij de Koninklijke Marine zijn handtekening te plaatsen. Zes jaar lang zal hij als beroeps voor Nederlands vlag en eer ’s werelds zeeën gaan bevaren.

Dit weekeinde is hij thuis. We besluiten we met z’n tweeën naar Dongen te gaan. Mijn vriend heeft zich in zijn marine-kleren gestoken. Een normale zaak voor deze tijd. We bezoeken een oom en tante in Dongen en daar gebeurt het volgende:

 

Terwijl we aan de koffie zitten, kijk ik bewonderend en eigenlijk een beetje jaloers naar Cor, die in zijn marine-pak een stoere uitstraling heeft. Plots krijg ik een idee.

“As we nou ’s van klere ruilen,” zeg ik tegen Cor. Ik probeer intussen de hete koffie op te slurpen. “Zo mar efkes. Ik wil d’r ok wel ’s as nun marineman uitzien!” Ik kijk hem vragend aan.

“Als ik daar maar geen problemen mee krijg,” brengt Cor er nog tegen in, maar ik weet hem te overtuigen. In de gang wisselen we van kleren. Cor heeft ongeveer hetzelfde postuur als ik, maar is enkele centimeters korter. En dat kunde goed aan mijn aangetrokken uniform zien, want zowel de mouwen als de broekspijpen zijn wat aan de korte klant.

Het geheel zit een beetje strak.

“Het past prima,” verzeker ik mijn vriend.

“En zeg nou mar ‘s, wè ge lust van de frietboer,” zeg ik tegen de familie en vriend.

“Je gaat toch niet de straat op in mijn kleren!!?” werpt Cor tegen.

Hij kijkt een beetje ongerust naar de marine-uniform, of er niet ergens een scheur begint te ontstaan.

“Ik gaoj irst wè te ete veur jullie haole,” werp ik tegen, “dan kan ik tenminste echt geniete van die klere! Ik trakteer!”

Na enig aarzelen stemt Cor toch in met mijn voorstel en spring ik even later op mijn fiets om een friettent te zoeken. Nou zoeken, tante Jo heeft aangegeven, dat er een snackbar in de Wilhelminastraat is. Vlakbij dus.

Ik rijd in de Wilhelminastraat het trottoir op, stap zwaaiend met m’n rechterbeen over het zadel van mijn fiets en plaats de tweewieler tegen de voorgevel van het bedrijfspand. Even zet ik mijn marine-pet wat scheef op mijn hoofd en stap de frietzaak binnen.

 

“Goeie n’aovond.”

“Ok zo!” Mijn groet wordt door het vrouwtje achter de toonbank beantwoord. Slechts één klant zit aan een tafeltje. Hij groet me terug met een lichte hoofdknik en bekijkt me wat mistroostig. Ik richt me tot het vrouwtje en doe mijn bestelling, inclusief een biertje. Daarna ga ik wat nonchalant op de toonbank/annex bar hangen, kijk wat zwijgend rond en opnieuw kruist mijn blik die van de klant.

“In dienst, jom?” begint de klant zijn gesprek.

“Ja! Bij de marine,” zeg ik wat overbodig. Het marine-pakje lijkt hierdoor nog strakker te gaan zitten dan toen ik het aantrok.

“Dè zie’k,” zegt de klant grinnikend. “Ge zeit nie van de laandmacht.”

Hij vindt het onderwerp schijnbaar interessant, want hij gaat verder met zijn korte vragen: “Dienstplicht?”

Hij kijkt mij nog steeds met een lach in zijn ogen aan, maar wacht het antwoord niet af.

“Ik heb ook achttien maonden gediend. Zestien te lang. Irst twee maanden opleiding en daarna de lapswaans uithange en fiste.  Tenminste, fiste a’k geld haai. Waant van ene gulde vijfentwintig per dag worde nie gauw zat!”

Hij kijkt me weer van top tot teen aan. Waarschijnlijk ziet hij wel, dat de broekspijpen en mouwen eigenlijk iets te kort zijn, denk ik. 

Nou is ’t mijn beurt, gaat het door mijn hoofd. Maar voor ik iets kan zeggen, vervolgt de klant zijn verhaal.

“Neie,  ’t was baole! En thuis konde ze best n’n goei kostganger gebruiken, die wè cente in de portemenee brocht. Oos moeder had ’t nie zo breed. Ik heij achttien maonden in mijn soldateklere motte lopen. Pas nadè ik afzwaaide, naam oos moeder me mee naor de stad om ’n goei pak te kope. Neije, verlore tijd, dieje dienst! Ik heb d’r meer kwaoie dan goeie dinge geleerd!”

Ja, wat moet ik hier nou mee, denk ik weer bij mezelf. Hoe moet ik nou dit gesprek verder laten gaan.

“Hoe lang nog?” was hij me opnieuw voor.

En nou ben ik aan de beurt!

 

“Vijf jaor en acht maonde!” zeg ik triomfantelijk.

Daar zal hij niet van terug hebben! En inderdaad: de klant kijkt mij verstijfd aan. Even weet hij niets te zeggen, maar dan hervat hij zich weer en vraagt:

“Ge wil toch nie zegge, dè ge veur beroeps getekend het, hè. Zo stom zulde toch wel nie zijn?”

De klant slaat zijn rechterbeen over z’n linkerknie, leunt achterover en neemt mij vorsend op, daarbij zijn wenkbrauwen naar beneden trekkend. Ik knik echter bevestigend.

“Jao, nao drie maonden opleiding heb ik veur zes jaor getekend.”

Ik zie een lichte ontzetting in zijn ogen en dat is voor mij het teken om door te gaan.

“Ik krijg nou een complete opleiding tot machinist en dan gaon we vaoren. Vanuit Den Helder de hele wèreld over. En as me dè goed bevalt, dan kan ik misschien straks wir veur zes jaor bijtekenen of wellicht veur vast bij de marine blijve!”

De klant is uit het veld geslagen en vergeet zelfs zijn korte vragen te stellen. Opnieuw een teken voor mij om door te gaan.

“ ’t Betaolt hartstikke goed en ’t is ok mee ’n goed veuruitzicht. Ge leert een vak, promotie volgt automatisch, dus ok meer geld in de knip! Deur ’t vaoren in de tropen worden die maonden nog ’s dubbel geteld en gaoj ik vruuger mee pensioen. Wè wilde nog meer?”

De klant is geheel verbouwereerd en weet niets anders te zeggen als: “tjonge, tjonge. Stom, stom. Tjonge.”

Ik weet trouwsens ook niets zinnigs meer naar voren te brengen.

 

Maar we worden gered door het vrouwtje.

“Oewe friet is klaor,” zegt ze, terwijl ze de klant aankijkt. “Twee frikadelle speciaol, n ’n nassibal en friet. Saome éénvijfenzeuventig.”

De klant grijpt naar zijn kontzak, haalt z’n portemonnee tevoorschijn en rekent af. Hij pakt zijn zak eten en draait zich naar de deur. Nog even kijkt hij me aan en loopt hoofdschuddend langs me heen.

“Tjonge, tjonge. In dienst een vak lere? Niks lere! lere om de lapswaans uit te hange!”

Hij stapt de deur uit en ik zie hem door het grote raam nog steeds hoofdschuddend zijn weg huiswaarts nemen. In gedachte hoor ik nog steeds de ‘tjonge tjonge!

Nog nagenietend van het gesprek fiets ik met mijn snacks weer terug naar tante Jo. Daar wordt nog even gelachen om mijn verhaal, terwijl Cor en ik weer van kleren verwisselen.

En zo ben ik toch even bij de Koninklijke Marine geweest!

 

© Henk M. van Oosterwijk 

Uit mijn boek: Mijn jeugdherinneringen.

De pers meldt deze week:

Acrobatiek

We leven in 1957

Ik ben veertien jaar oud en geniet van de zomervakantie. Het is best een zwaar jaar geweest op de Dongense MULO St.Gerardus Majella. Van half negen ’s morgens tot ’s middags kwart voor vier de lessen volgen, dan ook nog op school studie van vier uur tot half zes en dan thuis nog wat huiswerk maken dat je in de studieles niet af kreeg.

En ook nog op zaterdagmorgen naar school!

Een heel ander studieleven dan de jeugd nu beleeft. Maar ja, wij deden in drie jaar evenveel dan ze nu leren in vier schooljaren. Wij gingen niet naar Parijs of Berlijn, of op stage in Denemarken. Het was studeren, studeren en nog eens studeren. Daarna ging je gewoon werken en leerde je het vak van je collega’s.

Hier wil ik het overigens niet over hebben, want studie heeft niets met acrobatiek te maken.

 

Ik ben dus veertien, puber al een beetje (dat woord kennen we nog niet) en sport is mijn hobby. Ik ben een aantal jaren lid van gymnastiekvereniging FIT in Rijen, voetbal bij RAC en maak op de MULO kennis met volleybal, basketbal en atletiek. Ik wil niet zeggen, dat ik de beste ben, maar kan aardig mee in de top.

Deze zomer heb ik weer een abonnement van mijn ouders gekregen op zwembad Surea, gelegen in de Dorstse bossen, en maak daar veel gebruik van. En de eerder gescheiden baden, dames en herenzwempoel, zijn nu net gemengd. Een kans dus om op de meiden indruk te maken.

Op de hoge duikplank maak ik een handstandje, blijf even ondersteboven stil staan, en laat me dan langzaam naar voren zakken, zet me zachtjes af met de handen en kom met een mooie duik in het water terecht. Dit heb ik al vele keren gedemonstreerd tot het op een minder goede dag fout gaat.

 

Als er op een mooie zomerse middag een aantal meisjes vlak bij de duikplank zitten te giechelen, wil ik mijn kunstje weer eens vertonen. Ik maak de handstand, zak naar voren en laat de plank los. Met een zachte plons doorklief ik het water, met gestrekte armen en handen tegen elkaar. Ik sla met een zwemslag mijn armen langs mijn lichaam.

Dan raak ik de zandbodem.

Ik heb me niet ver genoeg voorover laten zakken en niet afgezet aan de plank. Vlak onder de duiktoren is het erg ondiep!

Gelukkig voel ik alleen maar die tik tegen de grond, wend mijn hoofd omhoog en kom boven water.

Ik wrijf het water uit mijn ogen en open ze. Rondom mij verspreid zich een grote rode vlek.

Het zwemwater kleurt rood!

Ik voel voorzichtig met mijn hand aan mijn kin. Het bloed loopt tussen mijn vingers door!

“Je bent gewond,” gillen de meiden, terwijl ik het strand op loop. “Je hebt een snee in je kin!”

Twee meisjes brengen me naar de badmeester voor de eerste hulp. Eigenlijk had ik hun aandacht voor geheel andere dingen willen trekken, maar het noodlot bepaalde, dat ik op de Surea-bodem dook!

De badmeester bekijkt de wond, maakt hem schoon en schudt er een aardig flesje jodium in. Mijn gezicht vertrekt zich door de bijtende pijn in de wond. Er worden ook enkele vlinderpleisters op de snee geplakt. Daarna stuurt hij me meteen door naar een huisarts.

 

De meisjes zijn intussen verdwenen en eenzaam en alleen fiets ik door het Vijf Eikenbos naar dokter van Ardennen in Rijen. Die naait de wond, welke loopt vanaf mijn rechtermondhoek tot bijna onder mijn kin, met vier hechtingen dicht en legt me uit, dat het beter is om enkele weken niet met dit letsel in het Surea-water te komen.

Zo eindigt acrobatiek in een litteken.

Wel macho natuurlijk, zo’n litteken op je kin, maar ook het woord ‘macho’ kennen we nog niet.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Hondenbeet

Het gebeurt in 1983.

Riet, de kinderen en ik wonen aan het Frederikplein in het Brabantse dorpje Rijen. Het is in de tijd, dat de dure wijk Atalanta nog niet is gebouwd en die grond nog begroeid is met een prachtig bos, wat is versneden door wandelpaden en zandweggetjes. Zelfs een weg, waar Napoleon zijn leger overheen stuurde.

We hebben een herdershond, Cesar genaamd, die een gedegen politieopleiding heeft gehad. Hij reageert daarom alleen maar op goede commando’s, een feit, dat we goed in de gaten moeten houden. Hij is intussen de tien jaar al gepasseerd en een grommerig oud beestje geworden. Toch blijft hij zich als huisdier goed gedragen. Hij heeft gen eigen kooi, maar vertoeft zonder problemen gewoon bij ons in het gezin.

Eens heeft hij mij in mijn hand gebeten, in de beginperiode, dat hij bij ons was en ongeveer vier jaar oud was. Hij zat op de achterbank van de auto en ik wilde hem bij de halsband pakken om hem uit de wagen te trekken.

Fout!

Ik had hem gewoon een commando moeten geven. Voor ik de halsband bereikte, beet hij in mijn rechterhand. Een flinke beet, die door een huisarts (naam zal ik niet noemen) weer dichtgenaaid werd.

Ook fout!

Een hondenbeet mag je niet dichten! Alleen elke dag schoonmaken en opnieuw verbinden!

Dus ik kreeg een flinke ontsteking, mijn hand werd twee keer zo groot en de arts stuurde me enkele dagen later snel door naar het ziekenhuis. Daar werd de wond open gemaakt en gezuiverd.

Uiteindelijk kwam het allemaal goed.

 

Terug naar het Frederikplein.

Het is een zonnige zomerse zondag.

We hebben onze tuinstoelen voor ons huis neergezet om gezellig over het pleintje heen te kunnen kijken. Een biertje erbij en wie doet ons wat?

Ook Cesar komt naast mijn stoel liggen, na een goed commando. We zitten gezellig met de buren te praten, als er een dame met een dwergpoedeltje langs komt. Het kleine hondje blaft naar ons huisdier, denkend dat het stalen lage hekje, dat op onze erfscheiding staat, hem voldoende zal beschermen. Hij komt er net met zijn bekje net bovenuit, als hij zijn kop schuin omhooghoudt.

Wat nooit gebeurt en Cesar nooit doet als hij het commando “Liggen” gekregen heeft, geschiedt nu: onze herder schiet omhoog en stapt over het hekje richting de poedel. De eigenaresse schrikt zo, dat ze met een ruk haar poedeltje aan de riem naar haar toe trekt. Cesar volgt grommend deze beweging, waarbij de vrouw in een poging haar lievelingsdiertje te redden, het aan de riem rondslingert, alsof het in een zweefmolen zit. Zelf met korte pasjes om haar as draaiend.

Ondanks mijn roepen en commando’s blijft Cesar achter het vliegende hondje aan springen.

Het is een situatie, waarmee je in een film zou kunnen lachen, maar dit is doodernstig!

Natuurlijk ben ik intussen opgesprongen en stap richting Cesar. In een poging hem te pakken, grijpt de hond mijn linkerhand en laat die niet meer los.

Ik voel de pijn van de snijdende tanden niet.

Ik druk zijn kop tegen mijn rechter oksel en sla de rechterarm om zijn nek heen. Zo sleep ik mijn hond door de voortuin, hij lopend op zijn achterpoten, de gang van ons huis in, de keuken door naar de achtertuin. Daar laat de hond me los en ik hem. Op twee meter afstand van mij gaat hij zitten, met hangende oren en een ‘sorry-blik’ in zijn ogen.

 

Het bloed loopt uit mijn hand, alsof er een waterkraan open staat. Ik loop de keuken in, pak de dichtbij zijnde handdoel en wind die om mijn hand als drukverband.

Intussen is Riet mij na gekomen en doet de buitendeur van de keuken dicht, zodat Cesar niet weg kan uit onze afgesloten achtertuin. Ze wijst naar het bloedspoor, dat vanaf de voor- naar de achterdeur loopt.

“We gaon meteen naor dun dokter,” terwijl ze een paar schone theedoeken pakt. “Doe die vuile handdoek mar weg.”

Ze kijkt me met een bezorgd blik aan.

“Neije, nie naar dun dokter,” wijs ik af, denkend aan die eerste hondenbeet van mij. “Direct naor de irste hulp van het Ignaotius ziekenhuis! Hoe ist meej dieje poedel?”

“Ammel goed,” antwoordt Riet. “Die vrouw is flink geschrokken, mar ut hondje mankeert niks.”

 

In het Ignatius ziekenhuis te Breda wordt op de spoedeisende hulp de wond goed schoon gemaakt. Tussen duim en wijsvinger, net in de handpalm, heeft Cesar dwars door mijn hand heen gebeten. Hij heeft een klein stukje bot geraakt, maar geen spieren of pezen.

Ik breng het er goed af dus, maar moet wel een hele week elke dag terug naar het hospitaal om de wond te laten zuiveren en opnieuw laten verbinden.

 

Als we uit Breda terugkomen stap ik onze tuin in, waar Cesar nog steeds zit.

“Doe da nou nie,” waarschuwt Riet me, “misschien pakt ie oe wir!”

Maar ik luister niet.

Als ik de keukendeur open, zit Cesar midden in de tuin naar mij te kijken met zijn oren recht overeind. Ik loop naar hem toe en sta een halve meter voor hem stil. Ik haal mijn verbonden hand uit de draagdoek en houd die voor zijn neus. De hond draait zijn kop weg, laat zijn oren hangen en kijkt me met een verontschuldigend blik schuin aan.

Hij begrijpt het.

Met mijn andere hand aai ik hem over zijn kop, doe zijn halsband aan en ga met hem het bos in.

We zijn weer dikke vrienden.

 

Na dit voorval zien we de oude Cesar toch nukkiger en grommig worden. Op een morgen staat hij onder aan de trap en laat de kinderen niet meer naar beneden komen. Als Raymond of Susanne het proberen, laat hij grommend zijn tanden zien.

Dan moeten we, in overleg met de dierenarts, besluiten hem een spuitje te laten geven. Moeilijk, maar het kan niet anders; hij wordt een gevaar voor de kinderen.

Ikzelf breng hem weg. Als hij de slaapinjectie heeft gehad, dommelt de hond langzaam weg. Met tranen in mijn ogen zie ik hem in slaap vallen. Een slaap, waaruit hij niet meer al ontwaken. IK heb de moed niet meer om zijn halsband van zijn nek halen.

Voor mij was hij, ondanks de beet, een grote vriend.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Het was lekker. Bedankt!

Het gebeurde in 1969.

Ik zetelde in de Raad van Elf van de Rijense Carnavals Stichting en woonde met mijn vrouw Rietje in de Hoofdstraat naast een toenmalige broodbakkerij met winkel. Eigenaar Bernard, later Prins Bernardo, was een goede buur en zat evenals ik in de carnavalsraad.

In de aanloop naar de carnaval waren er in Rijen ( en zijn er nog steeds) allerlei activiteiten om langzaam naar het grote feest toe te groeien. Als voor ons Raad van Elf  het werk op zo ’n  carnavalsfestijn gedaan was, werd ‘afgehangen’ bij Boerke Jacobs. Dat wil zeggen: onze steken en mantels werden daar opgeborgen en dan was het tijd voor een afzakkertje.

Of soms wel twee.

 

Ook die bewuste vrijdag.

Omdat Bernard als bakker een nog al vroege morgenstond heeft, is hij deze avond een van de eersten, die huiswaarts gaat. Riet en ik hebben tijd genoeg om uit te slapen, pakken er nog eentje en komen pas diep in de nacht thuis. Via de achterdeur, die bijna nooit op slot is, lopen we de keuken in en duik ik in de koelkast.

Duiken is een groot woord natuurlijk!

Drank maakt hongerig en in die tijd is het niet zo, dat je in het café allerlei snacks kan bestellen. Ik open de koelkastdeur en kijk verbouwereerd naar de inhoud.

Leeg!

De hele koelkast leeg! Al ons eten en drinken weg! Hoe kan dat nou?

Helemaal leeg is de kast echter niet: op het bovenste rekje ligt een briefje! Wat nou weer? Ik pak het en lees:

“Het was lekker, bedankt!”

 

Het was lekker?

Potverdorie, dat moet de buurman geweest zijn. Bernard, de bakker! Die weet, dat we een achterdeur meestal open laten als we niet te ver van huis gaan. Die moet het gedaan hebben.

We twijfelen wel een beetje over deze eerste gedachte en bedenken nog meer mogelijkheden, die tot deze diefstal hebben kunnen leiden. We concluderen, dat we er nu toch niets meer aan kunnen doen en gaan slapen.

 

En jawel hoor, die zaterdagmorgen komt een lachende Bernard in zijn bakkerstenue de inhoud van onze koelkast terug brengen!

Het verhaal wordt nog dikwijls verteld, ook door ex-Prins Bernardo.

 @ Henk M. van Oosterwijk

 

   

Henk                                                                        Bernardo

 

 

 

De dood bestaat niet

 

De dood bestaat niet.

Als ervaringsdeskundige kan ik u er alles van vertellen en dat ga ik hier ook doen.

 

Ik ga terug naar begin september 2016, als Riet net gehoord heeft, dat ze aan longkanker lijdt. We zitten samen bij de longarts/oncoloog, die ons op een monitor toont, hoe ver de kanker zich al in beide longen heeft gevestigd.

Het is een schok voor Riet en mij.

Na een korte stilte stelt Riet haar enige vraag: ”Hoe lang heb ik nog dokter?”

De arts wacht even met het antwoord. Ze kijkt Riet aan.

“We kunnen het nooit exact zeggen. Twee maanden, een half jaar, misschien een jaar.” Ze kijkt ook mij aan.

“Maar er is toch wel iets tegen te doen,” stel ik optimistisch. “Opereren, bestralen, chemo. Er genezen toch mensen.”

De dokter knikt.

“We gaan er natuurlijk van alles aan proberen om het leven te verlengen. Opereren gaat niet meer; bestraling zal niet helpen. Alleen een chemokuur kan werken.” Ze kijkt even van de een naar de ander. Wij reageren niet.

“Tenslotte is er ook nog een nieuw middel: de immuuntherapie. Maar we gaan eerst chemotherapie toepassen, kijken hoe je hierop reageert.”

Even later lopen Riet en ik het ziekenhuis uit. Mijn vrouw wil niet in een rolstoel en gaat zelf lopen.

“Om conditie op te doen,” legt ze uit, maar een paar keer moet ze stoppen en op een bankje gaan zitten, want de parkeergarage is eigenlijk te ver voor haar. We wandelen stil naast elkaar, ieder met eigen gedachten.

Twee maanden, één jaar? Dat kan toch niet! Riet is pas drieënzeventig. We kunnen nog zoveel jaren samen genieten. Nee, voor mij is de dood ver weg! Dat bestaat niet!

 

Ruim drie weken na de verschrikkelijke mededeling krijgt Riet haar eerste chemo.

Onvoorstelbaar. Vijf, zes mensen, allen ouderen, zitten daar via een infuus verbonden aan een zak vloeistof, die langzaam hun bloedaderen vult met het giftige spul.

Er wordt echter volop gelachen, gepraat, moppen vertelt en koffie of theegedronken. Mensen, die eigenlijk de dood in de ogen moeten hebben, maar die optimisme uitstralen. Kankerpatiënten, die nog een tijdje verder willen leven. Zelf geloof ik ook niet meer aan de dood. Dit overkomt ons niet.

Vrolijk gaan we naar huis; over zes weken de tweede van de vier kuren.

 

Drie weken later is de toestand echter weer heel anders. We hebben met goedvinden van de oncologen voor een midweek een huisje gehuurd nabij Emmen en trekken daar met kinderen en kleinkinderen vijf dagen in. We bezoeken de omgeving, gaan pijl en boog schieten en de diertuin in Emmen bekijken. We hebben veel plezier samen.

Riet zit wel in een rolstoel, voorzien van een fles zuurstof. Zonder dat levens voedende gas, zo belangrijk voor hersenen en organen, kan ze niet. We kunnen er zelfs om lachen, als Riet het in de dierentuin benauwd krijgt en dan blijkt, dat ik de zuurstofkraan niet opengedraaid heb bij het overstappen van auto naar rolstoel.

“Hè’k echt nie expres gedaon,” verontschuldig ik me lachend.

Wie denkt er nog aan de dood?

 

Het geluk duurt echter slechts tot de nacht van woensdag op donderdag. Zo rond vier uur word ik wakker van het woelen van Riet. Ze is erg warm en ik neem meteen haar temperatuur op.

Negenendertig gaden. Koorts dus.

Ik bel onmiddellijk de oncoloog in Breda, die dag en nacht bereikbaar is. Ik moet meteen met Riet naar het ziekenhuis in Emmen.

Als we daar aankomen bij de ‘spoedeisende hulp’ is het team al gewaarschuwd. De verpleger neemt nog snel even bloeddruk en temperatuur op.

Koorts van 41,8 graden!

In een oogwenk is Riet op een brancard verdwenen. Ongerust drinken schoonzoon Bart en ik de aangeboden koffie.

Wat nu? Is dit het einde? Dat kan toch niet; het was zo gezellig met de familie.

Na een onrustig uurtje mogen we bij Riet.

Ze hebben haar weer opgekalefaterd.

“De koorts is al flink gedaald,” legt een longarts uit. “Ze moet wel hier blijven tot de temperatuur nog wat gedaald is. Meer kunnen we niet voor haar doen.”

Dat is donderdag morgen.

Op vrijdag hoort Riet, dat er vervoer geregeld wordt en diezelfde dag wordt ze per ambulance naar Breda vervoerd.

 

De tweede chemokuur, die zes weken na de eerste zou worden uitgevoerd, wordt uitgesteld. In november komt ze toch voor de tweede maal aan het infuus te liggen en ook nu wordt ze na drie weken doodsziek. De doctoren besluiten haar geen kuren meer te geven.

In de eerste week van januari 2017 zitten we samen weer bij de longarts/oncoloog.

Het gaat goed met Riet. We krijgen te horen, dat de kanker niet verder gegroeid is.

Er is weer hoop.

Zie je wel: de dood is weer ver af. Er is weer hoop!

De dokter probeert ons uit te leggen, dat het grootste deel van de twee longen verkankerd is en dat het toch aan te raden is rustig aan te doen, maar die mededeling dringt niet helemaal tot ons door. De kanker is gestopt! De twee chemokuren hebben toch hun werk gedaan! Dat idee juicht in onze hersenen.

Opgelucht en gelukkig gaan we nar huis.

De dood is weer ver weg.

 

Het jaar 2017 wordt echter een tijd van liggen en opstaan. Viermaal moet de ambulance uitrukken en wordt Riet in het ziekenhuis opgenomen, weer opgeknapt en na enkele dagen weer naar huis gestuurd.

De laatste keer is op 12 juni 2017.

Zowel het personeel van unit 28 (spoed) als unit 56 (longafdeling) komen een voor een afscheid nemen van Riet: zij zal niet meer opgenomen worden!

Ik weet het: het einde nadert.

Maar dat kan toch niet!

De immuun kuur dan? Is dat geen uitweg?

 

Ondanks dat je verstand aan de dood denkt, verdringt het leven en de liefde alle gedachten aan dat einde. De dood bestaat niet.

Drie maanden later op dinsdagochtend om vier uur geef ik Riet haar pillen en leid ik ze naar het toilet. Op de terugweg naar haar bed, dat in de woonkamer tien stappen verwijderd van de wc staat, zegt Riet tegen mij:

‘Henk, ik kan niet meer.”

Ik wil haar terug dragen naar haar slaapplaats, maar ze is te zwaar voor mij. Samen komen we voetje voor voetje bij het bed en ik leg haar tussen de lakens.

“Ge ligt nie goed, Riet, zal ik oe wa verleggen?’

Ik kijk haar vragend aan.

“Là me zo mar ligge. ’t Is goed, Henk.”

Het zijn haar laatste woorden. Ze valt in een diepe slaap en wordt niet meer wakker. Anderhalve dag later overlijdt ze.

 

Nu is het bijna zeventien maanden later en het went niet zonder Riet.

Ze is niet dood.

Als ik ’s nachts wakker wordt om naar het toilet te gaan, stap ik automatisch voorzichtig uit bed om haar niet wakker te maken.

Ook automatisch voel ik ’s morgens bij het opstaan of ze naast me ligt.

Als ik op de biljartclub een biertje bestel, hoor ik haar een beetje verwijtend zeggen: “Henk, ge mot nog rije.”

“Twee mag ik er hebbe,” antwoord ik in gedachte. Toch neem ik drie tapkes. Dat zijn toch twee flesjes?

’s Avonds bij het tv-kijken reageer ik op een situatie in een film en kijk als vanzelf naar haar stoel.

Ook heb ik mijn mindere dagen; mijn jankdagen, noem ik ze. Het gebeurt, dat ’s avonds plotseling mijn gemoed vol schiet. De tranen rollen dan rijkelijk over mijn wangen. Ik kijk naar haar grote foto. Haar stralende lach en fonkelende ogen kijken mij dan geruststellend aan en lijken te zeggen: “Laat je mar lekker gaon, Henkie. ’t Is goed zo.”

Dat geeft me rust, maar de tranenvloed wordt niet meteen gestopt. Waren de eerste tranen van boosheid, daarna vloeien ze voor zoete herinneringen. Langzaam droogt mijn gezicht op; Riet heeft me weer rustig gemaakt.

Riet is niet dood.

De dood bestaat niet.

Riet leeft!

  

© Henk M. van Oosterwijk

Het Plekkie van het Lege Bekkie

Watersport.

Als je een plezierjachtje koopt, dan heet het, dat je aan ‘watersport’ doet.

Wat wij doen, en velen met ons, is geen sport op of in het water, maar vertier op het water en soms in het water.

Elk weekeinde een plaatsje zoeken in onze Biesbosch om er gezellig met anderen te vertoeven. Lekker vissen, of met je rubberen of polyester bijbootje varen. Een boek lezen, naar de radio luisteren of teevee kijken. Of gewoon onder elkaar wat kletsen onder het genot van een drankje.

Ook is watersport voor ons op vakantie gaan met je bootje; Nederland door of zelfs het buitenland in.

Je kunt je voorstellen, dat in die ruim twintig jaren, dat we nu varen, wel het een en ander is gebeurd.

Hier een waar gebeurde belevenis  - uit de negentiger jaren - van ons, watersporters.

 

  ‘t Plekkie van ‘t Lege Bekkie!

Biesbosch vaarders hebben hun eigen benamingen voor hun favoriete aanlegplaatsen in de Biesbosch. Zo kennen wij het ’Eerste Gatje’ en het ‘Tweede Gatje’. Het eerste heeft een smalle invaart op Spijkerboor (die uitloopt op de Amer), maar het tweede is een zijarmpje van het Middelgat van de Plomp.

Om bij het Tweede Gatje te komen, moet je vanuit Spijkerboor de Sloot van St. Jan door varen en bakboord de Plomp in en dan weer het eerste stroompje aan bakboord in.

 

Zo kennen wij ook het plaatsje bij ‘D’n Boom’.

Ja, er staan honderdduizenden bomen in de Biesbosch. Maar als we elkaar via het bakkie (27MC-bak) oproepen en meedelen , dat we bij ‘D’n Boom’ liggen aangemeerd, weten we precies waar we moeten zijn.

Zo heb je ook nog ‘Koetjeboe-eiland’.  Dit is een plek in het Middelgat van de Plomp, waar sinds mensenheugenis Kiske Ligtvoet zijn boot ‘Koetjeboe’ aanmeert. Op deze manier krijgen naamloze oevers, stroompjes of eilandjes hun namen.

Voor ons is er een bijzonder aanlegplaatsje in het Middelgat van de Plomp, dat zijn naam dankt aan een leuke gebeurtenis tijdens een druk weekend.

 

Het is vrijdag avond.

We liggen met een viertal boten bijeen: de Dagaonogal, Don Pedro, Christa en de Thebo. Voor de pinnen in  de grond, achter de ankers uit. De loopplanken zijn goed bevestigd op de oevergrond, zodat we gemakkelijk van boord kunnen.

Rietje en Peter met de Don Pedro, Aaf en Christ met hun Christa, Thea en Bob met de Thebo en wij (Riet en ik) met onze Dagaonogal.

De werkweek zit er op en de ontspannende Nederlandstalige muziek weerklinkt uit een van de boten. Een flesje wijn wordt ontkurkt, bier schuimt tot diep in de glaskraag en ook een Portje wordt met genot achterover geslagen. Het is dus een gezellige en rustige avond.

En daarvoor zoeken we de rust van de Biesbosch op.

En dan gebeurt het wel eens dat het enorm gezellig wordt.

De tijd vliegt en de ochtend kondigt zich al aan, voordat wij zin hebben om onze kooien op te zoeken. De slaap is allang over.

Het is half vier in de ochtend en de zon verspreidt zijn eerste lichtstralen al over de vredige Biesbosch.

Bij een sanitaire pauze wordt gebruik gemaakt van het scheepstoilet. Maar mannen ‘wateren’ soms ook in de vrije natuur of kortweg over boord.

Zo ook heeft Peter last van een behoorlijke druk op zijn blaas.

Hij gaat naar buiten en we horen hem wat stommelen op het voordek van zijn schip. Dan komt ie terug, gaat op de bank zitten en zegt verwonderd: “Wa’k nou mee maok! M’n taande zèn in ‘t waoter gevalle!”

Wij lachen! Ge kent Peter: altijd goed voor een grap!

Er wordt al door verschillende personen – ik zal ze niet bij naam noemen – een gebit aangeboden. Maar die vrijgevigheid slaat Peter toch maar af.

“Neije,” vervolgt ie, “echt waor! Ik ben m’n taanden kwijt!  Ze zèn echt in ’t waoter gevalle!”

Hij opent demonstratief zijn mond en wijst naar zijn boven en onderkaak.

“Ge zieg’t toch: helemaal leeg!”

Wij lachen ons te pletter. Een van de twee heeft hij bijna nooit in. Boven of ondergebit, dat weten we zo gauw niet.

Maar Peter gaat ons precies vertellen wat er gebeurd is:

“Ik liep over ’t gangboord, prutste wa aon m’ne gullup om ‘m open te krijge en keek nie goed uit. Struikelde over ‘n touw, probeerde me mee m’n haanden nog op te vangen, mar kwaam mee m’n kin op de railing terecht. En ploeps: m’n gebit in ’t water!”

Ploeps! We komen niet meer bij.

Ja, die Peter, da’s  n’n mooie!  Daar kunde mee lachen!

Peter zelf blijft echter zeer ernstig kijken.

Hij meent wat ie vertelt. En als we eindelijk bijkomen uit de slappe lach, beseffen we dat hij bloed serieus is. Wij worden ook wat ernstiger.

“Dan motte we ’t op gaon duike,” stelt er ene uit de groep voor.

Wie, weten we niet meer.

Ja,  inderdaad. Opduiken!

Het is begin mei en de temperatuur van het water is niet erg hoog!  Maar een nieuw gebit kost ook een paar centjes.

Dan maar met een paar man het water in.

 

We gaan met z’n allen naar buiten.

Peter wijst de plek aan, waar hij met zijn baard de railing raakte en zijn gebit in het Noordergat van de Plomp verdween.

Ons Riet, Peter en Christ trekken kousen en schoenen uit (in omgekeerde volgorde) en lopen vanaf de walkant het water in. Zij betasten met hun blote voeten de drassige bodem van de Plomp. Gelukkig is het hier niet zo diep. Telkens als ze denken iets te voelen, halen ze met hun handen het ontdekte voorwerp boven water. Meestal is het hout, steen of een mosselschelp.

Ze zijn intussen door en door nat.

Koud hebben ze het niet, waarschijnlijk omdat ze goed van de ´antivries´ voorzien zijn!

`Hebbes!` klinkt plots de stem van Riet over het water.

Triomfantelijk houdt ze de tanden omhoog.

Wij met z’n allen juichen, alsof er een doelpunt gescoord is.

Peter reikt naar de uitgestoken hand van Riet, pakt het gebit en zet het meteen op zijn plaats in z´n mond.

’t Past!

`´t Lag op de bodem in een rottende vis!` roept Riet nog, maar Peter hoort niets meer. Hij is te blij dat hij zijn tanden terug heeft.

Wij ook blij natuurlijk. Iedereen blij!

Eerst de ´duikers´ handdoeken aangereikt en dan zo snel mogelijk proosten op het terugvinden van de tanden.

We praten nog een half uurtje na en dan zoekt iedereen zijn bed op. Het was een goede afsluiting van een gezellige avond.

 

En dat mooie aanlegplaatsje in het Noordergat van de Plomp heeft gelijk zijn definitieve naam van ons gekregen: ’t Plekkie van ’t Lege Bekkie’ !!!

 

Copyright Henk M. van Oosterwijk

Uit mijn boek: De spuigaten uit.

Link:  http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-spuigaten-uit/9789082020328 

 

Olypisch Goud op de Rije

In een zoektocht naar sportprestaties van Rijenaren kom ik slechts één naam tegen, die ‘Goud” veroverde: Janus Theeuwes. Voluit geschreven: Adrianus Cornelis Theeuwes, geboren in Rijen op 4 april 1886.

Zijn hobby is handboogschieten en daarom sluit hij zich aan bij Vriendenkring Rijen. Hij beoefent zijn sport heel serieus en in 1920 wordt hij uitverkoren door de het Nederlands Olympisch comité om met nog zeven andere boogschutters deel te nemen aan de Olympische zomerspelen. Deze worden dat jaar gehouden in Antwerpen, dus bijna een thuiswedstrijd voor de boogschutters.

 

Het complete team bestond uit Jo van Gastel uit Tilburg, Tiest van Gestel uit Goirle, Janus van Merriënboer uit Oud-Gastel, Theo Willems uit Uden, Piet de Brouwer uit Gestel, Driekske van Bussel uit Asten, Joep Packbiers uit Nuth en onze Rijense favoriet Janus Theeuwes.

Het acht man sterke team zet zich in op het onderdeel ‘Bewegend Vogeldoel’ en zij schieten vanaf een afstand van 28 meter.

De Nederlandse boogschutters hebben in deze zomerspelen alleen geduchte tegenstand van het gastland België, maar winnen uiteindelijk toch de Gouden Medaille met een totaal van 3087 punten. Onze zuiderburen eindigen op de tweede plaats (zilver) met 2924 punten. Frankrijk wordt, met een vrij grote achterstand en 2328 punten, derde (brons).

 

Het is in 1920 een mooie prestatie van onze plaatsgenoot.

Janus is 34 jaar oud, als hij aan de spelen deelneemt. Hij overlijdt op 89-jarige leeftijd in Tilburg in het jaar 1975.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Bronnen: Sport Reference LLC en Wikipedia.

Onze huiskrekel

 

Het gebeurt in het jaar 2004.

Het is de maand oktober en het vaarseizoen zit erop voor Riet en mij. De boot is ‘winterklaar’ gemaakt en onze rubberboot hebben we laten leeglopen, ingepakt en opgeslagen in onze logeerkamer. Helaas is onze berging, die bij het appartementje hoort, te klein om hem te herbergen.

We kunnen de winter in.

 

Op een nacht word ik wakker van een vreemd geluid. Ik richt me op in bed om beter te kunnen luisteren. Het is een korte, trillende en piepende toon, die uit de gang vandaan komt. Het lijkt wel de roep van een krekel.

“Dat zou kunnen,” denk ik in mezelf. “Het wordt wat kouder buiten en die beestjes zoeken warmte op.”

Ik laat me uit bed glijden (een bejaarden bed is vrij hoog, weet je) en loop voorzichtig – om het beestje niet weg te jagen - naar de gang.

Het geluid is weg.

Zou ik toch te rumoerig zijn geweest?

Ik draai me om en wil de slaapkamer weer in lopen, als de krekel zich opnieuw laat horen.

“Rrrrriee, rrrrriee.”

Komt de roep nu uit de logeerkamer?

Op mijn tenen sluip ik die kamer in, maar het diertje heeft me blijkbaar in de smiezen en laat zich niet meer horen.

Teleurgesteld zoek ik mijn bed weer op en trek het dekbed over me heen.

“Wè bende ammel aon’t spoke?”

Riet is wakker geworden van mijn zoektocht en draait zich naar me toe.

“Ik hôr nun krekel in huis, mar kan ‘m nie veine,” antwoord ik. “Hedde gij ‘m nie gehôrd?”

“Ikke nie.” Riet draait zich om en even later ligt ze te snurken.

Nee, natuurlijk heeft ze dat trillende geluidje niet gehoord: haar linkeroor is stokdoof en haar rechter, daar slaapt ze op! Bovendien heeft ze haar gehoorapparaten ’s nachts niet in.

Ik hoor de krekel nog een paar keer roepen, maar dwing mezelf in slaap te vallen.

 

Deze scène herhaalt zich nog enkele nachten en onze huiskrekel begint voor mij een obsessie te worden.

Voor ik naar bed ga, loop ik al een paar keer de gang in om te luisteren of onze huisvriend al wakker is. Meestal hoor ik niets. Maar steeds, als we te bed zijn gegaan en ik in slaap wil vallen, begint die krekel aan zijn concert.

“Rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee!”

Ik zoek elk begin van de nacht alle ruimten door, om het krekeltje te ontdekken. De badkamer, het washok, de toiletruimte en de logeerkamer. Het beesje is echter heel slim. Als ik hem (of haar) hoor roepen, trippel ik bijvoorbeeld voorzichtig naar het washok en blijf gespannen staan luisteren.

Maar dan houdt hij zich stil!

Dat rotbeest is slimmer dan ik dacht.

 

Na de vijfde nacht bedenk ik me plots iets: de rubberboot!

Bij het inpakken van de boot in de haven is het diertje natuurlijk in de boot gekropen en hebben we het meegenomen naar ons appartementje.

“Rietje,” zeg ik tegen mijn vrouw, “schuif de meubels in de kaomer aon de kaant, dan sjouw ik de rubberboot hiernaortoe en rolle we ‘m uit. Ik mot en zal die krekel veine!”

Ik sleep de toch nogal zware boot over de betegelde vloer de logeerkamer uit en door de gang de woonkamer in, waar Riet intussen ruimte heeft gemaakt. We pakken samen de boot uit.

“Goed oplette, dè ge da bist van de boôt ziet springe,” waarschuw ik mijn vrouw. Voorzichtig rollen we de rubberboot uit, kijken in alle hoekjes en gaatjes maar ontdekken geen krekel.

Als de boot weer opgerold en ingepakt is, breng ik hem weer naar de logeerkamer. Daarna laat ik me met een plof in mijn zorgstoel vallen. Ik ben doodop van dit karwei en Riet natuurlijk ook.

“Ge bekijkt het vôrtaon mar meej oewe krekel,” zegt ze zuchtend. “Ik doei nimmer meej!”

 

Diezelfde avond zit ik in de logeerkamer te werken op mijn computer, als ik de krekel weer hoor. Nu echter kan ik vrij precies de plaats van het geluid bepalen. Ik loop zachtjes naar de boekenkast en hoor opnieuw de roep: “rrrriee, rrriee.”

De trillende klanktoon komt uit een doosje!

Ik wacht even in spanning.

Als het timbre weer uit het doosje klinkt, til ik snel de deksel eraf en houd mijn hand op de opening. Gespannen kijk ik door mijn vingers heen of ik de krekel kan ontdekken.

Niets.

Voorzichtig schuif ik mijn hand van het doosje af, til het ronde ding eruit, maar krijg mijn aartsvijand niet te zien.

Teleurgesteld zet ik het vermeende krekelhuis weer terug.

“Rrrrriee, rrrrriee,” klinkt uit de doos.

Ik snap er niets meer van, pak de doos en haal het apparaatje eruit. Het is een rookmelder! Dat ding heb ik anderhalf jaar geleden gekregen van zoon Raymond. We hebben het toen nog uitgeprobeerd.

Maar in dat doosje kan toch geen rook gekomen zijn?

Ik pak de gebruiksaanwijzing en lees uiteindelijk:

‘Als de batterij bijna leeg is, hoor je een trillerig piepend geluid!”

Die batterij heb ik erin laten zitten!

Daar heb ik nou vijf dagen lang mijn huis voor over hoop gehaald!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Onze ouders

In een van mijn verhalen vertelde ik u over mijn ouders. Dat ik eigenlijk niet wist hoe ze elkaar hebben leren kennen.

Diepgaand onderzoek (onzin natuurlijk) en gesprekken met mijn broer Wim brachten het volgende verhaal naar boven.

 

Onze pa was een avonturier.

Het was in het jaar 1932, in de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog, toen hij een paar keer per

week in de nacht bij Strijbeek de grens naar België over fietste om met een paar dozen boter op zijn pakkendrager terug te komen. Opoe kocht voor hem speciaal een racefiets, met verzwaarde pakkendrager natuurlijk, zodat hij toch zeker de douane, die ook op een rijwiel bij de grens patrouilleerden, voor de kunnen blijven.

Dat lukte aardig, maar het ging ook wel eens mis.

Op een avond werd onze pa verrast door twee douaniers, die zich in een droge sloot verschanst hadden.

“Halt!” klonk plotseling in het donker.

Onze vader’s reactie was erg snel. Terwijl de grenswachters uit de sloot kropen, demarreerde hij weg van de twee gewapende mannen, die nog een schot in het donker gaven, onder het roepen van: “Halt of ik schiet!”

Voordat de douaniers hun fietsen uit de sloot hadden, was onze pa al een heel eind weg. Hij verstopte snel de twee dozen boter in de bossen en fietste, uiteraard zonder licht op, met grote snelheid over de bospaden en verstopte zich ergens met racefiets in de struiken. In de verte hoorde hij de grenswachters met elkaar praten, maar die mannen gaven het op en trapten richting kazerne. Pa deed nog een uurtje een klein dutje en besloot daarna de paden te gaan verkennen, of de dienstkloppers toch wel zeker verdwenen waren.

Het bleef rustig en vader laadde de twee dozen boter weer achter op zijn fiets en reed richting Rijen, waar een ongeruste moeder op hem zat te wachten, omdat hij zo lang wegbleef.

Alles was dus goed afgelopen en snel kroop ie in bed om nog een paar uurtjes te slapen. Om zeven uur moest hij weer op de leerlooierij zijn.

Dat was vrijbuiter Kees van Oosterwijk.

 

 

Pa was bevriend met Koos van der Kaa (tot aan zijn dood) en die zegt op een dag: “Kees, ge môt zondag us meegaon naor Oosterhout. Ik heb daor een meiske leren kenne, en die brengt dan haar vriendin mee. Misschien iets voor jou.”

“We zulle wel zien,” was het antwoord van Kees. “Veur jou dan.”

De nieuwe vriendin van Koos zei hetzelfde tegen Mina Sestig, zeventien jaar oud.

“Wie brengt ie meej?” vroeg ze belangstellend.

“Kees van Oosterwijk uit de Rijen,” was het antwoord.

“Kees van Oosterwijk?” reageerde Mina afwijzend. “Die ken ik wel. Mar zônne lullikke vent môt ik  nie!”

Mina werkte namelijk bij Schoenfabriek Klerkx op het Martveld in Rijen en kwam elke dag langs het huisje op de Vijf Eiken gefietst, waar Kees dan in zijn oude kleren of overall aan het werk was.

 “Gao nou mar vur mijn meej,” smeekte de vriendin, “aanders staoj ik daor alleen meej twee venters!”

Dus Mina beloofde mee te gaan.

Het boter smokkelen legde Kees geen windeieren, en die zondag kwam hij met Koos mee in zijn zondagse pak met overhemd, stropdas en onder de omslag van zijn broek een paar blinkend gepoetste schoenen. Zelf was hij ook helemaal gewassen, opgefrist en gekamd. Mina’s mening over Kees draaide meteen honderdtachtig graden om: ze vond hem zelfs knap en met z’n vieren gingen ze dansen. Kees had door zijn smokkelactiviteiten best wat geld op zak om een stevig drankje te kopen, terwijl veel heren droog aan de kant stonden.

 

Koos en zijn vriendinnetje hielden het niet lang met elkaar vol, maar deze eerste dansavond was het begin van een zeven jaar lange verkering tussen ons ma (Mina) en ons pa (Kees).

Moeder Sestig-de Vos had over die lange verkering haar eigen bedenkingen en zei dikwijls tegen haar dochter: “Mina, heej Kees al us over trouwe gepraôt?”

“Neije moeder,” was steeds het antwoord en dan kreeg Mina altijd dezelfde opmerking van haar moeder te horen: “Kees is nun vrijer, mar ginne trouwer!”

 

De verkering telde dus bijna zeven jaren, toen Mina en Kees langs een juwelierszaak in Breda liepen. Mina stond naar de ringen te kijken, toen Kees plotseling zei: “Zoek mar nun trouwring uit.”

Dat was het.

Dat was zijn huwelijksaanzoek. Niks romantiek, recht voor z’n raap. Dat was onze pa.

 

Op 19 oktober 1939, ruim een half jaar voordat de Nazi’s Nederland bezetten, traden ze in het huwelijk in de St. Antonius kerk in Oosterhout. Daar waar ons ma in 1916 was gedoopt en later haar H. Communie deed. Ze kregen twee zonen: Henk en Wim, die beide geboren werden in de Pastoor Gillisstraat 146, het huisje met de Franse kap, dat ze met het trouwen gehuurd hadden. In 1951 verhuisden ze naar de Laagstraat 55, een vrijstaand huis, dat door mijn grootouders gebouwd werd.

In 1989 vierden ze hun Gouden Huwelijk en zeven jaar later stierf onze pa op 83-jarige leeftijd. Moeder bereikte de leeftijd van 96 en had misschien de honderd wel gehaald. De laatste drie jaar van haar leven was ze blind en wilde niet meer verder.

 

Dat waren onze ouders, misschien niet romantisch, maar wel recht door zee en een sterke liefde voor elkaar en hun twee zonen. Ik kan me niet herinneren, nee ik weet het zeker, dat ze de woorden ‘ik hou van je’ nooit tegen ons hebben uitgesproken.

Dat hoefde ook niet; wij wisten het gewoon.

© Henk M. van Oosterwijk

Schrobbelèr

Ik weet het: alcoholische drank is niet goed voor een mens. Maar toch ben ik van mening, dat het ook veel plezier brengt. Bij mij althans.

Niet dat ik alcoholist ben, maar vijf van de zeven dagen in de week neem ik toch een lekker glas whisky voor het te bed gaan. Dat doet me denken aan de tijd, dat ik in de ‘midlifecrises’ zat. Nou ja, een crises kun je het niet noemen, want ik ben er geluidloos doorheen gegleden. Nu ben ik vijfenzeventig en merk ik ook weinig van het ouder worden. Op enkele kleinigheidjes na dan. Ik behoor nu toch bij de nieuwe generatie 50+, niewaar.

Maar terug naar mijn herinnering.

 

Het gebeurt in de negentiger jaren. Onze kinderen hebben beide hun zelfstandige leeftijd bereikt en dat geeft ons weer een stuk vrijheid terug.

Riet, mijn vrouw, en ik houden allebei van biljarten en van een drankje, een combinatie die in veel dorpscafés te vinden is. Onze vrienden, Peter en Ria, houden daar ook van. Alleen Ria houdt het bij kijken naar de biljartsport; met het drankje doet ze volop mee. Zo komt het, dat we nogal eens een keer met vieren naar ’t Biljartcentrum gaan in de Julianastraat in Rijen. Zo ook deze zaterdag.

 

Het is gezellig druk in het café, zodat we voor het biljarten even uitwijken naar de zaal, waar vijf biljarttafels staan. Als Riet, Peter en ik ons partijtje hebben gespeeld, schuifelen we weer terug naar de gezelligheid in het café en pakken daar diverse biertjes. Tenminste Peter Ria en ik, want Riet drinkt wijncognac. Ik heb net een verstandig gesprek met Wim, zoals ik oud-secretaris van de Rijense Biljart Federatie. Samen zitten we ook in de organisatie van het Boemaars-toernooi, dat als inzet heeft het kampioenschap van Rijen driebanden groot. Het toernooi draagt de naam van ex-wethouder Gerrit Boemaars, ook wel ‘de burgemeester van Molenschot’ genoemd.

 

“Zin in een partijtje tien-over-rood?”

Het is kastelein Henny, die ons met deze vraag stoort in ons gesprek.

“Prima,” reageer ik, “dan bende ergus meej bezig. Aanders staon we hier toch mar te drinke.”

Ook Wim en Peter doen mee.

Ge moet weten, dat tien-over-rood best een moeilijk spel is. Je moet steeds met dezelfde gemerkte witte bal stoten en eerst de rode bal raken, voordat die de andere witte bal aanstoot. Als je echter met geroutineerde biljarters speelt, waarvan wij aannemen dat we daarbij horen, kan er ‘afgelegd’ worden. Dus de witte bal zodanig wegleggen, dat de rode bijna niet te raken is. Zowel verdediger als aanvaller kan daarbij al zijn punten kwijtraken en op 0 terecht komen.

Ik zal het maar niet verder uitleggen, maar je begrijpt dat het spel dan erg lang kan duren.

En de drank helpt daarbij ook nog een handje.

 

“Allemaal nun Schrobbelèr?” vraagt Henny na enkele rondjes bier aan de biljarttafel.Maar er is geen keuze, want de kastelein schuift ons meteen een dienblad met vier Schrobbelèrkes toe.

“Lekker,” is de reactie van ons alle drie. Schrobbelèr is een zoet onschuldig kruidendrankje, dat ze in Tilburg hebben uitgevonden.

Nou, onschuldig! Het heeft slechts 22% alcohol, maar na een aantal biertjes kan het toch onverhoeds toeslaan. Zeker als het te snel gedronken wordt. Als bierdrinker ben je gewend om stevige slokken te nemen. Doe je dat bij Schrobbelèr, dan is je borrelglaasje in één keer leeg.

En zo geschiedt.

Dus Wim loopt weer snel naar de bar om de borrels te laten vullen. Ook Peter en ik laten onze beurt niet voorbijgaan. Als Henny, na diverse stoten over rood en missers, dan met acht borrels aan komt zetten, is het hek van de dam.

 

Intussen gaat de strijd tien-over-rood onverwijld door, zwaar beïnvloed door de Schrobbelèr: iedereen staat op nul!

En dan komen de grappen!

Terwijl Wim even het toilet bezoekt, wisselt Hennie de stootbal om voor een bal met een loden kern. En die kern ligt echt uit het lood!

Als Wim terug is en met die bal de rode bal probeert te raken, gaat zijn stootbal een geheel eigen weg volgen en rolt met een grote boog ver van rood vandaan.

Wim is ontzet. “Ik gaaf um helemaal gin effect. Hoe kan da nou?” Hij kijkt ons aan, terwijl Henny weer snel de ballen verwisseld. Peter, Henny en ik zijn aan de beurt en de stootbal doet gewoon rechtlijnig zijn werk.

“Ge mot deze keer nie zoveul effect geve,” adviseert Peter en onttrekt weer even de aandacht van Wim van het biljart. De kans voor Hennie om opnieuw de ballen te verwisselen.

Wim legt nu serieus aan op rood. Het is eigenlijk een simpel balletje, die je met je ogen dicht moet kunnen maken. Maar opnieuw loopt de stootbal met een boog weg van rood. Wim richt zich op van de biljarttafel en kijkt ons met een verbaasde blik aan.

“Ge mot um ok gin effect geve,” zegt Peter serieus. “Ik zee ut toch!”

“Mar da deej ik nie!” roept Wim uit met een machteloze stem.

Afijn, dit herhaalt zich nog enkele keren en dan ziet Wim ineens de verwisseling van de ballen. Wij brullen van het lachen. Alle ingehouden pleziertjes van de voorbije minuten komen er ineens uit.

Wim kan er ook om lachen, maar dat heeft toch even zijn tijd nodig.

 

Intussen zijn de dienbladen met acht Schrobbelèrs regelmatig aangedragen en vinden we, in gezamenlijk overleg, dat we beter met biljarten  kunnen stoppen. We staan alle vier nog zonder punten en de tien zal door niemand gehaald worden. Deze avond zeker niet.

En dan gebeurt er iets, dat ikzelf niet meer kan herinneren. Ik heb het van horen zeggen dus; van mijn eigen vrouw nog wel.

 

Het café heeft verschillende steunpalen, die bouwkundig een stalen balk moeten stutten. Deze palen zijn rondom met hout betimmerd. Op ongeveer één meter tachtig hoogte zit een plateautje, waar je een glas bier op kwijt kunt.

Ik heb blijkbaar dorst gekregen van al die Schrobbelèr en weer een biertje besteld. Na een stevig slok zet ik het glas op dat plateau.

Dat gaat nog wel.

Als ik echter een tweede dronk wil nemen, kan ik met mijn hand het glas niet meer bereiken. Misschien sta ik te dichtbij of te ver weg van de paal?

Met de linkerhand rustend tegen de paal om mijn evenwicht te kunnen behouden, reik ik met de rechterhand steeds omhoog naar mijn glas bier. Maar mijn arm is te kort of zoiets. Ik krijg mijn biertje niet meer te pakken.

Ziet u het voor u?

Het lijkt toch hopeloos?

Dat is het dan ook. Na vier of vijf pogingen hoor ik ineens een vertrouwde stem achter me.

“Ik denk, Henk, dat ut tijd is om naor huis te gaon. Ik heb al afgerekend.”

“Ik denk ut ôk.” Ik draai me half om naar Riet, maar houdt de paal met twee handen vast. “Hier ken ik toch nimmer bij mijn bier!”

 

© Henk M. van Oosterwijk

Familietraditie

Wij hebben in de jaren 40, 50 en 60 van de vorige eeuw een traditionele nieuwjaarsviering in de familie. Niet zozeer in de 'van Oosterwijk-tak’, maar wel in de familie van ons moeder, Mina Sestig. Geboren als echte Oosterhoutse 'op de Vurraai' (wat negatief klinkt, maar daar woonden ook normale lieve mensen) is ze onze pa, Kees van Oosterwijk, ergens tegen gekomen. Ze werkt dan in Rijen, als schoenstikster bij de firma Klerkx op het 'Martveld', en als zestienjarige komt ze haar Kees tegen, als ze via de Vijf Eikenweg, in Rijen de Oosterhoutseweg genoemd, naar huis fietst.

Misschien ging het zo. Misschien ging het anders. Ze hebben het nooit aan ons verteld.

Het kan ook zijn, dat ze elkaar in Oosterhout leerden kennen. Vader Kees gaat daar 's zondags dansen. Als ik nu door de Ridderstraat langs het Slotpark rijdt, beeld ik me in, dat onze ouders achter een van die reusachtige bomen hebben staan vríjen.

 

Ik weet het niet.

Ons moeder liet nooit wat los over de acht jaren, dat ze verkering heeft gehad met pa. Ons vader vertelt in onze jeugdtijd sporadisch tegen vrienden en kennissen wel eens stoere verhalen, die ik dan zittend op de achtergrond meeluister. Maar veel is daar jammer genoeg niet van blijven hangen.

Na die acht jaren verkering trouwen ze in het crisisjaar 1939 en blijven zevenenvijftig jaar lang bij elkaar. Als in 1996 ons vader overlijdt, gaat ons ma nog zeventien jaar alleen door en overlijdt tenslotte in 2013 op zesennegentigjarige leeftijd.

 

Maar nu de nieuwjaar traditie.

Het is in onze Oosterhoutse familie een ongeschreven wet, dat alle jongere broers en zusters eerst bij de oudste zoon nieuwjaar komen wensen en daarna op volgorde van leeftijd de andere familieleden bezoeken, waar koffie geschonken wordt. Meestal komt er echter bier en jonge jenever en bessenjenever op tafel. Nou, ge kunt op je vingers natellen, wat er die dag allemaal gebeurde: ze zijn met z’n zevenen, dus er zijn tenminste zes adressen te bezoeken, want soms wordt er een bezoek aan een goede kennis tussengevoegd!

 

Oudste zoon van 'Wiebes' Sestig en Catrien de Vos is Jantje Sestig, de legendarische voetballer van TSC en onze ome Jan. Als je zorgt, dat je op een redelijke vroege tijd bij ome Jan en tante Anna bent, dan tref je al een groot gedeelte van de Sestig'ers, die met drie jongens en vier meiden een gezin vormden. Dat scheelde dan weer een aantal huisbezoeken voor ons.

Oudste dochter was tante Mie, getrouwd met ome Willem de Stop. Zij is een tweede kans om de rest van de familie aan te treffen. Lukt het niet om meerdere ooms en tantes daar te ontmoeten, dan moet je het leeftijdsrijtje af: ome Frans, tante Anna, ome Willem Sestig en tante Pietje.

 

Toen we klein waren, telden we aan het eind van de dag ons snoepwerk en ontvangen geld, want dat was ons nieuwjaarsfeestje. Maar als je de zestienjarige leeftijd hebt bereikt (bij sommigen wat eerder) dan krijg je een drankje aangeboden, zoals Exota limonade, donker bier (3% alcohol) of een pilsje.

Deze traditie houd ik in ere tot mijn zesentwintigste. Riet en Ik wonen dan in in Breda, waar onze eerste zoon Raymond wordt geboren. Waarom we stoppen? Ik weet het niet.

 

Een jaar is me altijd bijgebleven: de jaarwisseling van 1959 naar 1960.

Ik ben zestien jaar, sta als doelman in het eerste van RAC (2e klasse) en vier de jaarwisseling met voetbalvrienden. En hierbij worden best een paar pilsjes genuttigd. Ge kunt met een gerust hart stellen, dat we er niet in spouwen!

Als ik op de eerste dag van het nieuwe jaar wakker wordt met een stevige kater, zijn mijn ouders met broertje Wim al lang naar Oosterhout vertrokken.

Het is al half in de middag, als ik mijn brommer start. Een groene Typhoon met een stoere grote benzinetank, die ik tweedehands met op een leerlooierij zelf verdiend geld in september heb gekocht. Met mijn duffe kop rijd ik richten Oosterhout.

'Als ik nou naar tante Mie rij, dan tref ik misschien heel de familie,’ bedenk ik bij mezelf. Dus stuur ik mijn Typhoon De Besterd in en parkeer hem binnen de poort van mijn oom en tante.

 

Ik loop via de achterdeur en de keuken naar binnen. Tante Mie zit op de bank in de woonkamer. Ik kijk verbaasd in het rond. Niemand!

Geen zoon of dochter, geen enkel familielid, geen mens zit hierbinnen. Alleen tante Mie dus.

"Hallo Henk," lacht ze me toe. Ik schud haar de hand en kus haar op beide wangen. "Ge bent laot. Alles is al weg."

"Mokt niks uit, tante Mie. Ik kom vur jou en ome Willem. En die kom ik wel ergens aanders tege," zeg ik lachend.

"Gao zitte, jonge," en ze wees naar een van de fauteuils, "wa wilde drinke?"

Ze keek me vriendelijk aan.

"Iets fris of zo. Exota?" Ik gooi mijn winterjas over een stoel en ga zitten.

"Ik wit wel, da ge ok un pilske lust," lachte mijn tante me toe, "mar de familie hèt hier alles opgezope. Luste nun borrel? Da’s ut enige, wa’k nog heb."

Ik heb nog nooit sterke drank gedronken! Bovendien zit ik nog met een behoorlijke kater, overgebleven van de jaarwisseling en moet weer terug op de brommer.

"Neije," was mijn reactie, "een frisdraankske is gied."

"Da he'k ok nimmer," vervolgt tante Mie. "ik gif oe wel nun borrel.

Ondanks al mijn tegenwerpingen neemt ze een - voor mij - te groot borrelglas uit de kast en schenkt die tot het randje vol.

"Zo jonge, ge bent nun grote vent, dus drink mar lekker op."

Ik zie aan haar ogen, dat ze me liever een frisdrankje of een biertje zou hebben gegeven, maar de drank is op. Ze kan niet anders. Een blik op het etiket van de fles vertelde me, dat ik een borrel oude jenever voor me heb staan. Oude jenever! Verdorie, die is straf!

"Hedde't vannacht ok gevierd?" vraag ik belangstellend. Ik ruik intussen even aan de borrel en de sterke geur doet me al zwijmelen.

"We zen op tijd naor bed gegaan," antwoordt tante Mie, "want we moste toch optijd wakker zèn vur de familie.'

 

"Proost"!

Ik hef het borrelglas richting mijn tante en breng het voorzichtig naar mijn lippen. De sterke jenevergeur doet me twijfelen en ik zet de borrel terug voor me op tafel. Ik kijk tante Mie aan. Zij reageert niet. Denkt even na. Vraagt dan aan mij: "Gij staot toch al in ut irste van RAC? Hoe voelt da? Onze Jan waar nun goeie voetballer bij TSC."

Ik knik. ‘Uitstel van executie, als ik blijf praten,’ denk ik bij mezelf.  

"Ome Jan wilde, da'k naor TSC kwam, mar ik ben nun Rijese. Ik blijf RAC trouw."

"Groot gelijk," reageert ze. "Onze Jan ging ok naor Longa in Tilburg. Mar kwam nao un half jaor wir t'rug. Hij kon nie wenne. Drink toch oewe borrel jonge."

Tante Mie is zo’n goede tante, Zo lief voor mij. Ik moet die borrel voor haar wegwerken. Ik kan niet anders. Dan maar ineens, besluit ik.

Ik pak de borrel vast, hef hem nog een keer richting tante Mie en sla hem in een keer achterover.

 

Brrrrrrrrr.

Ik voel de oude jenever mijn tong en gehemelte aantasten. Dan glijdt de zwaar alcoholische vloeistof mijn keelgat in en veroorzaakt langzaam een brandende werking in mijn keel, slokdarm en uiteindelijk in mijn maag. Hét bloed stijgt me naar het hoofd. De vlammen slaan uit mijn keel en ik wil die het liefst blussen met een koude frisdrank. Maar die is er niet!

"Luste nog un borreltje," vraagt mijn lieve tante.

"Neije," antwoord ik schor. "Gif me mär un glas waoter."

Ze reikt me een glas water aan, dat ik ook ineens naar binnen slok. Het koele vocht blust even het vurige borreltje, maar opnieuw brandt mijn mond, keel en maag. Ik loop zelf snel naar de keukenkraan om mijn glas nog een paar keer te vullen om door mijn keelgat te gooien. Het brandende gevoel wordt minder, maar ik houd er toch een nog katerig gevoel van over.

Ik kijk tante Mie aan. Zie ik daar een glimlach? Ze geniet misschien van mijn volwassenwording.

 

"Ik gaoj de rest van de familie us opzoeke," zeg ik uiteindelijk tegen haar.

“Doe da, jonge. En as ge ome Willem ziet, stuur um dan naor huis.”

Even later start ik de Typhoon en brom naar de Laanstraat. Naar tante Pietje en ome Jan van Ham. Daar tref ik de rest van de familie, gelukkig.  Maar een biertje of borrel krijgen ze er bij mij niet meer in.

"Verstandig, Henk," zegt tante Pietje tegen mij, "as ge mot rije, nie drinke!"

En zo is het.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Ik wens jullie allemaal een gezond en voorspoedig 2019.

Henk.

Mooie Kerst

In de schemering van een koude Kerstavond loopt een grijzende man, met een banjo en rugzak om, een boerenerf op. Zijn haren zijn strak achterover gekamd boven een smal spits gezicht, waarin twee bruine ogen de omgeving aftasten.  Dan klopt hij op een achterdeur, waarschijnlijk de toegang naar de keuken. Een man in groene overall doet even later open.

“Ken ik u helpe?”

De banjoman knikt verlegen en mompelt: “Hebt u voor mij misschien een plaatsje in de schuur om te slapen?”

De boer kijkt hem lachend aan.

“Mar natuurlijk, man! ‘k Heb gin slaopkaomers mir vrij vanwege mijn zes kindere, mar in het hooi veine we wel un wèrum plekske. Hedde al gegéte?”

De banjoman knikt. “Ik hoef alleen een slaapplaatsje.”

“Lôp mar mee.” En de boer loopt richting zijn schuur en opent daar een kleine deur naast de hoge schuurdeur en gaat naar binnen. De banjoman volgt hem.

Als hij de schuur binnentreedt, komt de geur van het stoffige stro vermengd met de weeë lucht, die uit de nabijgelegen stal komt, hem tegemoet. Uit het gerammel van kettingen begrijpt hij, dat daar koeien zijn gestald.

De boer ontsteekt een olielamp, die aan de muur hangt.

“Zoek mar un plekske in het strooi.”

De boer wijst naar een trap, die naar de zolder leidt.

“Deze lamp en gin vuur gebruike hier,” stelt hij nog even de regels vast, “en ok nie roke.”

“Roken doe ik bijna nooit,” verzekert de banjoman zijn gastheer. “Af en toe eens een sigaartje bij een feestelijke gelegenheid. En licht is er genoeg voor mij.”

Hij wijst naar een stoffig dakraam, waar toch nog heldere maanstralen doorheen dringen. Ze voorspellem een koude nacht.

“Nou, truste dan.”

De boer draait de olielamp weer uit en zoekt zijn keuken weer op.

“Welteruste,” roept de banjoman hem nog na.

 

De grijze man klimt met rugzak en banjo de ladder op. Om zich tegen de komende koude te beschermen, trekt hij enkele bossen stro naar zich toe en bedekt zijn benen met een oude wollen deken. Zijn half versleten winterjas en gebreide muts zullen de rest van zijn lichaam aangenaam warm houden.

Hij rolt zich in zijn nestje van stro, legt nog even zijn hand op zijn muziekkoffer naast hem en probeert in slaap te komen. Het gerammel van de kettingen, dat vanuit de koestal weerklinkt, is voor hem het enige wat de stilte af en toe verbreekt.

Hij is een gezonde vent, die meestal meteen weg zakt in een droomloze slaap. De gehele dag snuift hij de frisse buitenlucht op en dat maakt slaperig als je rust en warmte krijgt.

 

Maar deze avond kan hij de slaap niet vatten.

Ongewild gaan zijn gedachten telkens weer terug naar de tijd, dat hij samen met zijn band gedurende het hele jaar door Nederland en Duitsland reisde. Soms ook door België. Elke dag gaf hij zich over aan de muziek en de vele fans.

Het was een mooi en lux leventje.

Kerstmis bracht dan rust in zijn drukke bestaan. Die dagen van ‘vrede op aarde’ deelde hij met zijn vrouw en zoontje, gezellig in een warm huis rondom de kerstboom met een glas wijn.

Er komt een glimlach op zijn gezicht en hij voelt weer zijn kind op schoot spelend met een miniatuur harmonica. Zijn ogen kruisen de blozende blik van zijn vrouw, waarmee hij liefdevolle dagen doorbrengt. In een geluksmoment meent hij de geur van haar parfum op te snuiven. Hij proeft de heerlijk rode wijn op zijn tong.

Gelukkige dagen waren dat, van de Kerst tot na nieuwjaarsdag. Even geeft hij glimlachend zijn herinneringen de vrije teugel.

 

Dan verdwijnt de lach van zijn gezicht.

Meestal vertrok hij weer op de tweede dag van het jaar. Weg van zijn gezin, met de band mee. Hij zorgde financieel goed voor vrouw en kind. Zij kwamen niets tekort; alleen zijn aanwezigheid.

Maar ondanks dat ze uit liefde getrouwd waren, kwam door zijn drukke leven als muzikant het gezin op de tweede plaats. Hij liet zich meeslepen door succes en glorie en de consequenties bleven niet uit.

Eens na een tournee van enkele weken met zijn muziekmaten kwam hij één dag eerder thuis, dan iedereen verwachtte. Daar vond hij een dorpsgenoot in zijn bed, met zijn vrouw! Er ontstond een stevige woordenwisseling, waarna zijn vrouw haar spullen bijeenpakte en vertrok. Ook zijn zoontje nam ze met zich mee. Hoewel het vertrek van zijn zoon hem extra pijn deed, hield hij hem niet tegen.

Hijzelf was immers nooit thuis! Hoe zou hij zijn zoon moeten opvoeden en grootbrengen? Dat moment betekende het einde van hun huwelijk. Hij zag zijn zoon voor de laatste keer.

Er verschijnt toch weer een glimlach op het gezicht van de banjoman bij de gedachte aan zijn kind. De jongen moet al een jongeman zijn. Gezond en sterk. Waarschijnlijk al getrouwd. Misschien is hijzelf al opa!

Ondanks dit vreugdevolle denkbeeld verdwijnt ook deze glimlach en keert hij terug in de harde werkelijkheid. Het lijkt of het kouder wordt en de man duikt dieper tussen het stro en trekt de wollen deken wat verder over zich heen.

 

Sinds de breuk met zijn vrouw en haar vertrek is hij dakloos. De muzikant nam destijds zijn banjo met koffer en mondharmonica, stopte wat kleren in een oude rugzak en liep de wereld in. Zonder doel; zonder toekomst, zijn gezin, vrienden en fans achterlatend. Alleen zijn muziek droeg hij met zich mee.

Slapen en eten doet hij nu in allerlei dorpen bij arbeidersfamilies, die tegen een kleine vergoeding mensen onderdak en eten verschaffen, een bed geven en hiermee wat extra’s verdienen. Vanuit deze tijdelijk onderkomens gaat hij de dorpen door tot iedereen van zijn banjo en mondharmonica heeft kunnen genieten.

Altijd vrolijk. Altijd sympathiek. Altijd te voet.

Na elk optredentje schudt hij met zijn centenbakje en gaat door tot dat hij alle straten en deuren van het dorp heeft gehad. Dan betaalt hij netjes zijn kostvrouw, pakt zijn rugzak en instrumenten en loopt naar het volgende dorp, waar hij opnieuw zijn rondje langs de deuren begint. In de kleine steden speelt hij in winkelstraten, maar als de politie de vergunning wil zien en hij die niet kan tonen, moet hij zijn banjo en rugzak oppakken en verdwijnen.

Dat brengt hem bij het volgende gehucht of kerkdorp.

Tot de vrieskou komt, die zijn vingers en handen verstijven en zijn mondorgeltje aan zijn lippen doet vriezen. Dan komt er geen geld meer binnen, geen munten meer in zijn centenbakje en breekt de tijd aan van zuinig zijn en proberen rond te komen met het geld wat die zomer apart gelegd is.

 

Met een kleine beweging nestelt hij zich nog behaaglijker in het stro en zijn gedachten dwalen af naar de voorbije zomer, toen de zon alles heerlijk opwarmde. De grond waarop hij liep, de beek waar hij zich in opfriste en het gras, waarin hij zijn middagdutje deed. Ook waren de dagen veel langer en dat betekende meer uren banjo en mondharmonica spelen, meer uren vrolijk zijn, meer uren muziek maken. Muziek, die hem vreugde en vrede geeft.

En geld om in leven te blijven.

Hij legt elke zomer wel wat opzij om de winter te overleven. De zomer! Bij die gedachte wordt hij warm en valt langzaam in een diepe slaap.

 

 

Het is ochtend en Eerste Kerstdag.

De banjoman wordt gewekt door het kraaien van een haan en ziet het zwakke zonlicht door het dakvenster vallen.

Hij staat op, slaat het stro van zijn kleren en gooit zijn spullen over zijn schouder. Even later klopt hij op de keukendeur van de boerderij. De boer, net klaar met de verzorging van zijn dieren, doet open.

“Kan ik u nog ergens mee helpen,” zegt de muzikant en hij kijkt de man in de blauwe overall vragend aan. Door de geopende deur ruikt hij de geur van verse koffie.

“Of moet ik u nog iets betalen voor de overnachting?”

De boer schudt ontkennend zijn hoofd. In de winter is er weinig werk op de boerderij en zijn dieren zijn al verzorgd. Bovendien heeft zijn slaapgast niet de goede lichaamsbouw voor het zware boerenwerk. Alleen het eelt op zijn vingertoppen verraad zijn beroep als banjo-speler.

“Neije, kèrel, ut werk is al gedaon.”

De boer doet een stapje achterwaarts en en zwaait zijn hand uitnodigend naar binnen.

“Kom d’rin. Dur is nog wel un plekske aon taofel.”

De muzikant kijkt langs de boer de keuken in.

Rondom een lange houten tafel zitten zes kinderen, drie zonen aan de ene zijde, twee dochters en de kleinste zoon aan de andere kant. Op een lage kast staat een eenvoudige kerstboom, niet rijkelijk aangekleed. Toch brengt de kleine den met zijn gekleurde ballen en brandende lampjes een gezellige kerstsfeer in deze eenvoudige boerenkeuken.

De boerin bevindt zich aan de kopzijde van de tafel, direct bij het grote kolengestookt fornuis en ook vlakbij de grote aanrecht. Haar blik kruist even die van haar man, die zich half omgedraaid heeft. Een blik van verstandhouding en de boer draait zich weer terug naar de man met de rugzak.

“Kom ‘r toch in,” herhaalt hij. “Doet oewe rugzak en oew jek uit en pak nun zit. D’r is ete zat! Vrouw, schenk us un lekker bakske koffie vur um in!”

Even weifelt de zwervende banjoman, maar dan stapt hij de gezellige woonkeuken in en ontdoet zich van tas en jas. Een van de meisjes neemt de spullen aan en bergt ze op, een jongen schuift zijn stoel naar hem toe en haalt voor zichzelf een kruk uit het achterhuis.

“Doe mar of ge thuis bent, pak mar,” moedigt de boerin hun gast aan, terwijl ze de koffie inschenkt.

De muzikant schuift aan. De tafel is gevuld met brood, eieren, spek, worst en gerookte ham en de gast maakt daar dankbaar gebruik van, aangemoedigd door de kinderen. De gastheer en vrouw gaan zelf ook verder met de maaltijd en kijken tevreden toe, hoe de banjoman zich te goed doet aan al het eten.

 

“Kunde gij veur oos un schoon kerstliedje speule?”

Het is de jongste zoon van de familie, die dit verzoek doet. De magen zijn gevuld en de boer knikt de muzikant bemoedigend toe.

De gast haalt de banjo en mondharmonica uit de muziekkoffer en kijkt vragend naar de kinderen.

“Kerstkiendje is gebore!” klinkt het uit verschillende monden.

De banjoman zet aan en even later klinkt het uit negen kelen en keeltjes:

“Kerstkiendje is gebore, al in nun arme stal. Drie daoge van tevore, toen wiesten ut de herderkes al.

Ja, toen wiesten ut de herders al.”

Er volgen nog meer liedjes, zoals ‘Stille nacht’ en ‘Er is un kindeke gebore..’ en nog veel meer.

De veehouder en zijn echtgenote kijken elkaar aan en genieten van deze viering. Op de boerderij is nog nooit zulk een mooi kerstfeest gevierd!

Na al het mooie gezang biedt de boer zijn gast een sigaar aan en steekt er zelf ook een op.

Het is toch een feestdag, nietwaar?

Samen laten zij de rook van de dikke sigaren door de grote keuken kringelen en de banjoman vergelijkt ze met zijn gevoel van geluk, waarvan hij dit moment geniet. De rookringen stijgen op tot aan het plafond, waar de kleine wolkjes zich verspreiden en in het niets verdwijnen…………

          

Bij deze gedachte maakt hij aanstalten om te vertrekken. “Het is tijd voor mij, om te gaan.”

De banjoman wil het gezin verder niet storen, maar nog een kop koffie slaat hij niet af. Daarna trekt hij zijn jas aan en neemt de rugzak op zijn schouders. Pakt de muziekkoffer en dankt de boer en zijn vrouw voor de gastvrijheid.

“Gin daank, gin daank,” antwoordt de boer. “Wij veine ut allemaol fijn, dè ge veur oos gespuld hèt. ’t Is misschien wel de schôonste Kerst, die we ooit gehad hebbe. Gij bedaankt, man!”

De boerin schudt de hand van de banjoman en de kinderen roepen allemaal: “Houdoe, banjoman!”

 

De muzikant gaat door de keukendeur naar buiten en steekt nog eenmaal zijn arm ten afscheid in de lucht. Dan loopt hij de wereld weer in. Terug in de kou, terug in de eenzaamheid. Maar toch met een heel warm gevoel, dat het boerengezin in hem doet opwellen.

De banjoman marcheert naar een volgend onbekend doel. Hij hunkert naar de zomer, die hem warmte en nieuwe geestkracht zal geven om met zijn banjo en mondorgeltje van deur naar deur te trekken en de mensen gezellige muziek te brengen.

Nog nagenietend van de goede maaltijd en de gezelligheid met het boerengezin stapt hij voort, vol gepompt met nieuwe energie. Zal hij richting zijn vroegere woonplaats gaan? Mogelijk komt hij daar zijn zoon tegen!

Met deze gedachte loopt hij vrolijk verder, echter niet wetend welke richting hij is ingeslagen. Hij is weer alleen en eenzaam, maar heeft een glimlach om de mond bij de mooie herinnering aan deze Kerstmorgen bij het boerengezin.

Dit kleine beetje geluk heeft hem weer een stuk levensmoed gegeven.

 

© Henk M. van Oosterwijk.

Batterijtjes

Of: De gevolgen van een kater

 

Het gebeurt in de zomer van 2018,

Het wieler comité, dat een wielerronde in Rijen organiseert, haalde in 2017 officieel de naam 'Wielerronde van De Leren Zool' uit de gemeentearchieven en de nieuwe Leren Zool was geboren.

Ik vergaarde in dat jaar de geschiedenis over het oude criterium en schreef het in tien delen in weekblad Gilze-Rijen. Een mooie reclame voor de nieuwe koers.

Dit leidde weer tot een uitnodiging om de wedstrijden te komen bekijken, maar mijn vrouw Riet was toen ernstig ziek en overleed ook in 2017. Dus bedankte ik voor de uitnodiging.

Het wieler comité was me echter niet vergeten en in 2018 kreeg ik een nieuwe uitnodiging met 2 VIP-kaarten.

Hier begint het verhaal.

 

Het is een zonnige zondag in juni, als ik met de auto naar Rijen ga om het wielerfestijn van De Leren Zool mee te maken. Ik parkeer mijn wagen bij mijn nichtje Miriam, wiens man Peter met me mee gaat naar de wedstrijden. Zij wonen vijf minuten lopen van het parcours vandaan.

We bekijken de wielerkoersen vanaf het terras van café ' t Boerke, vlakbij de finish gelegen.

Mijn goede voornemen om geen alcohol te drinken wordt snel verdreven bij het zien van vele kennissen en sportvrienden. We nemen het een tapje na het andere en krijgen zo ons zakken vol (zeggen ze op de Rijen). Als de wedstrijden zijn afgelopen wandelen we met behoorlijk wat biertjes op en zware benen terug naar Peter 's woning.

"Geen probleem, dat je gedronken hebt," verklaart Peter. "Miriam brengt je wel naar Oosterhout. Ik ben morgen vrij, dus kan ik dan je wagen brengen."

En zo geschiedt.

Eerst nog een overvol bord spareribs wegwerken bij Spijs en IJs (vroeger het gezellige café ’t Halve Maantje) en daarna brengen Miriam, achter het stuur, en Peter mij naar de Oosterhoutse haven, De Oude Sluis, waar ik overnacht op mijn boot.

 

Die maandagmorgen word ik pas rond tien uur gewekt door het snerpende gefluit van mijn papagaai Schipper, die vindt dat het hoogtijd is om op te staan. Ik voel een vreselijke kater opkomen. Ik ben niet meer gewend een stevig pintje te drinken en neem me dan ook voor, dit nooit meer te doen. 

"Dat heb ik meer gehoord," zou Riet gezegd hebben.

Dan bezorgt mijn telefoon me weer een pijnscheut in het hoofd. Deze scherpe beltoon is gekozen, omdat Schipper deze niet kan imiteren. In het verleden heeft hij ons al vele malen voor niks naar de telefoon gestuurd.

"Mee Henk van Oosterwijk," reageert Schipper snel.

"Mee Henk van Oosterwijk," herhaal ik en hoor, dat ik Miriam aan de lijn heb.

"Peter kan de auto niet van slot afkrijgen," legt ze uit. "Hij denkt, dat de batterijtjes van de sleutel leeg zijn."

"Heeft hij toch de goeie sleutels?" merk ik op, denkend aan een gebeurtenis op mijn boot.

Zo krijg ik nog een paar telefoontjes van haar het komende uur om me op de hoogte te houden van de situatie in Rijen.

 

Wat is er intussen in huize van Antwerpen zoal aan de gang?

Ook Peter is met een lichte kater wakker geworden en beseft, dat hij beloofde mijn auto tegen tien uur in de Oosterhoutse haven af te leveren. Dus hij staat snel op, kleedt zich aan en pakt de autosleutels van tafel. Bij mijn auto gekomen probeert hij met de afstandsbediening het slot te ontgrendelen, maar na diverse pogingen wordt er geen klik gehoord en blijft de wagen gesloten. Ook met de sleutel zelf gaat de deur niet open.

Hij belt Miriam om te vragen of ze mij belt en vertelt daarbij, dat hij op de fiets even nieuwe batterijen voor de sleutel gaat halen. Hij neemt de damesfiets, die voorin de garage staat. Met een veel te laag zadel en de knieën boven het stuur uitstekend, trapt hij naar supermarkt Jumbo. Ze kunnen hem niet helpen.

Dan fietst hij naar de Emté en ook daar geen goede batterijen. De oversteek naar de Albert Heijn levert ook niets op en teleurgesteld trapt Peter ongemakkelijk weer naar huis. Dan komt hij voorbij Autohuis Rijen, nog geen tweehonderd meter van zijn woning verwijderd. Daar hebben ze wel de juiste batterijen voor hem.

 

Opgewekt stalt hij zijn rijwiel in de garage, gaat naar binnen en verwisselt de batterijen in de autosleutel. We zijn intussen een uur verder.

Drukkend op de sleutel loopt hij naar mijn auto, maar ondanks dat hij vlakbij komt, reageert mijn vervoermiddel niet en houdt zijn deuren hermetisch gesloten.

Peter weet het niet meer.

"Hoe kan dat nou?” mompelt hij in zichzelf. Dan komt hij op een lumineus idee: de achterklep! Via achter kan hij dan in de auto komen en van binnenuit de deuren openen! Waarom heeft hij daar niet eerder aan gedacht?

Hij wil de sleutel in het slot van de achterklep steken, als hij ineens verstard.

Dat vignet achterop, dat is van een Citroen!

Hij kijkt naar de sleutel in zijn hand: Peugeot!

Peugeot verdomme, de sleutels van de wagen van zijn dochter. Die heeft ook een vrije dag en ligt lekker op de bank een boek te lezen.

Peter loopt naar binnen, ziet de Citroënsleutel liggen en wisselt die snel om.

“Gelukkig dat Lynn haar auto nog niet nodig had,” bedenkt hij zich.

Dan opent hij mijn Citroën.

Voor hij de motor start, belt hij nog snel even naar mij met het goede bericht: "Ik heb de wagen open, oom Henk. Ik kom eraan!"

 

© Henk M. van Oosterwijk

De receptie

(Een fragment uit mijn 3e boek: “De spuigaten uit”)


Ge herkent dat wel op een receptie: de sfeer groeit langzaam naar een hoogtepunt, de gesprekken worden steeds heftiger en harder en voordat je er zelf erg in hebt, is er een biertje te veel in genomen. Misschien wel twee! 
En de tijd vliegt!
Plots is de tijd aangebroken, dat je over naar huis gaan moet denken. Niet denken, maar die tijd is dus nu gekomen!
Ik neem afscheid van mijn biljartvrienden, neem nog een laatste voor de dorst, pak er nog eentje op de vriendschap en een laatste op het jubilerende DOB, en stap uiteindelijk niet helemaal zeker van mezelf bij ’t Boerke (op de Rijen) naar buiten.
Het Is al donker! Dus later dan ik dacht. 
Op mijn gemak wandel ik in de richting van onze woonwijk Schoorveken en kies het fietspad, dat achter de huizenblokken door loopt. Volgens mijn waarnemingen en gedachten is dat lopend de kortste weg naar huis. 
Er is echter één probleem: als ik in het rond kijk, lijken alle woonhuizen vreselijk veel op elkaar. Zeker de achtergevels!. De schuurtjes, de gemetselde tussenmuurtjes: het ziet er allemaal hetzelfde uit. En daarbij komt nog de duisternis!
“Potverdorie, die seriebouw!” brom ik in mezelf. “Alles maoken ze ut zelfde. Het is nog enees nie mooi en ge kunt er zo ok hillemaol gin wijs uit!”
Nadenkend over de hedendaagse architectuur, die volgens mij dus ook niet alles is en verbeterd kan worden, loop ik enkele brandgangetjes en fietspaden door en uiteindelijk weer terug. Na wat op en neer gewandeld te hebben zie ik geen poort of achtertuin, die me bekend voor komt of op de onze lijkt.

 

Net als ik geheel in vertwijfeling geraak en mijn zoekactie wil staken, springt plots een hond tegen me aan!
“Hé Bobbie, manneke,” reageer ik. “Bende gij da, jom. Doede gij ut baosje zoeke? Braof beesje, breng het baosje mar us lekker naor huis!”
Bobbie kijkt me met een schuin kopje aan en ik denk, dat hij begrijpt wat ik bedoel. De hond draait zich om en loopt een aantal gangetjes door. Ik er achteraan.
“Nie te rap, jonge,” roep ik nog naar de hond 
Dan hoor ik de stem van mijn vrouw, Riet, roepen: “Bobbie, Bobbie!”
Zij heeft hem uitgelaten en de hond heeft natuurlijk mijn geur opgesnoven en zijn baasje opgezocht.
Goed werk!
Ik volg ons huisdiertje en zie een stukje verder Riet staan.
“Waor komde gij nou vandaon?” vraagt ze niet begrijpend. 
Dus kom ik hoogstwaarschijnlijk uit een verkeerde richting, concludeer ik voor mezelf. Maar nonchalant met mijn arm zwaaiend leg ik het haar duidelijk uit, wat de bedoeling van mijn wandelroute is.
“Ik zij binnendeur gelope,” zeg ik. “Da’s wa korter!”
Ja, ja, zie ik ze knikken, maar ze denkt waarschijnlijk toch wel wat anders!
We lopen onze Bobbie achterna en komen nu wel bij een voor mij bekende poort.
Ik ben thuis!
Zo zie je maar, hoe waardevol het kan zijn om een hond in huis te hebben!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 Klik op: De spuigaten uit.

Het rijbewijs (1967)

(Uit het boek "Mijn jeugdherinneringen")

Mijn vader is een doorzetter.

Als hij iets in z’n kop heeft, dan moet er dat ook komen. En het komt er.

In een eerder hoofdstuk vertelde ik over onze ‘Sprinkie’, de eekhoorn. Die had een buitenkooi nodig en die was in één dag tijd in elkaar getimmerd.

Er moest eens een konijnenberg gemaakt worden. Hij groef een gat van een meter diep en drie bij vier meter groot, voorzag die van ouwe gaas,  gooide het weer dicht en maakte er nog een zandberg op en een omheining bij. De holen groeven de konijnen zelf, maar het stond er binnen een week!

Ja, als hij zich iets voorneemt, dan moet het er komen of gebeuren!

 

We doen een sprong in de tijd: onze Wim en ik hebben allebei ons rijbewijs. En we rijden beiden met plezier een tweedehands autootje.

“Ik gaoj ok autorije,” beslist onze pa op een goede dag.

En ook vader koopt een auto en gaat het bijbehorende rijbewijs halen.

En wel in die genoemde volgorde!

Hij schaft eerst een tweedehands Volkswagen aan, ’n groene Kever. Laat er meteen een dubbele bediening in aanbrengen en gaat er mee lessen!

Vijfenvijftig jaar is hij nou!

Hij neemt lessen in zijn eigen wagen bij rijschool Schellekens uit Dongen, maar wil tussendoor zo veel mogelijk rij-uren maken.

“Henk, jonge,” zegt ie tegen mij, “ge mot ’s mee mijn gaon rije. Dan leer ik ’t wè vlugger en hoef nie zo veul lesse te betaole aon die rijschool.”

En zo geschiedt.

De wet staat het toe, dat iemand met een rijbewijs naast vader gaat zitten en hem laat rijden. Daar is de dubbele bediening voor: de extra rem en extra koppeling!

Dus ik op een zaterdagmiddag met ons vader mee. Hij heeft al wat lessen gehad van de rijschoolhouder en weet dus waar het contact, de gas en de rem zitten. En meer hoefde niet te weten!                   

Wij  met de VW de bossen in. Tenminste, we blijven wel op de verharde wegen. Het asfaltweggetje richting Dorst langs natuurbad Surae is lekker rustig en loopt bij het natuurzwembad rondom de parkeergelegenheden heen. En daar is dus ruimte zat om goed te kunnen oefenen met koppelen en schakelen, gas geven en afremmen.

Alles gaat prima.

Vanuit ons huis in de Ligstraot vertrekken we. Onze pa rijdt na enkele rijschoollessen redelijk goed en loodst ons goed door de Rijen heen.

 

Bij Surae aangekomen wil ik hem – na wat op en neer gerij - leren ‘keren op de weg’.  “Waant  dè ‘s nog ’n zwak punt,” volgens ons vader.

Er is geen fietser of hond in de buurt, dus we hebben alle tijd om het keren te oefenen. Het mee sturen en tegen sturen gaat echter allemaal niet zo vlot, als ik van hem verwacht en ik wordt een beetje ongeduldig.

“Dè is toch nie zo moeilijk pa, aandersom,” zeg ik tegen hem, als hij een stuurfoutje maakt. Maar ik denk, dat mijn uitspraken iets te fel zijn en hem een beetje opjutten! Onze pa kan af en toe ‘kort in de kèr’ zijn!

Plots geeft ie vol gas, denkt dat ie achteruit zal gaan, maar schiet met een ruk naar voren en duikt de langs de weg liggende sloot in! 

En ik ben door die onverwachte actie ook te laat om met die dubbele bediening te remmen! Kunde nagaan, dat er even met God gepraat wordt!

“Hoe kande me nou op zonne weg vlak langs n’n sloot laoten draaien!!!”

Ja, hoe kan ik!

We stappen allebei uit de auto en zien gelukkig, dat het een droge sloot is waar we in zitten.  Geluk bij een ongeluk!

Maar het Kevertje ligt met zijn buik op de grond en zijn voor- en achterwielen hangen vrij boven de berm en de sloot!  Wat nou??!!

Vader loopt eens een paar keer om het wagentje heen en gaat mogelijkheden bedenken om de auto uit de droge sloot te krijgen.

Ik moet van onze pa achter het stuur gaan zitten en zelf kruipt ie op de achterbank zo ver mogelijk naar achteren. Zo probeert hij door zijn gewicht in de schaal te brengen, de achterwielen aan de grond te krijgen.

Maar al gaan we zelfs met  z’n tweeën op de achterbumper staan, het wagentje beweegt helemaal niet; het ligt muurvast op zijn buik in het zand!

Na mij nog het een en ander goed duidelijk te hebben gemaakt over mijn manier van lesgeven, loopt ons vader mopperend naar café De Laat. Dat is een klein kroegeske een paar honderd meter lopen vanaf de plek, waar we vast zitten. Het staat vlak langs de spoorlijn Breda – Rijen bij een onbewaakte overweg.  Even later komt hij met twee schoppen terug: een steekschop en een panneke.

 Zwijgend beginnen we aan het graafwerk en scheppen het zand net zo lang weg onder de volkswagen, totdat de vier wielen de grond raken en er tussen grond en autobodem nog wat ruimte over is.  

Voor het zover is, zijn we weer een groot uurtje en veel zweetdruppels verder!

Ik rijd daarna gemakkelijk de wagen uit de sloot en we brengen de twee schoppen terug naar café De Laat. Daar nemen we nog een limonaadje om toch iets terug te doen voor het lenen van het gereedschap. Daarna rijdt mijn vader zijn Volkswagentje zelf weer foutloos en veilig naar huis.

Niet helemaal foutloos en veilig.

Want wat gebeurt er, als we in de Laagstraat aankomen en vader de auto den dam op wil rijden? Iets heel onschuldigs: we komen een patrouillewagen van de politie tegen!

De politieagent, die alleen in de auto zit, is waarschijnlijk onderweg naar huis voor een bakske koffie: hij heeft ons helemaal niet opgemerkt.

Maar ons vader let wel op de politie en te weinig op onze dam! Hij is even niet geconcentreerd aan het auto besturen!  Hij neemt daardoor de bocht te ruim en schiet op een boom af, die naast onze inrit staat.

Nu zit ik wel met mijn voet op het rempedaal, maar net iets te laat. De VW raakt de boom zachtjes, maar net hard genoeg om een flinke deuk in het linker voorspatbord te veroorzaken!

Met een behoorlijke krachtterm schakelt ons vader achteruit en rijdt alsnog de wagen onze dam op. We stappen uit en kijken eerst, waar de politie gebleven is.

Die is gewoon door gereden! Heeft helemaal niks gezien! Die heeft waarschijnlijk andere zorgen aan zijn kop!

We lopen terug onze werft op om de schade aan het spatbord op te nemen. Een hoop gemopper van ons vader natuurlijk, maar: “Dieje deuk slaoi ik er zelf wel uit,” is zijn conclusie.  En dat doet ie!

Maar ik heb ons vader nooit geen rijles meer hoeven te gegeven!

 

Gied Schaerlaeckens, een ouwe maot van hem, heeft al jaren een rijbewijs. En ondanks dat Gied geen auto heeft en nooit rijdt, geeft hij onze pa de nodige bijlessen. Tenminste: hij neemt plaats naast ons vader in de VW.

“As ik mar iemand neffe me heb zitte meej ’n rijbewijs,” zegt ie tegen anderen. “Ik wit zelf wel, hoe’k mot rije!”

En dat gaat goed, want na een keer of drie vier opgaan heeft vader zijn zo begeerde rijbewijs. Hij sloopt de dubbele bediening uit de auto. Die is nimmer nodig en wordt te koop aangeboden.

Over die dramatische rijles door de bossen en bij Surae: daar hebben we later weer dikwijls om moeten lachen!

En onze pa is blijven rijden tot zijn drieëntachtigste !!!

 

Copyright Henk M. van Oosterwijk.

Boek 'Mijn jeugdherinneringen'te bestellen bij www.boekenbestellen.nl .

 

Een sleur

Wat een sleur

 

Vandaag wordt de 27e bestraling uitgevoerd in het Verbeeten Instituut. Het is een echte sleur voor mij geworden. Elke werkdag naar Breda, soms naar Tilburg. Het kost me zo’n twee uren om op en neer te gaan. Met de voorbereiding thuis mee bijna drie uur! Voor vijf minuten bestraling!

 

Ik begin met tijdig een douche te nemen en daarna gemakkelijke kleding aan te trekken. Dan snel een halve liter water naar binnen werken, ongeveer een uur voor de bestraling.

Wachten op de taxi, die ik veertig minuten voor de bestraling afspreek. Dan naar het Verbeeten Instituut. Als de taxi goed op tijd is en het verkeer niet te druk heb ik in het instituut weer een wachttijd voor ik aan de beurt ben.

 

De bestraling, om de prostaatkanker te doden, is kort.

Je moet op een verstelbare bank gaan liggen. De voeten, knieholten en het hoofd worden op vaste posities ondersteund en de machine wordt afgesteld op de vier tatoeages, die voor de bestraling op mijn lichaam zijn aangebracht. Zo lig ik steeds in dezelfde positie met een volle blaas (halve liter water). Omdat de bestralingsmachine voorzien is van een CT-scanner, worden de vier in mijn prostaat aangebrachte ‘goudmarkers’ (gouden staafjes van ongeveer een halve millimeter rond en halve centimeter lang) op een scherm zichtbaar, zodat de zusters/broeders met grote precisie de plaats van bestraling kunnen vaststellen. Enkele minuten draait dan de bestralingskop om me heen.

Fluitje van een cent, dus!

Uitkleden, bestralen en aankleden is binnen tien minuten gebeurd. Dan de blaas ledigen en weer op mijn vervoermiddel wachten.

 

Het is een dagelijkse sleur geworden, die zich elke dag op verschillende tijdstippen afspeelt. Want een vaste dagelijkse tijd afspreken bij Verbeeten is onmogelijk.

Vandaag word ik voor de zevenentwintigste keer bestraald; er zijn nog acht bestralingen te gaan.

Einde in zicht en als de bijverschijnselen zijn, zoals nu, ben ik dik tevreden.

Tenminste, daarna genezen verklaard worden, dat is uiteraard het einddoel.

 

Ik voel me leeg.

Als een luchtballon hoog in de lucht, waarvan langzaam de luchttemperatuur in de ballon zak en zo geleidelijk hoogte wordt verloren.

Ik heb energie nodig, vuur, om de luchttemperatuur te verhogen en daardoor de ballon te doen stijgen.

Hopelijk komt dat vuur snel.

 

Nog acht bestralingen.

Ik hoop dan te horen, dat het gevecht met de prostaatkanker is overwonnen. Dat de ziekte tenminste onder controle is.

Want zekerheid heb je nooit in dit leven.

  

Leeg.

 

 Ik voel me leeg.

Als een luchtballon hoog in de lucht.

Waarin langzaam de luchttemperatuur zakt.

Geleidelijk wordt hoogte verloren.

Ik heb energie nodig, vuur.

Om de luchttemperatuur te verhogen.

Waardoor de ballon gaat stijgen.

Naar onsterfelijke hoogte.

Hopelijk komt dat vuur snel.

 

Nog acht bestralingen.

Ik wil dan horen,

Dat de strijd in mij

Door de prostaatkanker is verloren.

Dat de ziekte onder controle is.

Ten minste,

Want zekerheid heb je nooit in dit leven.

 

Vakantie?

 

Hoera, morgen vakantie!

Zo voelt het tenminste aan.

Vandaag heb ik voor de 35e keer in de bestralingsmachine van het Verbeeten Instituut gelegen. Voor de laatste keer, neem ik aan.

Een heel juk valt van mijn schouders nu ik niet meer elke dag die trip naar het instituut hoef te maken.

Niets slechts over het Verbeeten. Zowel in Tilburg als in Breda werd ik steeds allervriendelijkst ontvangen. Door de receptionisten, de doctoren, en zeker niet op de laatste plaats de behandelaars. Of moet ik zeggen: de machinisten van het bestralingsapparaat. Fijn personeel van deze zorginstelling hebben ervoor gezorgd, dat ik, en vele anderen met mij, me daar zeven weken lang thuis voelde in dat toch bij het volk berucht staande instituut, waar iedereen wil wegblijven!

 

Maar het is voorbij, over en uit!

Het woord vakantie is eigenlijk niet goed gekozen. Het houdt in, dat er een terugkeer zal zijn en dat wil ik niet.

Over vijf weken heb ik toch weer een gesprek en bloedonderzoek en hoop ik de woorden ‘genezen’ te horen. Definitief met pensioen dus.

Dat is het.

 

 

Bizar

Afgelopen zaterdag maak ik een bizarre, maar toch leuke ervaring mee! Misschien beleefde u ooit ook een dergelijk moment, waarbij droom en werkelijk door elkaar heen verweven zijn. Het herbeleven van een gebeurtenis, als je in een staat van verdoving verkeert.

Bij mij ging dat als volgt.

 

Ik heb een flinke verkoudheid opgelopen en ben deze zaterdag strontziek. Afgelopen zondag trouwens ook nog. Maar die zaterdag, als ik de thermostaat van de verwarming even een graadje hoger heb gezet,  val ik ’s avonds in mijn heerlijke ligstoel voor de teevee in een diepe door de koorts opgedrongen slaap.

Plots schrik ik half wakker. Ik hoor mezelf spelen op de accordeon. Het is echt het geluid van mijn Weltmeister, mijn trekkastje, dat me tegemoet golft. Precies één van die drie liedjes, die ik redelijk kan spelen.

Ik dwing mijn door slaapvet dichtgeplakte oogluiken om zich te openen en met moeite onderscheid ik het tv-scherm. Ik ontwaar een accordeonist en nog wat figuren. Dat is toch niet het filmpje, dat gemaakt is, terwijl ik met de kleinkinderen muziek aan het maken ben? Het lijkt er wel op. Hoe komt dat op teevee?

Ik zie de kinderen om me heen zitten en glimlach om het samenzijn met m’n familie. Dan vallen mijn oogleden weer dicht en luister ik alleen naar de accordeonmuziek. Wat is het toch leuk om samen zo maar iets gezelligs te doen.

Zachtjes dommel ik weer in.

 

Dan is de muziek weg.

Deze muzikale stilte doet me ontwaken uit mijn droom. Ik hoor een man vertellen over een voetbalclub en probeer nu echt wakker te worden. Ik druk op de schakelaar om mijn ligstoel in de zitstand te zetten. Terwijl de zetel langzaam zijn normale houding inneemt, kijk ik toch wat verward om me heen.

Niemand op bezoek.

Een presentator vertelt in een programma over voetbalclub Emmen en ik zie de voetbalsupporters over het scherm paraderen.

Maar hoe kan dat nou?

Ik ben ervan overtuigd, dat ik mijn accordeonmuziek hoorde en de kleinkinderen om me heen zag trommelen en spelen.

Ik ben toch niet gek!?

 

Even ben ik echt de kluts kwijt.

Ik recht de rug en wrijf het vet uit mij ogen. Dan bedenk ik, dat ik van Ziggo dat horizon-apparaat heb, waarmee ik terug kan kijken in het tv-programma. Ik druk op de achteruit-spoelknop en laat het programma teruglopen, totdat ik een accordeon ontwaar. Dan druk ik de stopknop in en laat het verhaal weer vooruitlopen.

Inderdaad klinkt de accordeonmuziek weer door de kamer. Een klank gelijk uit mijn eigen accordeon komt. En mijn liedje, maar niet ik ben aan het muziek maken. Een voor mij vreemde man bespeelt de accordeon, waarschijnlijk een Emmenaar. Hij laat het nummer horen, dat ik samen met de kleinkinderen ooit speelde en wat toen in onze huiskamer is opgenomen op video. De figuren rondom de muzikant zijn niet mijn kleinkinderen, echter wel Emmen-supporters.

 

Even ben ik verbluft.

Heb ik koorts of zo? Ik zag toch duidelijk de kleinkinderen op het scherm en hoorde mijn eigen muziek!

Een hallucinatie?

 

Zo kun je blijkbaar door een paar muziekklanken herinnerd worden aan een mooi moment in je leven.

In je slaap werkt dat door en produceren je hersenen de beelden, die bij het geluid horen.

Voor mij is het toch even een verwarde situatie, misschien ook door de verkoudheid en de koorts.

Ik los het maar snel op met nog maar een extra dutje te doen, dat me in een droomloze slaap laat vallen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

De overgang

Nou mensen, ik kan nu echt meevoelen met de dames, die te maken hebben met de overgang. Ik ondervind het nu zelf aan den lijve!

En dat, terwijl ik al vijfenzeventig jaren tel.

Ik heb de puberteit, de midlife crisis en de pensioensleeftijd overleefd, maar nu zit ik na driekwart eeuw met levensgrote opvliegers!

Hoe dat komt?

Het is een van de middelen in de strijd tegen prostaatkanker. Het begint met dertig dagen pillen slikken en dan om de drie maanden een injectie met een implantaat, die driemaandenlang in mijn lichaam iets met hormonen rotzooit.

 

“Het is een behoorlijk dikke naald, die ik het beste in een vetlaag bij de buik kan inbrengen,” legt mij de vriendelijke zorgzuster van Zoladex uit.

Zoladex is de organisatie, die de spuitjes aan huis komt geven, een soort of ‘homeservice’ dus.

“Op die plek zit vet genoeg,” zeg ik lachend, terwijl ze de naald in mijn huid prikt.

“Geen pijn?” Ze kijkt me aan.

“Niks. Ik voel niks.”

Hoe kan het ook anders, denk ik bij mezelf. Dat vetbandje van mij heeft geen pijnzenuwen.

“Alweer klaar.” Ze pakt haar spullen bij elkaar. Ik trek mijn T-shirt omlaag en neem de spullen van haar aan, die in de vuilnisbak verdwijnen.

“Over drie maanden weer,” stelt ze vast. “Ik bel je wel.”

 

Nu is het bijna drie maanden verder en heb ik, naast de hormoontherapie, alweer achttien bestralingen in het Verbeeten Instituut er op zitten.

Ik ben over de helft, want in totaal krijg ik vijfendertig bestralingen.

Van die radioactieve behandeling heb ik niet zo veel last. Wat vermoeidheid, maar dat wordt opgelost door wandelen. Ja, beweging, daar vecht je mee tegen deze vermoeienis. En een extra dutje, dat helpt ook wel. De darmen zijn af en toe wat in de war en het plassen gaat soms moeilijk. Maar verder blijf ik dezelfde positieve jongen, die ik hiervoor was.

 

Maar die hormonen!

Die opvliegers! Twintig, dertig, veertig keer per dag en nacht vallen ze mijn temperatuursysteem aan.

Zo maar ineens, het zweet op m’n voorhoofd.

Ik krijg dan zin om kledingstukken uit te gooien, maar nog geen vijf minuten later komen koude rillingen over mijn rug. Alle knoopjes gaan weer dicht en af en toe doe ik een vestje aan!

Dan ’s nachts: je kruipt lekker onder de dekens, maar wordt een tijdje later wakker van de kou.

Alle dekens weg!

Natuurlijk weer een opvlieger en dan gooi je alles bloot en krijg je kou! Je trekt de dekens weer over je heen en valt opnieuw in slaap. Dit herhaalt zich nog diverse keren in diezelfde nacht.

 

“Je kunt onder andere opvliegers krijgen en humeurig worden," vertelde mij de oncoloog enkele maanden terug.

“Typisch vrouwelijke kenmerken," zei ik glimlachend en keek de dokter aan. "Krijg ik ook de drang om een jurkje te gaan kopen?"

Je moet je humor altijd behouden, niewaar?

Nu begrijp ik, en heb respect voor al die vrouwen in de overgang. Wat die niet afzweten!

Maar een goede raad: laat je humeur er niet onder lijden. Wordt niet chagrijnig.

Behoud je humor!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Effe een broodje bakken

Ben ik ouderwets?

Ja, een beetje, als ik eerlijk ben. Riet, mijn vrouw, heeft altijd voor het eten en huishouden gezorgd; ik zorgde ervoor, dat er geld in haar portemonnee zat. Niet helemaal waar, want ze heeft best nog een aantal jaren, naast haar werk in de huishouding, bij diverse bedrijven han en span diensten verricht. Maar ik, koken?

Begin jarentachtig heb ik dat wel eens gedaan, maar verder was het Riet die mij elke dag met haar kookkunsten verraste. Ik stam namelijk uit een generatie van: ‘de man op het werk en de vrouw in de keuken’.

Toen Riet ziek werd, ben ik definitief gaan koken en na haar overlijden is uiteraard de gehele keuken van mij. Niet zo gezellig, maar het moet.

 

Zo denk ik vandaag eens lekker broodjes te gaan bakken. Als begin neem ik vier voorgebakken ‘Petit Pains’ vanuit de super mee naar huis. Op de verpakking van deze ‘Pistolet’ lees ik voor alle zekerheid even de bereidwijze. De oven voorverwarmen op 200 graden en dan die voorgebakken broodjes tien tot twaalf minuten in de oven laten.

Fluitje van een cent!

Tenminste, als je een oven hebt. En die heb ik niet!

Wel een magnetronnetje van 700 watt, een Microwave oven, staat erop. Dat moet dus ook gaan, denk ik bij mezelf.

Ik plaats – voorlopig om het uit te testen – één pistolet op het ronde plateau in het oventje, stel het in op maximale warmte (want 200 graden is nogal wat) en zet de tijdklok op tien minuten. Als het brood niet gaar is, kan ik er altijd nog twee minuten bijdoen, is daarbij mijn gedachte. Ik klap het deurtje dicht en de magnetron treedt in werking. Door het glazen deurtje controleer ik nog even, of het plateau met pistolet ronddraait en loop de kamer in naar de teevee om het nieuws te bekijken.

Ik heb toch nog tien minuten, niewaar?

 

Als na enkele minuten onze papagaai Schipper, die op de keukendeur post heeft gevat, naar zijn kooi vliegt, kijk ik even richting open keuken.

Verschrikt veer ik uit mijn fauteuil omhoog. Het lijkt wel of de keuken in brand staat. Ik snel naar mijn magnetronnetje, dat dikke grijze wolken uit haar ventilatiegaten blaast en druk op de knop, die het deurtje opent. Een grijze walm schiet naar buiten en verspreid zich over mijn kookruimte en door een gedeelte van de woonkamer.

En stinken!

Geen wonder, dat Schipper naar zijn kooi vluchtte!

Ik schuif mijn microwave oven onder de afzuigkap, die op volle toeren draait. Langzaam trekt de grijze walm uit de magnetron weg en wordt een zwart hoopje zichtbaar.  Met de frikandellentang grijp ik het ding, dat eens een voorgebakken pistolet was, en houd het snel onder de koude waterkraan. Met een sissend geluid en opnieuw een flinke wolk rook wordt de hitte uit het ‘brood’ verdreven en blijft er een zielig hoopje verbrand deeg in de gootsteen liggen.

Teleurgesteld staar ik naar mijn pistolet. Ik heb zo’n zin in een warm broodje, maar dit zwarte hoopje zal het niet worden.

 

Met alle ventilatieroosters en deuren open duurt het een half uur, voordat de rook uit keuken en kamer verdreven is. Alleen de geur zit nog in mijn neus en hangt waarschijnlijk nog in het woonvertrek.

En nou? Ik heb nog steeds zin in een warm broodje!

Ik ben een volhouder, zet de koekenpan op het gas en verwarm deze zonder er enig vet of boter in te gooien. Als de bodem goed heet is, leg ik er een broodje in. Eentje maar, want ook dit is een experiment. Met de frikandellentang draai ik de pistolet steeds om en probeer daarmee te voorkomen, dat het brood aan de koekenpan vast brandt. Na een paar minuten, als ik denk dat het tijd is om te proeven, draai ik het gas uit en snijd het broodje open.

Ziet er goed uit!

Boter erop, een plakje komijnekaas, en proeven maar. Niet helemaal gaar, maar het smaakt toch prima. Ikzelf vind dit experiment redelijk geslaagd. De twee overgebleven pistolettes zal ik morgen zeker op deze manier, misschien iets langer, gaan bereiden.

 

Mijn microwave oventje heb ik nog even schoongemaakt en uit geprobeerd. Het werkt van geen kant meer! Rijp voor de stort! Eindelijk een reden om een combi te kopen, een magnetron /oven. Een echte dan.

Maar of ik in dat nieuwe kooktoestel een pistolet ga bakken, dat betwijfel ik!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Hoeveel keer nog?

Hoeveel keer nog?"

Deze vraag wordt door mijn taxichauffeuse gesteld, terwijl ze achter haar wagen doorloopt. Ze stapt achter het stuur en kijkt me aan.

"Ik was nu voor de tiende keer," antwoord ik, "nu nog vijfentwintig keer."

"Soo, da's een hele hoop." Ze spreekt met een Rotterdams accent.

"Nog vijf weken dus," zeg ik er achteraan.

Ze start de wagen en rijdt langzaam de oprijlaan van het Verbeeten Instituut af, terwijl haar mond onophoudelijk woorden produceert.

"Ikzelf heb vijf bestralingen gehad. Dat duurde me allemaal te lang hier in Breda. Ik zeg tegen mijn verzekering: joh, ken ik niet naar Rotterdam? En da kon. Maar veel schoot ik er niet mee op. Het scheelde een week. Maar ja, alles is meegenomen als het over kanker gaat. Want die kanker, da weet wat. Mijn man had ook kanker. Hij had wa pijn op zijn borst. Ik zei nog: ga naar de huisarts. Maar nee, de vent had het druk en de pijn viel allemaal nog mee, zeit'ie. Dus hij blijft lope met die pijn en ik denk bij me eige: die krijgt vandaag of morgen een hartaanval. Ik ken die pijn. Ik heb een lichte gehad. Nou doen mijn ribben zeer, maar ik ken het verschil goed tussen ribben en hartpijnnen"

Even houdt ze haar adem in, als we de snelweg oprijden.

"Mijn vrouw......," probeer ik dan, maar mijn chauffeuse ratelt gewoon door zonder naar mij te luisteren of te kijken.

"Hij was eigenwijs. Hij kon al moeilijk slikken en zijn stem werd ook minder.” Er valt even een stilte. “Heb jij pijn?"

Nu draait ze haar gezicht toch mijn richting in.

"Ik euh, nee."

"Hij wel. Uiteindelijk is ie naar de dokter gegaan en die stuurde hem naar de cardioloog. Ken je da? Mot je eerst weer vier weken wachte, voor je daar terecht ken en dan zegt die vent tegen je, dat ie niks aan zijn hart mankeert. Hadde ze verdorie een longfoto gemaakt, dan hadde ze da gezwel tenminste gezien. Maar nu moes ie eerst weer naar een andere dokter. Och, achteraf bekeken was het toch allang te laat. Hij was nie meer te helpe. Maar goed, krijgt mijn dochter ook nog een bestraling. Vijf keer. Toen was dat gelukkig weer goed. En dan komt die hond er nog bij. Wat een rottijd. We ontdekten een groot gezwel bij onze hond. Ook kanker. We waren wel goed verzekerd, maar ze was al oud en die kanker was ook al te ver doorgedrongen. Het beessie had geen kwaliteit van leven meer, dus hebbe se het maar een spuitje gegeve."

We zijn intussen kilometers verder de snelweg afgedraaid en Oosterhout ingereden.

"En uw man," krijg ik er net nog tussen, als ze moet ademhalen.

"Mijn man? Die is binnen twee maande overleje. Een kankergezwel in zijn borst en veel te laat naar de dokter gegaan. Zijn slokdarm was aangetast, zijn lever totaal verkankert en het zat bij hem overal. Je ken natuurlijk nie voor elk pijnscheutje naar de arts, maar hij hèt ’t laten verslonzen. Je weet ’t eigelijk ook nie. Je mot gewoon een beetje geluk hebben. Woont u hier in deze appartementen?"

Ik knik en ze draait het parkeerterrein op.

"Nou, u nog sterkte met die bestralingen. Dat het goed moge aflope."

"U ook sterkte," roep ik, terwijl ik het portier dichtklap.

"En nog een prettige avond," hoor ik haar nog zeggen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Een jaar later

Steeds keren mijn gedachten terug bij dat ene moment. Telkens weer zie ik het gebeuren.

Ik laat ze toen binnen, de uitvaartbroeders.

Nee, een broeder en een zuster. Op een waardige manier en met behulp van een glijlaken schuiven ze Riet van het bed op de baar. Meteen in een grote kunststof zak. De rits gaat half dicht en de broeder vraagt:

“Wil er iemand nog iets zeggen?”

Ja, wat moet ik zeggen?

Riet, doe je ogen open. Zeg, dat het een grapje is en kus me. Dit is onwerkelijk. Ik moet ze overdragen, haar lichaam meegeven aan deze mensen. Maar ik wil ze hier houden. Bij mij, in huis. Haar verzorgen, haar kussen, haar liefkozen.

Ik schud langzaam mijn hoofd. 

Ik ken geen woorden, die bij dit afscheid horen, wat voor mij nog geen afscheid kan zijn. Geen gezegdes, die Riet tot leven wekken. Geen kreet, die haar doet opschrikken, recht zitten en mij omhelzen.

Ik kijk de man aan en hij begrijpt.

Ik buig voorover en kus haar.

Koud!

Wat is ze koud!

Ik schrik ervan, terwijl ik weet dat ze vertrokken is. Weggegaan uit het leven.

Haar leven. Mijn leven.

Onvoorstelbaar! Dit kan niet! 

Om vier uur is ze ingeslapen; straks wordt ze weer wakker en kijkt me met die alles veroverende glimlach aan. Ze kust me, maar .......

Koud.

Haar lippen zijn zo koud.

Het is onwerkelijk, niet te begrijpen.

Onbestaanbaar.

Ik richt me op en knik tegen de uitvaartdienders. De man schuift de ritssluiting van de lijkzak dicht. Ik zie haar gezicht langzaam verdwijnen achter de sluitende rits.

Ze rijden de baar naar buiten, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. Hij weet zich ook geen houding te geven, moet iets doen en helpt zijn oma mee naar buiten. Ze schuiven Riet in de auto.

We staan erbij en kijken ernaar.

Wij, ik, mijn kinderen en kleinkinderen.

De auto vertrekt.

We blijven kijken, totdat het grijze mobiel om de hoek verdwijnt.

"Mijn vrouw is dood," zeg ik tegen een man, die net zijn hond uitlaat en op eerbiedige afstand het tafereel staat gade te slaan.

Hij knikt.

"Gecondoleerd en sterkte," zegt hij en loopt aarzelend verder, zijn hond manend om mee te gaan.

Ik voel me leeg.

Langzaam volg ik de kinderen, terug naar binnen. Fijn, dat ze er allemaal zijn.

Onwerkelijk, dat Riet er niet meer bij is.

 

 

Nu zijn we een jaar verder.

Ik heb af en toe zin om alles binnen handbereik kapot te slaan. Door de lucht te slingeren. In gruzelementen te rammen. Woede komt zomaar in me op en verduistert mijn geest. Het zijn maar seconden; maar wel heftig, pijnlijk en verscheurend. Het snijdt mijn adem af, drukt mijn borst ineen en vertroebelt mijn gevoel voor realiteit. Het duurt maar even. Een, twee, drie seconden. Dan heb ik weer controle over mijn gedachten.

Het is de machteloosheid, die mijn spieren doen verslappen, en met een diepe zucht zakken mijn armen slap weg langs mijn lichaam.

Waarom?

Waarom is Riet overleden?

Wat is de reden, dat zij mijn leven heeft verlaten. We kunnen samen nog zo veel varen, kunnen beleven, kunnen ervaren. Samen van onze ouderdom genieten.

Maar dat mag niet. Dat kan niet.

Ik zie dat verschrikkelijke beeld voor me en hoor de man nog zeggen:

"Wil er iemand nog iets zeggen?"

En dan die rits, die traag haar gezicht doet verdwijnen. De baar, die de gang in geduwd wordt, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. De wegrijdende auto en de man met zijn hond.

Hoe onwerkelijk is dit allemaal.

Opnieuw laait de woede in mij op, bijgestaan door een machteloos gevoel.

 

De dood is definitief.

Riet hield hier op.

Geef het een plek en kom tot rust.

Herinner je de mooie gebeurtenissen met haar.

Mooie woorden, maar realiteit is hard.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Romantiek

Romantiek, wat is dat?

Ik denk, dat dit woord voor ieder mens een andere betekenis heeft. Zeker als we naar de generatieverschillen gaan kijken.

Neem nou mijn eigen kinderen. Hoe zij hun sfeervolle uurtjes met hun vrienden precies indeelden, weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is, hoe zij elkaar ten huwelijk vroegen.

 

Neem nou mijn schoonzoon Bart.

Hij had een restaurantje gereserveerd, zich in een goed pak gestoken en een Rolls Royce naar mijn dochter Susanne haar werk gestuurd, om ze op te halen.

Het meisje wist van niks.

Nou, meisje, ze woonden al tien jaar samen in Almere, een stad ver van haar geboortedorp Rijen vandaan. Susanne stapte in de Rolls uit 1970 en werd naar dat restaurant vervoerd. Daar zat onze Bart te wachten, ging op zijn knieën en vroeg haar ten huwelijk.

Is dat niet romantisch?

We praten er nog steeds over!

 

En dan zoon Raymond.

Hij had heel iets anders in gedachte.

Tijdens een carnavalsfeest stapte hij het podium op en vroeg, ‘of hij effe van de microfoon gebruik kon maoke.”

Dat mocht.

Of het nou zijn zenuwen waren, of de biertjes die hij al genuttigd had: het begon heel onromantisch.

“Wil Monique effe op het podium komen,” schalde het door de luidspeakers, terwijl - tot grote ontsteltenis en hilariteit van zijn vrienden – hij al bijna tien jaar met Lenie samenwoonde!

“Neije, doe toch maar oos Lenie,” herstelde hij zich. Gelukkig meldde Lenie zich en ging ook Raymond op zijn knieën met de woorden: “Wilde gij mee mèn trouwe.”

En dat wilde ze, ondanks de eerdere spreekfout.

Is dat niet romantisch?

Ook hier wordt nog dikwijls om gelachen.

 

Maar dan wijzelf, ons Riet en ik.

Natuurlijk was ik romantisch en hield ontiegelijk veel van haar. Maar onze tijden – in de zestiger jaren van de vorige eeuw – waren heel anders.

We hadden al acht jaar verkering, voor we trouwden, maar samenwonen? Nee, dat was er niet bij. Ge vree gewoon met elkaar en over trouwen werd alleen wat lachend gesproken. Bijna drie jaar woonde Riet bij onze ouders in. Ze had een eigen kamer en ik moest een kamer met mijn broertje Wim delen.

Riet spaarde voor haar uitzet, die netjes op zolder gestald werd tot het eens tot een huwelijk zou komen. Op mijn verjaardag kreeg ik een pollepelrek van haar met de woorden: “Komt straks goed van pas!”

Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit gevraagd heb, of ze met me wilde trouwen.

Op een dag zij ze gewoon: “Ik ben naar de gemeente geweest en heb ons ingeschreven voor een woning!”

Maar ja, in die tijd was er een puntenstelsel en als we die berekeningen toepasten, zouden we op ons drieëndertigste eindelijk een woning krijgen!

We waren toen drieëntwintig!

 

Tot ik van mijn werk thuiskwam en zei: “Riet, we hebben een woning! Van mijne baos.”

En zes weken later waren we getrouwd.

 

Ik romantisch?

Natuurlijk wel. Ge kunt het helaas niet meer aan Riet vragen, maar geloof maar van mij, dat ik een idyllisch magische sfeer kon scheppen, als dat nodig was!

© Henk M. van Oosterwijk

Centje bijverdienen

Het kan soms raar gaan in het leven.

Ik praat nu over de tijd van begin jaren '90. Riet en ik varen een ZM-kruisertje van ongeveer zes meter lang, en onze vrienden Peter en Rietje een Verhoeven-kruiser met een lengte van acht meter zestig. Een Verhoeven-kruiser kent de gemiddelde watersporter wel, maar wat is een ZM-kruiser? Ik zal u uit de droom helpen: het is een Zelf Maaksel. Een polyester onderschip met een houten opbouw. En een plezier dat we met dit bootje, negen jaar lang, gehad hebben. Het is maar goed, dat bootjes niet kunnen praten!

 

Het gaat me echter niet om de kruisers, maar om de bijbootjes. Peter en ik hebben allebei nog een roeibootje met buitenboordmotor.

Zo gebeurt het, dat we samen aangemeerd liggen in het Middelgat van de Plomp, net waar de Sloot van Sint Jan de Plomp instroomt. Het Spaarbekken noemen wij deze plek.

Het is zaterdag en we zitten 's avonds lekker te borrelen, als rond de klok van elf een roeibootje langskomt glijden.

"Meneer," wordt er geroepen, "kunt u ons niet even naar de haven Vissershang slepen. We zijn verdwaald na een dropping. We zijn moe en komen waarschijnlijk te laat binnen." De droppelingen hebben waarschijnlijk onze volgbootjes zien liggen.

Peter reageert als eerste: "vur vijfentwintig gulden sleep ik oe er wel effe naor toe."

Ik kijk hem beduusd aan. Dat kun je toch niet maken.

"Akkoord," klinkt het verrassend uit het roeibootje.

"Vooruitbetalen," antwoord Peter weer. Ik zie een van de mannen naar zijn portemonnee grijpen en een geeltje (nu ongeveer elf euro) aan mijn maat geven.

"Vaorde mee?" Peter kijkt me aan.

"Oké," zeg ik, zoek mijn jas en pet op, want het is op en neer toch een uurtje varen en het kan kouder worden. We binden het dropbootje aan de Pioneer van Peter en weg zijn we.

 

Als we Vissershang naderen, zien we de silhouetten van het kleine vrachtschip van Frans Peeters voor in de haven liggen.

"Koppel ons hier maar af," zegt de betaler zachtjes tegen mij, "want anders ziet de organisatie, dat we gesleept zijn. Dit laatste stukje roeien we wel, dan hebben we waarschijnlijk nog gewonnen ook!"

Peter en ik kijken elkaar lachend aan, gooien de sleeplijn los en keren terug via Spijkerboor en de Sloot van Sint Jan.

 

Halfweg de Sloot ligt een bootje tussen het riet.

"Zijn jullie van de Don Pedro?"

"Kunnen jullie ons naar de haven slepen," klinkt het opnieuw uit het riet. "Hier is vijfentwintig gulden!"

Weer een gedropt gezelschap. 

"Die hebbe de vrouwe al gesproke," merkt Peter op. De vijf gedropten hebben het geld al verzameld, we pikken hun boot aan en slepen de nieuwe klanten weer naar Vissershang.

Als we terugkeren in de Plomp komen we nog diverse bootjes tegen met het verzoek hen te slepen, maar dat wordt door ons geweigerd. Het loopt al tegen één uur en we hebben intussen toch wel wat dorst gekregen.

De twee Rietjes zitten nog lekker aan een wit wijntje, als wij arriveren.

"Zo," zegt Peter tevreden, "effe vèftig gulde verdiend."

"Mar wij hebbe ok geld gebeurd," antwoord Rietje van Peter. "We hebbe die pakke wijn, die nie smôokte, aon de langskomende droppers verkocht en nog wa blikskes bier durbij!"

Eind goed, al goed, en we nemen er nog eentje.

 

Het is twee weken later en we liggen met onze boten op hetzelfde plekje in de Biesbosch, als er een meisjes van rond de veertien jaar met vier kleine meisjes van ongeveer tien, bij onze boten op de wal staan. Het is ook weer rond elf uur en pikkedonker. In de Biesbosch staan geen lantaarnpalen en het is nog eens zwaarbewolkt en 't regent af en toe.

Ze staan er met bemodderde schoenen en laarzen en vertellen ons, dat het groepje te voet door het Biesbosch land gaat. 

Wijzelf zitten met vieren in de boot, omdat het met regelmaat wat nat naar beneden komt.

"Meneer," begint het oudste meisje aarzelend, "we moeten naar het bruggetje van Sint Jan, maar we zijn verdwaald."

"Un dropping?" Ik kijk de groep verbaasd aan. "En te voet? Hedde gullie gin bôtje meegekrege?"

Het meisje schudt haar hoofd.

"Zèn jullie waoter overgestoke?" Ik zie nu dat hun broeken nat zijn.

Het meisje knikt. "En we zijn lastig gevallen door een paar jongens in een bootje!"

Ik zie, dat de kinderen bang zijn.

"Gij zijt nou aon de beurt om taxiboot te speule," hoor ik Peter achter me zeggen. "Eigelijk is ut onverantwôrd om die meiskes met dees weer en zo laot nog ut bos in te sture."

Hij heeft gelijk. Waarschijnlijk zal hun tocht niet door het water bedoeld zijn, maar doordat ze op de vlucht sloegen voor die jongens, zullen ze van het pad zijn afgeweken.

"Stap mar in, dan breng ik jullie wel effe." Ik loop naar mijn bijboot en help de kinderen in te stappen. Het is maar vijf minuten varen naar het bruggetje van Sint Jan, maar te voet kun je daar onmogelijk komen vanuit de plaats waar wij liggen.

 

Even later laat ik de boot tegen de wal naast het bruggetje glijden en de meisjes stappen uit. Op dat moment komen enkele ouderen, waarschijnlijk hun leiders, aanlopen. 

"Jullie zijn in overtreding," moppert de een tegen de kinderen, "en u had ze verdorie niet met de boot moeten brengen," wendt hij zich tot mij.

"Meneer," probeer ik ertussen te komen, maar die man gaat kwaad verder.

"We hebben hier een wedstrijd en die hebt u helemaal verstoord!"

Er volgt nog wat getier, terwijl mijn bloed begint te koken.

"Ge mot us goed luistere," verbreek ik zijn tirade, "Die meide komme nat en angstig bij oos aon. Ze zèn gevlucht vur un paor lastige jongus, zèn dan vermoedelijk  unne sloot overgestôke. Te voet konde ze hier nimmer kome. En gij zegt, da'k ze nie moes brenge? Wie stuurt er mèskes van tien dun Biesbosch in bij naacht? Gullie mot oew eige us nao laote kijke!"

Ik start de motor en vaar zonder om te kijken terug naar ons Rietje.

"De wereld is niet eerlijk," stel ik in mezelf vast, "de een speelt taxiboot en beurt vijftig gulden, de ander doet hetzelfde, maar krijgt op zijn donder."

Ik heb er met Peter en de Rietjes, die er natuurlijk hartelijk om moesten lachen, toch maar een lekker pintje op gepakt.

Copyright  Henk M. van Oosterwijk

Een emmer zweet

Bij de reacties van mijn vorige verhaal ‘Onmacht’ kom ik ene Richard tegen, die me plotseling doet herinneren aan een zweterig voorval. Ik heb dikwijls mensen zien transpireren. Bij zware arbeid, bij te hoge temperatuur in een feestzaal of – zoals vorige week - bij tropische temperaturen.

Zelf kan ik er ook wat van; als ik vorige week maar een balpen verlegde, stroomde het water vanaf mijn achterhoofd de nek in.

U weet, dat ik altijd waargebeurde verhalen schrijf, zoals ikzelf ze herinner. Nou deze geschiedenis overtreft alle zweettaferelen, die je ooit hebt gekend. Luister.

 

Het is in de jaren 80 van de twintigste eeuw.

Voor ik afzwaai als kastelein, heb ik nog een formidabel idee: een kasteleins driebanden biljarttoernooi organiseren onder de Rijense horecaondernemers!

Hoe verzin je het, niewaar.

Café en restauranthouders naar een etablissement lokken om daar vier doordeweekse dagen een onderlinge strijd op het groene laken uit te vechten. Dat moet een feest zijn!

En dat wordt het ook.

Via loting komt het eerste toernooi bij café-restaurant 't Hoekske terecht, momenteel zeer bekend als 't Vermaeck. Jantje Janssen runt samen met zijn vrouw Toos in die tijd de zaak naast de ingang van vliegveld Gilze-Rijen.

Acht kasteleins schrijven in voor dit driebandentoernooi. Ik hoop de juiste namen te noemen, want het archief heb ik indertijd aan anderen overgedragen. 

Volgens mij spelen mee: Louis Nooten van Hotel Nooten, Richard Dreijer van Restaurant Oase, Gerrit Wouters van 't Stationskoffiehuis, Nolleke Vromans van Plankenwammes, Kees Bink van De Drie Linden, Jan van Galen van bar ’t Pulleke (kan ook nog Ton Bierman geweest zijn, toen heette het de Ricardo Bar en na ’t Pulleke werd het ’t Hangijzerke van Helmus Theeuwes. Dit even terzijde.). Verder  Jantje Jansen natuurlijk, en ikzelf van 't Halve Maantje (nu bekend als Spijs en IJs).

Het wordt een grandioos succes en een groot feest, want elke kastelein brengt zijn eigen publiek mee. En leer kasteleins feesten, hè.

Vraag me niet, wie die eerste kampioenstitel gewonnen heeft, want dat kan ik me niet meer herinneren.

Het staat vast, dat dit succes tot een vervolg zal leiden. Het tweede jaar, ik denk bij Hotel Nooten gehouden, schrijven al meer ondernemers zich in en ook horeca uit Gilze meldt zich latere jaren aan.

 

Dan komt het jaar, dat dit biljartcircus in De Drie Linden te Molenschot neerdaalt. Uitbater hiervan is Kees Bink, alom bekend in deze streken. Bij een voorbespreking van dit biljarttoernooi zitten we ’s middags in zijn zaak te vergaderen.

“Een moment,” zegt Kees plots rond kwart voor vier. Hij staat op, loopt naar de bar, pakt een zak snoep en gaat daarmee naar zijn entreedeur. We zien een aantal schoolkinderen buiten staan, die onderweg zijn van school naar huis. Kees deelt snoepjes uit aan hen. Dan sluit hij de deur weer, bergt zijn snoepzak op en zegt tegen ons: “Over tien jaor zèn da allemaol klaante hier!”

Zo zit Kees in elkaar: in de toekomst kijken!

Over hem kun je een boek schrijven. Een serie, denk ik.

 

Omdat er zoveel deelnemers aan het toernooi zijn, laten we een tweede biljart bijplaatsen en ook hier wordt het toernooi met groot succes afgewerkt.

Nu hebt u zijn naam al gelezen: Richard Dreijer. Hij doet vanaf het eerste jaar mee, kan geen hout van biljarten, maar is een kei in goochelen. Tussen het biljarten door vermaakt ie de deelnemers en bezoekers met zijn vingervlugge trucs. Dit jaar gaat hij echter iets speciaals doen: Kees Bink in tweeën zagen! En Kees heeft zijn medewerking beloofd.

 

Na de prijsuitreiking op de slotavond zal de act plaatsvinden.

Met enkele helpers wordt de kist, waarin Kees moet plaatsnemen, naast de biljarttafels opgesteld en de zaag klaar gelegd. Kees krijgt het er al een beetje warm van, maar dat kan ook veroorzaakt zijn door enkele jonge jenevertjes. Met toch vrolijke tegenzin en een hoop geouwehoer stapt Kees in de kist. Bereidwillige handen maken zijn stropdas wat ruimer, zodat onze durfal wat meer lucht kan krijgen. 

Dan gaat de klep van de kist dicht en worden de sloten vergrendeld. Aan het ene eind van de kist steken voeten naar buiten, aan de andere kant het rode hoofd van de kastelein.

Dan verschijnt Ricardo, Richard dus, met een kettingzaag in zijn hand. Hij start het apparaat, dat wordt aangedreven door een benzinemotortje. De lawaai makende, knetterende zaag houdt hij schuin omhoog en geeft enkele keren een stoot vol gas.

Even vraag ik me af, of het slachtoffer in de kist wel een sterk hart heeft en kijk naar het uit het kop-eind stekende hoofd. Het is roder dan vuurrood en het zweet gutst van het gezicht af. ‘t Is net, of er een kraan open staat, zo transpireert de man. De zweetdruppels vormen een ware waterstraal en vormen een plas op de cafévloer.

Ik heb nog nooit iemand zo zien zweten!

 

Kees kijkt met grote ogen naar de kettingzaag en roept: “Da haaije we nie afgesproke!”

Richard laat het gelukkig niet lang duren, schakelt de kettingzaag uit, stelt Kees gerust en begint met de handzaag de werkelijke show en de kist in tweeën te zagen. U hebt de truc waarschijnlijk wel ergens gezien. Twee helften van elkaar af, weer tegen elkaar aan, sloten los en klep open.

En daar komt Kees omhoog, geheel ongeschonden maar wel zeiknat. Zijn witte overhemd kan als een dweil uitgewrongen worden. Volgens mij is hij in deze paar minuten wel een kilo of vijf afgevallen door vochtverlies!

Maar de truc en het toernooi zijn een succes en over de kettingzaag wordt nu - vijfendertig jaar later - nog steeds gelachen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Onmacht

Je hebt kanker.

Je wil dan natuurlijk zo snel mogelijk geholpen worden, maar de praktijk is toch anders. Als ik op 5 juli te horen krijg, dat ik agressieve prostaatkanker heb, ga ik er van uit, dat de ziekte half september uit mijn lichaam verdreven zal zijn. Niets is minder waar en nieuwe afspraken maken met Instituut Verbeeten en ziekenhuis zijn alleen maar tegenvallers voor mij, die wel geestelijk verwerkt moeten worden. Ik ben ook maar een mens.

 

Op donderdag 19 juli zit ik in het Tilburgse Verbeeten Instituut tegenover een vrouwelijke radioloog-oncoloog. Ik ga deze middag met deze dokter de behandelingen doornemen, die het artsen-team voor mij heeft uitgekozen.

"We beginnen met bicalutamide tabletten, een per dag en in totaal dertig dagen lang. Een week na de eerste pil krijg je een hormooninjectie. Deze kuur gaat de groei van de kankercellen in de prostaat afremmen."

Ik knik begrijpend. "Zijn er ook bijwerkingen?"

De dokter knikt bevestigend: “Je kunt onder andere opvliegers krijgen en humeurig worden."

“Typisch vrouwelijke kenmerken," zeg ik glimlachend en kijk de dokter aan. "Krijg ik ook de drang om een jurkje te gaan kopen?"

De arts schiet in de lach en als ze weer wat op adem is gekomen, antwoord ze: "Die bijwerking heb ik nog niet meegemaakt. Maar wel libidoverlies hoort erbij." 

Lachend maakt ze notities.

"Sorry voor de grap in deze situatie, maar ik moet mijn humor niet verliezen. Dat houdt me optimistisch." Ik maak met mijn hand een verontschuldigend gebaar.

"Is goed." Glimlachend kijkt ze op van haar notitieblok en vervolgt: "Dan ga ik een afspraak maken om goudmarkers in de prostaat te laten plaatsen."

"Word ik weer een beetje meer waard," grap ik tussen door. Opnieuw verschijnt er een glimlach op het gezicht van de dokter, maar ze gaat verder met de uitleg.

"Daarna, tenminste een week later, omdat de gemaakte wondjes bij deze ingreep eerst moeten genezen, maken we een MRI- en CT-scan en brengen we een tattoo aan. Dit allemaal om de precieze plaats voor de bestraling te bepalen, zodat we geen andere organen raken, maar alleen de kankercellen vernietigen. En dan beginnen de bestralingen, zeven weken lang elke werkdag. In totaal dus vijfendertig keer. Intussen geven we je elke drie maanden een hormooninjectie. Dit blijven we ongeveer drie jaar doen."

Ik heb het hele verhaal – ondanks de grappen tussendoor – aandachtig aangehoord. Zelf had ik een andere planning in mijn hoofd. Snel beginnen met de bestraling, intussen wat pillen slikken en begin september is Henkie klaar met de bestralingen. Genezen, kanker weg.

Maar nu komt er toch minstens een maandje bij, besef ik.

"Het kan natuurlijk altijd zo zijn, dat we de behandelingen aan de situatie moeten aanpassen,” gaat ze door. “Hoe reageer je op de pillen, injecties en de bestraling? We moeten dat afwachten.”

Ze legt haar pen neer.

Alles duidelijk? Zijn er nog vragen?" De oncoloog kijkt me vriendelijk aan. Ze scheurt haar notities van de blocnote en schuift die over tafel naar mij toe. “Goed, dat ze alles voor me heeft opgeschren, want ik zit hier alleen. Er valt een stilte, want ik laat nu alles eens goed bij me binnenkomen.

"Denk maar even na. Ik ga intussen een paar zaken voor je regelen.” De dokter loopt het kantoor uit, terwijl ik de notities ga bestuderen.

Doktersschrift, bijna onleesbaar.

 

Even later is ze weer terug. "Nog vragen?"

"Ja," begin ik weifelend. "Ik heb uw schrift een beetje proberen te ontcijferen."

De arts glimlacht.

"Met wat ik onthouden heb, ben ik eruit gekomen," ga ik verder. "Ik euh...”

Ik probeer de data van de afgelopen maanden naar boven te halen en ga verder: "In februari heb ik controle gehad bij de uroloog en is alles goed bevonden. De PSA-waarde in mijn bloed was twee jaar terug 17,0 en toen gezakt naar 1,5. Prima dus. Op 23 mei wordt er voor alle zekerheid wat weefsel uit de prostaat gehaald en is de conclusie: agressieve kanker. Drie maanden later! Na een botscan en pas op zesentwintig juni een PET-PSMA-scan krijg ik op 5 juli de mededeling, dat er geen uitzaaiingen zijn. Mooi dus, maar we zijn wel weer een maand verder."

Ik haal even rustig adem en kijk de dokter recht in de ogen.

"Wie garandeert me, nu twee maanden na de vaststelling van de kanker en bijna een maand na de constatering dat er geen uitzaaiingen zijn, dat er nu die nu nog niet zijn?"

De arts gaat meteen hierop in.

"In uw geval zullen uitzaaiingen langzaam komen. Bovendien beginnen we overmorgen meteen met de tabletten, die al remmend werken. Honderd procent garantie kunnen we als arts nooit geven, maar we verwachten geen problemen."

"Oké," ik ben een beetje gerustgesteld. Een beetje.

Met toch nog gemengde gevoelens loop ik naar het secretariaat van de arts.

"Meneer van Oosterhout?"

De secretaresse kijkt me aan.

"Nee," antwoord ik, "van Oosterwijk, maar dat scheelt maar dertig kilometer!" Het is een grapje, dat ik bij dit soort vraag altijd erin gooi.

De secretaresse glimlacht. "Sorry, hoor." Ze kijkt in een stapel paperassen. "Ik kan nu de afspraken niet rond krijgen. Het loopt tegen het einde van de middag, maar ik bel u morgen zeker op."

Ik knik.  "Dat is prima. Tot horens."

Ik loop naar de grote entreehal, bel mijn taxi, die een half uur later voorrijdt om me naar huis te brengen. Echt gelukkig voel ik me niet.

 

Die vrijdag gaat snel voorbij. Broer Wim met zijn vrouw Lia komen op bezoek en we kijken naar de Tour de France. Er komt geen telefoon.

Rond vijf uur komt zoon Raymond binnen.

"Waarom neem je de telefoon niet op, pa? Ik heb wel vijf keer gebeld!"

Ik kijk verrast op. Vijf keer gebeld? Hoe kan dat? Ik heb niets gehoord, terwijl mijn mobieltje voor me op de salontafel ligt. Ik pak de telefoon van tafel. Verdorie, ik heb gisteren het geluid uitgeschakeld. Op het schermpje zie ik, dat het Verbeeten Instituut driemaal gebeld heeft. Ik kijk op de klok. Tien over vijf, te laat om terug te bellen.

Morgen dan maar.

 

Op zaterdagmorgen bel ik het instituut, maar dat is in het weekend gesloten. Dan valt er die middag een enveloppe op de deurmat. Ik open de brief en lees met een opnieuw onrustig gevoel de vermelde afspraken door. Op 29 augustus zullen de goudmarkers geplaatst worden, lees ik, en op 24 september volgen dan de scans. De bestraling zal in Breda plaatsvinden en is nog niet ingepland. Na een kort rekensommetje bedenk ik, dat ik met de bestralingen pas eind november, begin december klaar zal zijn. In een boze reactie smijt ik de enveloppe, brieven en bijgesloten folders door de woonkamer. Dit kan toch niet! En uitzaaiingen? Wat gebeurt daarmee in de komende maanden? Is dit wel in de hand te houden?

Moedeloos raap ik de papieren weer bij elkaar.

 

De onmacht in dit hele gebeuren sloopt me.

Niet lichamelijk, want opvliegers en humeurigheid zijn me tot nu toe bespaard gebleven. Gelukkig bij deze temperatuur van vijfendertig graden!

Maar geestelijk ben ik neergehaald. Gevloerd.

Mijn planning van begin juli, dat ik eind september klaar zal zijn met de bestralingen, valt helemaal in het water.

Een heel weekend loop ik rond met allerlei gedachten en twijfels.

Op maandag bel ik naar het Verbeeten Instituut, maar dat verandert niets aan de situatie.

“De doctoren weten wel, waar ze mee bezig zijn,” krijg ik te horen. “En de scans kunnen niet eerder ingepland worden.”

Het stelt me niet gerust en ik bel de huisarts.

De dood, daar ben ik niet bang voor. Maar de familie. De gedachte aan kleinkinderen en kinderen geven me kracht.

Daarbij moet ik niet zo dramatisch doen, want vijfennegentig procent van mannen met prostaatkanker wordt genezen verklaard.

“En bovendien,” vertelt mijn huisarts me, “zijn er oude mannen aan allerlei kwaaltjes gestorven, die - na sectie - ook nog prostaatkanker bleken te hebben.”

Dus waarom maak ik me druk?

 

Intussen ben ik al meer dan een week met mijn pillen kuur bezig, waardoor de groei van de kankercellen geremd wordt, en heb ik afgelopen vrijdag (27 juli) de eerste hormooninjectie gehad.

Wat kan me gebeuren?

Eind december zit ik aan het Kerstdiner weer gulzig een groot stuk kalkoen weg te werken met een lekker glaasje wijn in de hand.

Genezen verklaard.

© Henk M. van Oosterwijk