Advertentie:

Klik op de advertentie. Advertentie plaatsen: mail hevanoos@ziggo.nl
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR U: Klik op de boeken voor meer informatie. .

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

09-05-2020:  Het boek voor Moeder en Dochter

16-04-2020:  Oud

26-03-2020:  Hoe kom ik op teevee?

15-03-2020:  Goede daad in Oertijd

02-03-2020:  Angstige momenten

19-02-2020: Thee drinken

31-01-2020:  Het achterlicht

02-10-2019:  Wat is geluk?

20-09-2019:  Oos ma zeej aaltij

23-08-2019:  Drie gangen menu en Docqmans

23-07-2019:  Paniek!

26-06-2019: Lasse baste, pa!

11-05-2019:  Bij de Marine

26-04-2019:  Persberichten

19-04-2019:  Acrobatiek

25-03-2019:  Hondenbeet

04-02-2019:  't Plekkie van het Lege Bekkie

30-01-2019:  Olympisch Goud op de Rije

20-01-2019:  Onze huiskrekel

15-01-2019:  Onze Ouders

07-01-2019:  Schrobbelèr

 

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

 

Het boek voor Moeder en Dochter

Of: Hoe een man zijn vrouw graag ziet.

 

Van mijn 7e boek "De dood als vijand" is nu het laatste hoofdstuk geschreven en de tijd van corrigeren en herschrijven is aangebroken.

Even de tijd om mijn zinnen te verzetten en omdat ik in deze corona-tijd niet de deur uit mag, ben ik mijn boekenkast maar eens in kaart gaan brengen.

En wat kom ik tegen?

Het zakboekje, of liever gezegd: het tasboekje "Het boek voor moeder en dochter", met als ondertitel: " Volledig onderricht in alles wat ene vrouw, als huishoudster en moeder dient te weten." 

Zo, een mondvol.

De uitgave is kerkelijk goedgekeurd en geschreven door een R.K. Priester "naar de gegevens van ervaren huisvrouwen, geneesheeren en opvoedkundigen".

Als u enige vreemde spellingswijze in mijn zinnen opmerkt, komt dit, omdat ik het letterlijk uit dit boekje heb oovergenomen. Het is namelijk uitgegeven in 1906, maar ik heb de 5e druk van 1923 voor me liggen.

 

In het voorwoord zegt Z.H. Paus Leo XIII: " Het is een onloochenbaar feit, dat de oorzaak van velerlei maatschappelijke misstanden moet gezocht worden in de gebrekkige inrichting der huisgezinnen, in de onbekwaamheid van vele huisvrouwen en in de verwaarloosde opvoeding der kinderen."

Voor zover Leo Dertien.

Zo, die is raak!

Ik heb het altijd wel gedacht: die huisvrouwen!

We zijn nu 100 jaar verder, en wat is er veranderd?

Niets.

Veel misstanden in onze maatschappij ontstaan uit karaktervorming en opvoeding van onze kinderen. Ik wil alleen niet zo ver gaan als onze pauselijke Leo en er alleen de huisvrouwen de schuld van geven. De tijd van "de vrouw heeft maar een recht: het aanrecht" is intussen wel voorbij en ook de man moet zijn deel van de schuld maar opeisen.

Zo, dat is gezegd, dames.

 

Honderd jaar terug, had de Roomse kern hier toch andere gedachten over. Anders hadden ze ‘Het boek voor moeder en dochter’ niet geschreven.

Paus Leo gaat verder: "Vroeger leerden bijna alle meisjes de huishoudkunde in den huiselijke kring. De levensomstandigheden zijn echter heden ten dage zoo gewijzigd, dat betrekkelijk weinig toekomstige huisvrouwen de noodzakelijke kundigheden voor hare roeping van hare moeder leren. Voor zulke huisvrouwen en meisjes, die niet de gelegenheid hadden een grondig onderricht in het huishouden te ontvangen, is dit boekje op de allereerste plaats bestemd."

1923 hè!

Bijna honderd jaar geleden. Is er iets veranderd dan? Mijn eerste conclusie uit deze woorden: de vrouwen zijn er schuldig aan, dat de maatschappij zo verrot in elkaar zit, niewaar? Volgens Leo!

En nu heb ik pas het voorwoord gelezen. Ik ben erg benieuwd, wat de schrijver, zijnde een R.K. Priester, verder in de komende 350 pagina's te vertellen heeft over huisvrouwen en meisjes.

Kan hij daar verstand van hebben?

 

Als ik onderstaande tekst aan mijn eigen Rietje had voorgelezen, dan zou ik, of een boze vrouw, of een hartelijk lachende vrouw gezien hebben. Net in welke stemming ze dan verkeerde. Leest u het zelf maar.

 

De inleiding.

 

Na het voorwoord van paus Leo XIII komt in het boekje de inleiding, die begint met:

“De huisvrouw heeft het huiselijk geluk in handen. Wanneer zij hare plichten van echtgenoote, huisvrouw en moeder goed kent en die steeds in beoefening brengt, dan alleen kan er van huiselijk geluk sprake zijn.”

Kijk, komen toch weer hare plichten naar voren. Ook in de inleiding spreekt ‘de priester’ niet over de man, alleen voert hij tot slot het spreekwoord aan:

Goede vrouwen maken goede mannen.

 

Dan beginnen de lessen.

In het eerste hoofdstukje “Hoedanigheden eener goede huisvrouw; zij moet aan de volgende voorwaarden voldoen” (ik heb het een beetje ingekort):

Zij is vóór alles godsdienstig; aan God’s zegen is alles gelegen.

Zij koestert een oprechte liefde jegens haar man. Zij tracht op alle mogelijke wijzen hem het leven aangenaam te maken.

Zij is onbaatzuchtig. Gaarne onderdrukt zij hare eigen wenschen om die van haar man te volbrengen.

Zij is geduldig en weet de fouten van anderen te verdragen. Wanneer soms de huiselijke vrede dreigt verstoord te worden, weet zij wijselijk te zwijgen.

Zij is oprecht en openhartig.

Zij is vredelievend en zachtmoedig.

Zij is altijd vriendelijk en opgeruimd.

Zo is zij een waarlijk aangename levensgezellin voor haren man, een liefderijke, zorgzame moeder voor haar kinderen.”

 

Hé, dat moeten veel vrouwen eens op hun bucketlist zetten. Of niet?

En dan die slotzin:

“Een flinke, arbeidzame vrouw kan het huishouden tot zekeren bloei brengen, zelfs al zou de man hiertoe niet altijd medewerken.”

 

“Ziede wel,” zeg ik als Brabander, “wij, mannuh, hoeve dur niks vur te doen. Oos vrouw môkt oos gewôôn gelukkig.”

 

Ik heb het boekje uitgelezen, maar zal u er verder niet mee lastig vallen. Alles staat erin. Hoe ge met biervlekken om moet gaan, hoe je moet voorkomen dat slaolie dik wordt. Het breien, stoppen, mazen, naaien, knippen en verstellen. Wassen, stijven en strijken. Je kunt het niet opnoemen, of het is uitgelegd.

Maar niets over seks, waar een man toch echt gelukkig van wordt, niewaar? Helemaal niks over de liefde bedrijven, vrijen, enzovoort. Even vind ik het woord Gummi artikelen. Ik denk nog: nou gaat het gebeuren.

Niks van dat alles, er staat:

“Gummi artikelen, die hun elasticiteit verloren hebben, legge men een half uur in een mengsel van twee deelen water en een deel ammoniak. Ze zijn dan weer als nieuw.”

 

Houdoe.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Oud

 

Ik ben vanmorgen opgestaan

Vanavond ga ik weer naar bed

Wat heb ik heel de dag gedaan

Ik heb er echt niet op gelet

 

 

Krantje lezen, koffiedrinken

Mail na kijken, Facebook linken

Dan nodige boodschappen doen

Rondje lopen, langs puinhopen

Whisky kopen, veter knopen

Thuiskomen en jas uit doen

 

Eten en teevee aanzetten

Languit in de luie stoel

Met een vreemd vermoeid gevoel

Niet vergeten: de tabletten

 

Laatste nieuws en weer naar bed

Ik heb het weer een dag gered

Oud worden was ooit de wens

Oud zijn is lijk een telelens

Je haalt het verleden naderbij

Maar de dood is dichterbij 

                                        © Henk M. van Oosterwijk

Hoe kom ik op teevee?

Ik heb wel wat pogingen gedaan.

In 2013 kwam mijn eerste boek uit, al snel gevolgd door het tweede, en intussen is boek 7 al voor negentig procent af. Dat wil niet zeggen, dat het volgende week al klaar is want als de laatste punt is gezet, komt de fase van corrigeren, stukjes herschrijven en weer nakijken. Bij dat nakijken worden er weer deeltjes herschreven of gewijzigd. Als tenslotte de proefdruk op tafel ligt, volgt nog eens een ronde van drie maal lezen en taalcorrecties aanbrengen en daarna wordt het boek pas definitief.

Dan blijkt later, als ik het nog eens lees, dat er toch nog wat kleine foutjes inzitten, maar who cares?

 

Nou heb ik diverse keren geprobeerd om mijn boeken bij diverse praatprogramma’s op teevee onder de aandacht te brengen. Niet opdringerig. Gewoon een boek opsturen en afwachten. Wat denk je? Geen enkele reactie! Zelfs geen mailtje, dat het in goede orde ontvangen is!

Maakt me niet uit, want ik hoef er niet van te leven. Ik krijg mijn natje en droogje toch wel op tijd. Zelfs tijdens deze Corona tijd.

Ik had het echter wel normaal gevonden, als ze mij berichten, dat ze niets met mijn boeken konden. Is wel zo netjes, niewaar.

Er zijn toch een hoop mensen, die van mijn boeken en korte verhalen genieten. Mijn doelgroep ligt wel bij de 50-plussers, zeventig procent dames, en dan nog wat jongeren erbij.

Ik ben er mee tevreden, maar blijf boeken sturen naar de media.

 

Nou ben ik in het verleden wel op teevee geweest.

Niet dat ik daar trots op ben, maar – na eerst mezelf erg kwaad te maken en op te winden – heb ik daarna veel lol gehad om deze optredens.

Omdat ik ze na het eerste interview op Omroep Brant TV niet meer serieus nam.

Ik zal het u vertellen.

 

Vanaf 1993 organiseerde ik accordeon festivals. Samen met accordeonist Rini Marijnissen deed ik er zestien in Rijen en veertien in Gilze; en samen met de watersportvereniging kwamen er tien in Hank.

Totaal veertig stuks dus.

Zo gebeurde het in 2013 dat er een festival in Hank was. Tot mijn grote verwondering verscheen er plotseling een verslaggever met camera van Omroep Brabant, die – onaangekondigd - om een interview vroeg.

Natuurlijk kon dat.

Hoewel ze in het verleden nooit interesse hadden getoond, op een keer of twee na door hun afdeling Radio, stemde ik toe. De streekkranten schreven in die tijd volop over onze festivals.

 

Het was een normaal gesprek.

Ik vertelde de cameraman, want hij was alleen, over het wel en wee van onze accordeonfestivals, totdat de man liet merken, dat hij genoeg stof had voor zijn programma.

Op woensdag na die bewuste zondag werd ons festival uitgezonden op Omroep Brabant.

En wat denk je? Het ging niet over de prachtige accordeonmuziek en het plezier dat een volle zaal hiervan had. Nee, de hoofdzaak was, dat er te weinig accordeonmuziek vanuit Hilversum de ether werd ingestuurd!

Eén zinnetje had ik daar over gezegd. Letterlijk: “Met deze festivals promoten wij de accordeon, want Hilversum draait weinig accordeonmuziek.”

Deze zin gebruikte die cameraman, om de vraag aan een aantal accordeonisten en bezoekers te stellen: “Vinden jullie, dat Hilversum te weinig accordeonmuziek uitzendt?”

Natuurlijk vonden ze dat.

Het tv-programma ging niet over onze muziek, maar Hilversum werd aangevallen!

 

Nou, de volgende dag brak de hel los.

Radio Brabant belde me om wat vragen te stellen. Diverse DJ’s uit Hilversum kreeg ik aan de lijn en zat ineens live in hun programma’s. Allen met de vraag, waarom ik vond, dat ze geen accordeonmuziek draaiden. Dat deden ze ook niet, vertelden ze me, want dat was ouderwets enzovoort.

Maar ik had wel een aanval op mij verwacht, alleen niet zo groot. Ik was toch een beetje voorbereid.

“Wat denken jullie van onze Nederlandse pop-bandjes,” was steeds mijn antwoord. “Elke band heeft een accordeon. Rowwe Hèze, De Dijk, Pater Moeskroen, Doe Maar. Moet ik er nog meer opnoemen?”

Dan was het even stil aan de andere kant van de lijn. Gelukkig maar, want ik wist er niet meer op te noemen. Niet dat ik ze niet kende, maar ik ben slecht in namen onthouden.

Daarna bestookten ze met allerlei vragen, die ik lachend wegwuifde.

 

Toen kwam de teevee.

Ongevraagd, zo maar uit zichzelf.

BNN luisterde de radio’s blijkbaar af en hadden ook TV Brabant gezien. Ze belden, of ze even langs mochten komen, rond half zeven, want ze zaten in de buurt. In Waalwijk. Dan kon hun interview om acht uur nog uitgezonden worden.

Kom maar.

Ik ben er klaar voor.

 

Om tien voor half zeven vielen ze binnen.

Een voor mij onbekende presentator, T-shirt aan en gewapend met een microfoon, en een cameravrouw. Dat jonge BNN-gastje zit nu - na zeven jaar – bij het NOS-nieuws in pak, overhemd en stropdas, en is waarschijnlijk volwassen geworden.

Ik zat in de bank met – expres – een fles bier in de hand. Ik had overigens niet gedronken.

De jongeman probeerde me te interviewen, maar ik vroeg hem:

“Ok un fleske bier?” En deed aanstalten om omhoog te komen.

“Nee, dank u meneer, ik drink niet tijdens mijn werk.” Hij ging verder met zijn vragen over Hilversum en de accordeon. Ik gaf dan wel een of ander stom antwoord en vroeg telkens aan hem:

“Motte echt niks drinke?” Terwijl ikzelf een lekkere slok Amstel nam.

Hij voelde zich niet zo lekker bij dit gesprek. Een kwartier duurde deze komedie en toen verdween het stel met toch een bedankje.

 

“Da slaot hillemaol nergus op,” roept Riet, mijn vrouw, uit, toen de teeveeploeg verdwenen was. “as da op teevee komt, dan wit ik ut nimmer.”

“Och Riet,” antwoordde ik, “Omroep Brabant môkt irst un programma, da zo gemonteerd is, da’t nie weergift wè ik bedoel. ‘k Hè de rest un goeie veeg uit de pan gegéve. Dees komt toch nie op teevee.”

 

Toch zetten we tegen acht uur die avond even de teevee op Nederland 3, BNN dus.

Tot onze verbazing zien we onszelf op ons toestel!

Anderhalf minuut, van de vijftien minuten opname. Het gesprek in flarden geknipt. “Motte echt niks drinke?” eruit gelaten. Het flesje bier van mij wel in beeld.

Ik heb gelachen, maar Riet was er niet blij mee.

“Wa motte de meese welnie van oe denke meej da bier in oew haande,” zei ze bestraffend.

“Môkt me niks uit,” antwoordde ik, “mar ik ben op de laandelukke telleviesie gewiest.”

Dat wel, natuurlijk. Nou nog met mijn boeken.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Goede daad in de Oertijd

Sommige mensen vinden de kleinste dingen.

Mijn vrouw Riet vond ook allerlei kleine dingen, zoals dubbeltjes of andere voorwerpen. Zij liep dan ook altijd naar de grond te staren, zelfs in een drukke winkelstraat. Tegenliggers moesten voor haar uitwijken, want die zag ze niet!.

Ik vind nooit niks.

Nee, ik moet zeggen: nooit iets. Want nooit niks is altijd wat. (Heb ik niet van mezelf).

Maar nu mijn verhaal.

 

Half februari dit jaar (2020) ben ik op vakantie met Ria en Peter. We hebben een huisje gehuurd op het park Hanzedal in Borger, gelegen in onze mooie Nederlandse provincie Drenthe. Van daaruit gaan we Veenhuizen (ik heb er even gezeten, op een stoel welteverstaan) bekijken, Kamp Westerbork bezoeken en natuurlijk de hunebedden in Borger bestuderen. Deze laatste staan een steenworp van ons vakantieadres vandaan.

Als we daar aankomen, krijgen we te horen, dat op deze plek ook de IJstijd en de Oertijd te bestuderen zijn. Nadat we het grootste Hunebed van Nederland en de bijbehorende museumhal bekeken hebben, best interessant overigens, gaan we eens kijken of er nog iets te leren valt over de IJstijd, het Bronzen Tijdperk en het IJzeren Tijdperk.

Bij onze rondgang in de Oertijd komen we bij een waterpomp, die overigens geen 20.000 jaar maar misschien honderd jaar oud is.

 

Plotseling bukt Peter zich en raapt een klein voorwerp op, dat verborgen ligt tussen hoog opgegroeid gras. In die tijd hadden ze waarschijnlijk nog geen grasmaaiers.

Als ik ooit iets zie liggen, schop ik er meestal eerst even tegenaan, zodat het wegrolt en ik beter kan zien of het waardeloos of waardevol is. Gelukkig doet Peter dat niet.

“Un hoorapperaot,” roept hij naar ons, Ria en mij. “Ja, echt, un hoorapperaot!”

Ik schiet in de lach. Een hoorapparaat? Wie verliest er nou zijn hoorapparaat!

“Zal wel kapot zijn,” zeg ik lachend, “en hèt de eigenaor ut hier gedumpt.”

“Neije, volges mijn is ie nog himmel heel.” Peter bekijkt het ding eens goed en steekt het apparaatje triomfantelijk omhoog.

“Wa mot ur nou meej?” Ik kijk hem vragend aan.

“Bij de receptie afgeve,” is zijn simpel antwoord en hij steekt het ding in zijn zak.

 

Als we ons rondje afgemaakt hebben, meldt Peter zich bij de receptie om zijn vondst af te geven.

“De man, die erover gaat, is er even niet,” legt de receptioniste uit, “maar ik zal het hem zo dadelijk geven.”

‘Afgewerkt. Daar horen we nooit iets meer van,’ denk ik bij mezelf. Naast de receptie bevindt zich een kantine, waar we een lekker warm bakske koffie kunnen drinken. Dat doen we dus, want het was best fris in die Oertijd!

 

Twintig minuten later lopen we het horecalokaal weer uit. Voordat we de draaideur in de ontvangsthal bereiken, horen we achter ons een stem.

“Bent u die meneer van het hoorapparaat?”

We blijven staan en Peter loopt terug naar de receptie, die nu door een man wordt bezet.

“De eigenaar van het hoorapparaat is u erg dankbaar, meneer,” hoor ik de receptionist zeggen. “Hij heeft deze morgen bij mij gemeld, dat hij het apparaatje kwijt was en heeft zijn telefoonnummer hier achtergelaten. Ik heb hem net gebeld en hij is dolgelukkig.”

Mooi toch, en begrijpelijk nu.

Als we weer naar de uitgang lopen zegt Peter: “Zo, ik heb mijn goede daad voor vandaag weer gedaan.”

En zo is het.

 

‘Ik zal toch ook een beetje beter op gaan letten,’ denk ik in mezelf. Maar of dat resultaat op levert? Ik weet het niet.

Sommigen zijn ervoor geboren om allerlei dingen te vinden! Zo ook Peter.

© Henk M. van Oosterwijk

Angstige momenten

Het moet in 1993 zijn geweest.

Riet en ik varen dan al twee jaar lang in ons eerste bootje ‘Dagaonogal’ rond in de Biesbosch en ver daarbuiten. Ons vaartuigje is een polyester plezierjachtje met een houten opbouw en zes en een halve meter lang. Inclusief de buitenboordmotor dan.

Dit jaar hebben we besloten, samen met Peter en Rietje van de ‘Don Pedro’, een acht en een halve meter lange stalen Verhoefkruiser, via Arnhem naar Giethoorn te varen. We hebben vier weken vakantie, dus kunnen we een leuke route maken. We hebben beide een 27 MC-bakkie aan boord, zodat we tijdens het varen met elkaar kunnen praten. Meestal is het onzin wat we elkaar vertellen, maar we maken over het bakkie ook afspraken om aan te leggen, of soms om verder te varen naar een volgende haven.

 

Vanuit Hank varen we via de Biesbosch en de Merwede naar Gorkum, trekken door het Merwede-kanaal naar Vianen en draaien daar de Lek op richting Arnhem om eerst in Wijk bij Duurstede aan te meren. Ik vertel het gemakkelijk, maar we varen er drie dagen over.

Voor de vakantie heb ik nog een andere buitenboordmotor op ons bootje aangebracht: de Yamaha 15 PK vervangen door een 25 PK Evinrude. Deze motor is natuurlijk sterker, maar heeft – blijkt in onze vakantie – nogal wat benzine nodig om aan zijn PK’s te komen.

Zes liter per uur!

Ik heb het bij thuiskomst nog eens nagerekend, maar voor het bedrag aan benzine hadden we een retourtje New York met het vliegtuig kunnen nemen!

De benzinetank in mijn jachtje herbergt slechts vierentwintig liter benzine, dus heb ik een aantal jerrycans aangeschaft om niet elke dag naar een benzinepomp te moeten gaan zoeken.

 

We hebben dus in Vianen overnacht en draaien de sluis uit naar stuurboord de Lek op met als doel Wijk bij Duurstede. Na ongeveer drie kilometer stroomopwaarts varen ligt sluis Hagestein voor ons, met ernaast de grote stuw Hagestein. De laatste moet het water in de Lek op peil houden en bij veel water toevoer uit Duitsland ontstaat daar een behoorlijk snelle stroming. Het is niet zo druk bij de sluis en we worden snel geschut.

“As we de sluis un stukske vurbij zèn,” zeg ik tegen mijn vrouw Riet, “dan zal ik irst de benzinetank us bijvullen, want da he’k in de haove nimmer gedaon.”

Ze knikt en gaat meteen aan het werk. Riet draait het gasvlammetje uit van de koelkist om brand te voorkomen. Ze haalt de zitkussens van de achterbank af en gooit het luik bij de tank open. Terwijl ik de Dagaonogal de sluis uitvaar haalt ze al twee jerrycans van tien liter uit een andere kist en zet die klaar bij het open luik. We zijn de uitvaart van de sluis uit en zitten midden op de rivier, als plots de buitenboordmotor stilvalt. Ik probeer nog tweemaal het ding op te starten, maar tevergeefs.

 

“Benzine op!” roep ik naar Riet en kijk om me heen, of er schepen bij ons in de buurt zijn.

Gelukkig niet!

Het bootje drijft nog slechts enkele seconden vooruit, maar wordt dan door de stroming teruggeduwd richting stuw.

“Hallo Peter,” roep ik snel over het bakkie, ”benzine is op. We drijve naor de stuw toe!”

Ik wacht niet op antwoord.

Riet heeft onderwijl de afsluitdop van de benzinetank gedraaid en ik pak een jerrycan, draai de dop eraf en de schenktuit erop en schuif die in de tank.

Intussen drijft onze boot met een snelheid van ongeveer zes kilometer per uur naar de waterval van de stuw toe.

“Henk, snel, want aanders is’t te laot,” roept Riet tegen mij.

Ik gooi niet de hele kan erin en loop naar mijn roer. Vlug druk ik de elektrische starter in.

Niets!

Ik probeer het nog een keer, maar nu houd ik de knop ingedrukt, omdat ik besef, dat de benzine slangen ook leeg zijn. Maar weer wil de motor niet aanslaan.

De stuw komt steeds dichterbij.

Nog eens druk ik op de starter en op het moment, dat Peter en Rietje onze boot enteren, slaat de motor aan. In een poging om de lijn weer los te maken, komt Rietje nog met haar handen tussen de twee boten, maar gelukkig valt de verwonding mee.

Ik geef even een flinke stoot gas en schakel dan voorruit, terwijl ik het roer omgooi. We draaien weg van de stuw. Ook Peter heeft zijn boot gekeerd.

Als ik omkijk, zie ik, dat we nog maar vijfentwintig à dertig meter van de stuw vandaan waren.

We hebben het gered!

 

Op een plezierboot moet je goed op elkaar ingesteld zijn. Als Riet niet meteen alles in gereedheid had gebracht om de tank bij te vullen, had het slechter kunnen aflopen.

Maar ook de snelle reactie van Peter en Rietje was perfect. Zij keerden bij mijn oproep meteen hun boot en hadden ons waarschijnlijk tijdig kunnen enteren.

 

Eind goed, al goed.

Op naar Wijk bij Duurstede om er een lekker koel biertje op in te nemen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Thee drinken

Het gebeurt op vrijdag 30 augustus in het jaar 2013.

Riet en ik zijn met onze boot de MS Dagaonogal op onze terugreis van de ruim drie maanden lange zomervakantie. De Maas afzakkend richting België hebben we in Frankrijk Dory en Ad opgepikt in het mooie stadje Charleville-Mezières. Van daaruit varen we door het mooiste stukje Maas, passeren bij Chivet de grens en uiteindelijk leggen we aan in Wallonië, in de mooie stad Dinant. Vanuit onze ligplaats kijken we tegen de prachtige Citadel op. Dit is een verdedigingswerk aan de Maas, dat in het begin van de 19e eeuw door onze koning Willem I nog geheel gerenoveerd is en verstevigd tegen mogelijke aanvallen van Franrijk of Duitsland.

 

We gaan de stad eens bekijken.

Bij een temperatuur van 26 graden Celsius lopen we op ons gemak langs de winkels van Dinant. We kopen ansichtkaarten en enkele kleinigheden.

Als ik even van ons groepje vandaan loop, je kent dat getreuzel van de dames voor en in de winkels wel, wordt ik in het Frans aangesproken door een blonde dame van middelbare leeftijd. Erg bijzonder of knap ziet ze er niet uit. Niet mijn smaak, tenminste.

Zij herhaalt de zin enkele malen in het Frans, maar ik begrijp er niets van.

“Nichts verstehen!” antwoordt ik haar en haal mijn schouders op.

Dan verandert ze van taal en zegt:

“Kommen sie mit? Bei mir thee trinken?”  Ze kijkt me vragend en een beetje verleidend aan.

“ik verstaoj oe nie,” zeg ik in plat Brabants.

Ze kijkt me vragend aan. Waarschijnlijk verstaat ze geen Brabants, dat ik natuurlijk misbruik om met haar te dollen.

Langzaam loop ik door, maar ze volgt me.

“Du, mit mir,” en ze wijst met haar vinger naar haar borst, “” mit kommen. Thee trinken?”

 Ik antwoord maar niet en loop sneller door. De dame geeft het op en nog geen twee meter verder kan ik mijn lach niet houden. Ik kijk om, maar het vrouwtje is al in het winkelende volk opgelost. Ik voel nog snel aan mijn kontzak, maar de portemonnee zit er nog. Dus loop ik glimlachend door.

“Wa moest da vrouwke van jou?” vraagt Ad aan mij, die de korte ontmoeting met de blonde heeft opgemerkt.

“Thee drinken,” antwoord ik en kijk hem lachend aan. “Maar ik drink nooit thee!”

Ad kijkt even niet begrijpend, maar dan moet ook hij grijnzen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Mijn achterlicht

Hoofdstuk 32: 50er jaren. (uit mijn boek "Mijn Jeugdherinneringen)

Mijn achterlicht en conditie.

 

Het is in de tweede helft van de vijftiger jaren.

De Rijense kermis ligt al een aantal weken achter ons en Sinterklaas heeft ook al gereje, zoals ze dat in ons dorp zeggen.

Het zijn dus de donkere weken voor Kerstmis, maar de winter is nog niet echt binnen gevallen. Mistig miezerig weer treitert de mensen, als ze tenminste buiten komen. Maar die blijven dan ook zo veel mogelijk binnen. Evenals wij zelf, want het begin van de winter lijkt op een heel koude herfst. Veel mensen lopen een verkoudheid op of worden geveld door een griep. Zo ook ons moeder.

Ze heeft dokter Van Ardennen langs laten komen en die constateert, dat ze een behoorlijke griep te pakken heeft.

“Daar zullen we eens gauw wat aan doen,” heeft ie tegen ons moeder gezegd. “Laat na zes uur maar iemand de medicijnen ophalen. Dan liggen ze klaar.” De dokter heeft een apotheek aan huis, zoals alle dorpsdokters in deze tijd. Hij woont ‘achter op de Rijen’, zeggen de mensen hier. Wel in de Hoofdstraat, maar net niet op de Dongense weg. Nog voorbij de molen van graan- en meelhandel Theeuwes.

De dokter zorgt dus, dat de medicijnen gereed liggen en zijn vrouw ontvangt de afhalers en deelt de pillen uit. Ik geloof, dat mevrouw van Ardennen voor doktersassistente of apotheker heeft gestudeerd. Zo gaat dat in ons dorp.

 

Ik ben ’s avonds meestal rond kwart voor zes thuis, omdat we na de schooluren ook nog anderhalf uur studieles hebben. Als ik die dag thuis de werft op fiets, staat het eten al op tafel. Zoals altijd overigens. Dat heeft ons moeder nog gauw even geregeld, voordat ze goed ziek onder de wol is gekropen.  Ik eet mijn warme maaltijd met smaak op. Ons ma kan goed koken, en ik lust zowat alles. Dus dat is goed aan mij besteed! 

“Ge mot drèk effe naor dokter van Ardennen fietse,” zegt onze pa tegen mij, terwijl ik de laatste aardappels naar binnen werk.  “D’r liggen pillen klaor veur ons moeder en daor mot ze gelijk meej beginne,” legt ie verder uit.  ”Des te irder is ze’t bed uit.”

Ik knik en pik met de vork ook nog even de laatste aardappels uit de pan.

“Ja pa, ik gaoj meteen,” antwoord ik, als mijn mond leeg is. “Mot ik nog iets aon de dokter vraoge of zegge?”

“Neije, alleen pillen haole,” bevestigt onze pa, terwijl hij zijn overall weer aan schiet. Voor het eten hangt ie die in de bijkeuken weg, maar daarna heeft hij hem weer nodig. Zijn werk is elke avond de varkens en duiven voeieren.

Ik haal mijn fiets weer uit de schuur en controleer, of de dynamo nog tegen de voorband zit. Het is al vroeg donker, dus ik ben ook met brandend licht van school naar huis gekomen. Ik fiets de dam uit en zie, dat het voorlicht prima werkt. Op straat gekomen kijk ik nog even achterom om te controleren, of m’n achterlicht brandt.

Geen rooi licht te zien! ‘Ach,’  denk ik, ‘als ik straks weer thuis ben, dan kijk ik wel wat er aan de hand is en repareer ik het wel.’

Ik fiets de Tuinstraat door en draai een stukske voorbij het patronaat de Hoofdstraat in richting Dongenseweg. Bij de kerk zie ik in het duister een politieagent staan. Met zijn fiets aan de hand, bijna tegen het ijzeren hek, dat rondom het Heilig Hart beeld staat.  De politie doet in ons dorp haar diensten op de fiets. Ik herken de agent aan zijn redelijk gezette figuur: die woont bij ons om de hoek, in de Tuinstraat. Mijn vrienden en ik zijn nog al eens met voetballen weggerend voor hem, als we in de Laagstraat aan het ballen waren. Dat mag nou eenmaal niet op de rijweg!

‘Mijn achterlicht, verdorie!’ schiet het door mij heen. Maar het is al te laat om nog van de fiets af te stappen!  

‘Ja, dan maar kijken, wat er gebeurt,’ flitst het door me heen.  Ik doe net of ik de agent niet zie en fiets hem in een rustig tempo voorbij. Als ik de politieman ben gepasseerd, hoor ik een harde stem roepen:  “Hé, van Oosterwijk, stop eens!”    

Ik kijk niet om, want ik weet toch wel , wie er geroepen heeft.  Maar ga hard op de trappers staan en voer mijn snelheid langzaam op. Ten slotte ga ik bijna sprintend door de Hoofdstraat.

‘Niet omkijken, doorgaan,’ zijn mijn gedachten en ik trap maar door!

 ‘Hij kan toch niet zo hard fietsen als ik. Ik moet hem voorblijven!’

Met een rotgang draai ik het tegelpad op naar de dokterswoning en gooi bijna mijn fiets tegen de zijmuur, waar de patiënten ingang is. Pas dan kijk ik hijgend terug de Hoofdstraat in. In de slecht verlichte straat  zie ik in de verte een lichtje aankomen. Hij is in ieder geval niet zo snel op zijn dienstfiets, als ik op mijn tweewieler! Snel controleer ik het achterlicht. D’n stroomdraad zit los! Stom, dat ik dat thuis niet gezien heb! Rap draai ik de koperen kabel aan het schroefdraadeindje van het achterlichtje en schiet bij dokter van Ardennen door de patiëntendeur naar binnen.

“Wat heb je een rood hoofd?” constateert mevrouw van Ardennen, die met medicijnenflesjes bezig is. Ze is een knappe vrouw!

“Kom je medicijnen halen?”

“Ja mevrouw,” antwoord ik op haar tweede vraag en probeer mijn adem weer onder controle te krijgen. “  ‘k Heb ‘n bietje te hard gefietst, denk ik. De medicijnen zijn veur ons moeder.”

Mevrouw van Ardennen geeft mij een papieren zakje met pillen, die ik in mijn jaszak laat glijden. Zijwaarts probeer ik door een klein raampje naar buiten te kijken, maar dat lukt niet echt. Ik zie daar buiten niet veel.

“Je moet tegen je moeder zeggen, dat ze meteen een paar pillen moet nemen, jongen,” legt mevrouw van Ardennen nog even uit.

Ik knik en met een “houdoe en bedankt, mevrouw” open ik de deur, stap naar buiten en sluit de deur weer achter me. 

Bij mijn fiets staat de politieagent! Met kaplaarzen en hoog leren gordel.

Nog hijgend van het harde fietsen; zijn conditie is ook niet alles! 

“Zo, van Oosterwijk,” en hij kijkt mij zeer dringend aan van onder zijn politiepet, haalt even diep adem en gaat verder: “heb je mij niet horen roepen?”

“Roepe? “ herhaal ik,  ”Neije. Ik was bij de dokter binnen.” Ik heb weer een normale ademhaling en kan dus rustig antwoorden.

“ ’t Was ook niet hier,” gaat de agent onverstoord verder. Weer zuigt hij flink wat lucht naar binnen. “Het was bij de kerk in de buurt. Ik heb je daar gesommeerd om te stoppen! Waarom reed je door?”

Ik kijk hem met een schuin gehouden hoofd vragend aan. Dat is trouwens een normale houding voor mij in moeilijke situaties.

“Bij de kerk? Ik heb niks gehord. Ik moest medicijnen veur ons moeder haolen, want die is nog al ziek. Daor maok ik me een bietje zurgen om.”

Ik kijk hem recht in de ogen en probeer niet te blozen, maar voel toch het bloed naar mijn hoofd stijgen. Gelukkig is het al behoorlijk donker en het enige licht komt van een buitenlamp, aan de muur van de dokterswoning geschroefd, die zijn zwakke schijnsel over ons heen werpt.  En ik sta met mijn rug naar de lamp, zodat de agent mijn gezicht nauwelijks kan onderscheiden. En dus ook niet ziet, dat ik rood aan loop!

“Je hebt geen achterlicht!” gaat de politieman rustig verder en wijst naar mijn fiets.

“Hoe kan dè nou”, reageer ik bijna oprecht.

Ik houd even de adem in en ga dan op besliste toon verder.  “Thuis braande ‘t nog.”

In gedachten prevel ik een schietgebedje: ‘Och God, laot ’t lampke nie kapot zijn. Laot ’t lampke nie kapot zijn!’

“Probeer het maar eens,” zegt de gerechtsdienaar, die er absoluut niet aan twijfelt, dat het echt niet zal branden.       “Draai maar eens aan je voorwiel.”

Ik til de voorzijde van mijn fiets aan het stuur omhoog en geef een slinger aan het voorwiel, waar de dynamo op draait.  Beide kijken we naar het kleine achterlichtje op het witgeschilderde spatbord.

Het licht op! Het lampje brandt!

De agent staat even perplex, kijkt me scherp aan, perst zijn lippen op elkaar en zegt even niets. Hij blijft me alleen strak aankijken, zeer strak! Dat even lijkt wel een uur! Ik meen in het duister te zien, dat het rooie politiehoofd van zonet helemaal donker rood is geworden. Ik houd mijn adem in.

‘Wat gaat er nou gebeuren?’ zijn mijn volgende gedachten.

“Rijden maar!”

De agent kucht er een beetje bij en knikt met zijn hoofd richting de straat.

De spanning is te snijden, als ik mijn rijwiel omdraai en langzaam wegfiets. “Schiet maar op, je moeder wacht op haar medicijnen.” Zegt hij nog.

“Houdoe meneer!” groet ik netjes.

Ik draai de Hoofdstraat in en weet niet hoe snel ik weg moet komen. Dat heb ik er goed afgebracht.  Geen verbaal, geen boete. Toch slim gedaan, hoewel ik behoorlijk in mijne piepzak zat!

 

Ik fiets recht naar huis, zet mijn rijwiel in de schuur en breng de medicijnen naar ons moeder boven, die op haar slaapkamer ligt. Met een glas water er bij natuurlijk om de pillen door te spoelen. Daarna loop ik de trap weer af, hang mijn jas in de gang op de kapstok en ga de woonkeuken in.  Mijn vader zit in zijn zurgstoel de krant te lezen.

“Pa, luister ‘s . Nou hè ‘k wa meegemokt!”

Ik ga aan de keukentafel zitten en vertel het hele verhaal,  in geuren en kleuren, aan ons vader. Die legt zijn krantje even weg en luistert aandachtig naar mijn relaas. Hij moet hartelijk lachen om mijn belevenissen. Zelf zou hij zulke streken zeker ook uithalen. Maar hij plaatst wel een kanttekening bij dit gebeuren.

“Ik ken dieje plisie,” zegt ie nog lachend, “kèk de komende tijd mar uit wè g’ammel doet. Hij hèt oe in de smieze! D’n dieje houd oe zeker in de gaote!”

 

En ons vader heeft gelijk!

Er gaan twee weken voorbij. Ik heb na het voorval met het achterlicht goed opgelet, dat ik geen verkeersfouten maak. Maar de aandacht begint een beetje te verslappen. Ik kom op ‘n avond van school gefietst, de Rijen door en de Laagstraat in. Tussen het tassenfabriekske van Beterhams, naast ons, en de boerderij van Leenaarts is de trottoirband verlaagd, omdat daar auto’s en karren d’n dam op moeten rijden. Dat is voor ons ook wel gemakkelijk, want dan kunde met de fiets daar het trottoir op rijden, dan twintig meter over het betegelde voetpad fietsen en onze gang indraaien zonder van oew rijwiel hoeven te stappen!

En dat doe ik nu ook.

En daar staat plotseling onze dorpsagent:  “Dag van Oosterwijk. “

Ik heb hem niet gezien en ben totaal verrast.

“Over het trottoir aan het fietsen? Ge weet, dat het niet mag, toch?”

Geen triomfantelijk gezicht! Nee hij vertrekt geen spier!

Maar hij trekt wel zijn boekje uit zijn borstzak en ik kan, contant, een boete van twee gulden vijftig betalen! Een riksdaalder! Die moet ik even bij ons moeder gaan lenen. Ja, het vrolijke triomfantelijke gevoel van twee weken terug is bij mij helemaal weg getrokken!

Potverdorie, die heeft mij te pakken!

De helft van mijn zakgeld kwijt!

“Houdoe meneer!” groet hij netjes en fietst verder.

 

Het is een rotstreek, vind ik. Maar desondanks heb ik die man daarna toch nog een heel toffe politieagent gevonden.

Maar ja, deze keer heb ik er om gevraagd!

© Henk M. van Oosterwijk.

 

 

Wat is geluk?

Het gebeurt in 1976.

In het begin van dat jaar openen Riet en ik een café aan de Dongense weg in Rijen. We besluiten dit jaar niet op vakantie te gaan om zo snel mogelijk te bekomen van onze investering.

Het wordt echter een hete en dorstige zomer, waardoor wij weekomzetten draaien, die boven onze verwachtingen liggen. Dus besluiten we er in september toch twee weekjes tussenuit te gaan. Naar Polen, eenvoudig op bezoek bij onze vrienden in Mikolow, dat in Ober-Slezie onder de rook van de steden Corzow en Katowice ligt. Onze voorgangers Anneke en Theo, intussen trouwe klanten geworden van ons, zijn bereid de honneurs tijdens onze afwezigheid waar te nemen, zodat we de zaak niet hoeven te sluiten.

 

We bezitten een negen jaar oude Mercedes 250 super, met benzine motor dus. Een oud beestje (in die tijd) , maar in prima staat. De heenreis rijden we in een keer. Wel om de twee uur even op er een parkeerterrein stoppen voor een bakske koffie en Riet voor een sigaretje. Onder het rijden rookt ze niet. Dan na een kwartiertje weer verder over de Duitse snelwegen, waar de Mercedes snelheden haalt van tegen de tweehonderd kilometer per uur. In Polen gaat het wat rustiger; snelwegen liggen hier niet en je moet er op rekenen, dat er plots een boer met paard en kar of een paar koeien na een bocht in de weg opduiken. We komen heelhuids bij onze vrienden Lucka en Bertek aan na een rit van twaalfhonderd kilometer in vijftien uren, meegerekend het enkele uren durende oponthoud bij de DDR en Poolse grenzen.

 

Na veertien leuke dagen bij onze vrienden vertoefd te hebben, waarmee we Krakau, Warschau en Zakopane bezoeken, sturen we onze auto weer richting Nederland. Nu in twee delen: we pakken een hotelletje in Hannover als ruststation. De uren durende controles bij de Pools/Oost-Duitse grens werkt vermoeiend, terwijl het passeren van het IJzeren Gordijn bij Helmstedt (DDR/West-Duitsland) slechts een half uur duurt, maar veel meer spanning te weeg brengt. Grenswachters lopen rond met stenguns en op de wachttorens zie je helmen en mitrailleurlopen boven het randje van de reling uitsteken.

Maar dan volgen we de West-Duitse snelwegen weer, waar we de 250 Super weer op zijn staart kunnen trappen.

 

Veilig rijd ik de Mercedes het achterterrein van ons café op.

We pakken uit en gaan wat eten. Daarna wisselen we zakelijke dingen uit met Anneke en Theo en bekijken we onze voorraden.

"Ik rij nog gauw even naar de Makro en ISPC voor wat boodschappen," zeg ik tegen mijn vrouw Riet, en stap in mijn auto. Ik steek de weg over en rij de Steenhovense baan op .

Nog geen honderd meter in deze straat valt de motor uit. Met veel gerammel en gekraak komt de Mercedes tot stilstand. Wel kan ik de wagen nog de berm insturen: door het intrappen van de koppeling drijft ie naar de kant van de weg.

Wat nou? Hoe kan dat?

Gelukkig is Jo Smulders thuis, die op de hoek van de Dongenseweg en de Steenhovensebaan woont. Hij rijdt ook Mercedes en is bereid om even naar de auto te kijken.

"Distributieketting gebroken," constateert hij, "waarschijnlijk zit heel de motor in elkaar!"

Totaal ontzet sta ik er bij.

Motor in elkaar?

Dat had niet in Polen of Oost-Duitsland moeten gebeuren. Sowieso hebben ze daar totaal geen Mercedes-onderdelen, laat staan een komplete motor, maar voor hun eigen wagenpark ontbreekt ook alles. Ik heb daar gezien, dat ze een goed rijdende vrachtwagen slopen om onderdelen te hebben voor hun andere wagens!

Wat een geluk, dat mijn auto het vlak bij mijn huis begeeft; je zal er maar in Polen of op de snelweg ergens mee staan! Dat had gemakkelijk kunnen gebeuren in die 3500 kilometer, die we totaal gereden hebben.

Wat een geluk dus.

 

Nou, geluk.

Ik krijg uiteindelijk honderd gulden terug voor het stuk schroot, dat nu is overgebleven. En ik hoef dan de sleepkosten niet te betalen. Maar er moet wel een andere auto komen.

Wat is geluk?

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Oos ma zeej aaltij

Ge hebt altijd van die uitdrukkingen uit je jeugd, die je bij blijven.

Vooral je ouders hebben een eindeloze put gezegden aan je overgebracht. Of je nou aan de eettafel zat, in de woonkamer verbleef of in de groentetuin rondliep, altijd werd je wel op de een of andere manier met een zelf ontwikkelde spreuk verrast. Misschien hadden ze het niet van zichzelf. Zeer waarschijnlijk zijn het gezegdes, die over generaties heen gebruikt zijn, en die ook wij aan onze kinderen doorgeven.

 

Zat ik als vier jaar oud manneke mijn boterhammetjes op te eten en probeerde ik de broodkorsten te laten liggen, hoorde ik steevast mijn vader, maar ook moeder, zeggen:"Oew kosjes ok op ete,dan kende zo fluite."

En verdraaid, toen ik de korsten mee naar binnen werkte, leerde ik vrij snel fluiten. Dat dit gebeurde, kwam natuurlijk door het vele oefenen na de broodmaaltijd, maar wist ik veel.

Om bij het eten te blijven: liet ik wel eens wat staan dat ik niet lekker vond (wat niet vaak voorkwam), dan zei mijn moeder:"Oew bordje leeg ete, Henkie. De kiendjes in Afrika zouwe ur blij meej zen."

En ook bij het soep eten:"De soep heet? G'et toch van God nun blaos gekrege!"

 

Dan waren er de bedreigingen, waarmee ze probeerden je aan het verstand te brengen, dat je gehoorzaam moest zijn en geen streken mocht uithalen.

"As ge zukke fratse bleft uithaole, gaode naor de hel!" Dit dreigement stamt af van de zo Roomse katholieke kerk. Hier werd en wordt hel en vagevuur gebruikt als stok achter de deur om het RK volk in het gareel te houden.

In november, in de aanloop naar 6 december, werden andere teksten gebruikt, zoals: "As ge zo deurgaot, douwt Zwarte Piet oe in dun zak en nimt oe mee naor Spanje!"

Of: "ge krijgt de roei, manneke, in plak van spulgoed!"

Was deze tijd weer voorbij, klonk uit moeders mond: "As ge nie goed luistert, dan komde van de kouwe kermis thuis, jongen!"

Of ook wel: "As ge de nog us doet, sluit de plisie oe op in 't kot."

En als je dan toch streken uithaalde of ongehoorzaam was, klonk de dreiging door de keuken: "Wacht mar, as onze pa straks thuiskomt. Die zal oe wel straffe. Daor helpt gin moederke lieve mir aon!"

Nou was ons vader niet iemand, die van straffen hield. Hij loste de dingen anders op. Zoals die keer, dat ik een buurjongen met een steen een 'gat in zunne kop' gooide.

Hij nam me mee naar de buurtwinkel van Tinus Smee. Daar mocht ik een kwatta (reep chocolade) uit kiezen. Echter niet voor mezelf, maar ik moest dat snoepgoed aan mijn slachtoffer geven. Mooi toch? De straf was dan, dat de buurjongen de reep chocolade lekker op zat te smikkelen, terwijl ik er alleen naar mocht kijken.

 

Er bestonden ook gezegdes, die op zieken of gehandicapten sloegen.

Als ik voor de spiegel stond en humoristisch gezichten stond te trekken, was steevast moeders advies: "Gin gekke bekke trekke vur de spiegel. Drek blijft oew gezicht zoo staon en zit ur hil oew leve meej."

Iets dergelijks werd ook gezegd, als je eens expres krom of kreupel liep: "Kijk uit, ventje, straks bende echt maank."

 

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan' maar mIschien herinnert u ook nog wel oude gezegdes van je ouwelui.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Drie gangen menu en Docqmans

Ik ben een bierproever.

Als ik een voor mij onbekend biertje zie in de supermarkt en het ligt in de lijn van mijn drinkgedrag (pils, blond, dubbel, tripel of Quattro), dan neem ik twee flesjes mee om te proeven. Zo komen we op onze terugweg van het rondje België met de Don Pedro (jacht van Ria en Peter) en de Dagaonogal (mijn boot) terecht in de jachthaven van Maasbommel, gelegen in de Gouden Ham. Hier komen we een nieuw biertje tegen.

Luister maar.

 

Nadat we onze boten hebben aangemeerd op de door de havenmeesteres aangewezen plaatsen, gaan we ons melden op het havenkantoor, gelegen naast de havenkantine.

"Hedde gullie in de kantine nog steeds da drie gangen menu as vijf jaor geleje, vur vijf euro?" Vraagt Peter aan de vrouw achter de balie.

Ik spits mijn oren. Drie gangen voor vijf euro? Dat klinkt goed.

"Jazeker," antwoordt de dame, "mijn oom, de havenbeheerder, heeft dat verzonnen en we maken het nog steeds klaar. Alleen is het nu wat duurder."

"Duurder?" Ik stel deze korte vraag.

"Ja, we moeten nu zes euro rekenen!" Lacht ze.

Ik lach mee. "Nou, dan komen we straks eens proeven, hè Peter!? Vur zes euro kunde oewe kop nie stote."

"Maar je kan nu eerst een gratis kopje koffie krijgen." De havenmeesteres schuift ons de kwitanties toe voor de overnachting.

"Dan gaoj ik jullie Riet effe der bijhaolen," reageer ik. Ja, we zijn wel Brabanders, maar blijken in zo'n geval toch Hollanders als er iets voor niks is!

 

Om zes uur zitten we die avond in de Gouden Hamse kantine, Ria, Peter en ik, met de menukaart voor onze neuzen: 1e gang Soep van de dag; 2e gang Broodje naar keuze (Broodje Bal, hamburger, frikandel en nog twee keuzes); 3e gang IJs. We stellen ieder ons eigen menuutje samen, ik een broodje gehaktbal, waarna ik naar de bar loop om de drank te bestellen.

"Wa hedde op de tap?" Vraag ik de beheerder, die tevens barman is.

"Docqmans." De man staat glazen te spoelen.

"Docqmans? Nooit van gehoord."

"Eens proeven?" De barman duwt al een net gespoeld glas onder de bierkraan en zet een half gevulde kelk met donker bier voor me neer.

Ik neem een klein slokje, laat het brouwsel door mijn mond rollen en slik het in.

"Lekker. Doet 'r mijn mar intje." Ik geef het glas aan Peter door, die een flinke slok neemt en zich naar Ria draait.

"Gij ok Riet? Ut smokt net trappist." Ria knikt.

"Het is Bels bier," legt de barman uit.

"Mokt dur mar drie van," zeg ik tegen de barkeeper. En dat is het voorafje op ons drie gangen menu. We nemen er nog twee, Docqmansjes dus, voordat de soep en het broodje gelijktijdig bij ons gebracht wordt. Alleen Ria slaat 'n keer over.

 

Het eten is prima.

En lachen natuurlijk. Want waar eet je voor zes euro nog een drie gangen diner.

De soep is prima. Ik weet alleen niet wat voor soep het precies is. Veel groente en uien, een kompleet maaltijd soep. We bestellen nog een biertje erbij, Peter en ik want Ria doet wat rustig aan, en beginnen aan ons broodje. De tweede gang dus. Ook dit wordt met plezier gegeten. Als ik die tweede gang verorberd heb, moet ik eerlijk bekennen, dat ik best een gevulde maag heb. Voor het lekkere bestel ik er nog een kale bal bij, want het gehakt heeft me goed gesmaakt. En een biertje natuurlijk, ook voor Peter. Ria wil graag een colaatje.

"Ze hebbe hier ok un biljart," merkt Peter op, "zulle we vraoge, of we moge biljarte?"

Ik hou wel van een partijtje en Peter ook.

Het mag.

We helpen de beheerder het biljartzeil oprollen, vragen nog om een Docqmansje en beginnen aan ons wedstrijdje Libre over vijftig caramboles.

Intussen wordt de derde gang bij ons gebracht: een ijsje met chocolade op een stokje. Eenvoudig en lekker. We eten het met een glimlach op.

 

Intussen vordert onze biljartwedstrijd gestaag en tikt Peter de volle vijftig caramboles, onder het genot van nog een Belgisch biertje, als eerste bij elkaar.

"Nog un partij driebanden?" Ik kijk Peter vragend aan.

"Oké," knikt ie, bestelt nog wat bier en legt de ballen klaar voor de opstoot. 

"Vijftien?" 

Ik knik.

De partij loopt vlot. Al na een negental beurten staan er voor ieder van ons 6 caramboles op het scorebord. Maar dan stokt de wedstrijd. Hoe serieus we ook stoten, de ballen komen wel in de buurt, maar caramboleren niet.

Er komt iemand vanaf het terras vragen, of wij nog lang biljarten.

"Nog efkes," mompel ik, " 't is zo gedaon." Maar we maken geen punt meer. 

Als Peter aan stoot is, loop ik naar de bar voor nog twee biertjes.

"Ge mot wel un bietje uitkijken meej da Bels bier," waarschuwt de barman me, " want het is acht procent!"

Nou, dat had hij wel wat eerder kunnen zeggen! Nou begrijp ik, waarom we geen bal meer raken!

Ik leg het Peter uit, die net opnieuw niet kon scoren.

"Zulle we'r tien maoke," stel ik voor en leg aan voor mijn stoot.

Peter knikt instemmend. Hij is het biljarten intussen ook wel beu. "Mar we motten ze wel maoke, aanders schaaije we dur uit."

Ik stoot af en scoor. Ook de drie daaropvolgende stoten zijn raak. Een serie van vier en de partij is uit!

We moeten er allebei om lachen. Ik meld op het terras nog even, dat het biljart vrij is en ga afrekenen. Bij de kassa kijken we elkaar glimlachend aan: voor dit bedrag hadden we wel een vijf gangen diner in een sjiek restaurant kunnen eten!

Slimme kastelein met zijn driegangenmenu en Belgisch bier! Een mooi lokkertje!

Maar goed, we hebben een leuke avond gehad, hoewel het nog vroeg is. Negen uur? Half tien? Ik weet het niet.

Ieder loopt naar zijn eigen boot en ik geef de Schipper, mijn papegaai, enkele stukjes meegenomen gehaktbal. Daar rekent ie op als ik uit ga eten.

Daarna duik ik mijn slaaphut in en val in een diepe slaap.

 

Zoals elke morgen, als we afvaren, vertrekken we om half tien.

Even heb ik een duf hoofd, veroorzaakt door dat Bels bier, maar voor we de haven uit glijden is de dufheid al verdwenen.

"Hallo Dagaonogal, zitte op kanaal zeuvenenzeuventig?" Klinkt Peter's stem door de marifoon.

"Jawel," antwoord ik.

"Nou," neemt Peter het weer over, "ik heb us effe gegoegeld, mar da Bels bier, Docqmans, wordt in Tiel gebrouwen!"

 

Henk M. van Oosterwijk

5e boek van Henk: Doelman van RAC

Bestel nu via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of tel. 0630761677

 

 

Paniek!

Vanuit Gouda varen we door de Gouwe naar Alphen aan de Rijn, zakken de Oude Rijn af naar Leiden en meren uiteindelijk aan in Leidschendam. Het is een leuk klein steigertje, waar de Moomba van Peter en Miriam en mijn Dagaonogal precies passend kunnen liggen. Een zitbank naast de steiger, een mooi park daarachter en drie vuilnisbakken maakt het plaatje kompleet. 

We hebben de landvasten net aangebracht, als Peter opmerkt: "Wat bubbelt daar allemaal bij je boot?"

Ik stap mijn boot in en luister.

"Mijn boot loopt vol water!" Roep ik verschrikt uit. "Ik zink!"

Duidelijk hoor ik water lopen en luchtbellen bubbelen.

"Verdomme, ik zink!"

Mijn uitroepen zetten Peter in actie, die meteen een bilgenpomp op zijn boot ophaalt, terwijl ik in de toiletruimte, waar het geluid vandaan komt, enkele luikjes openmaak.

" Geen water," roep ik, "ik zie geen water!" 

Maar het bubbelend en spoelend geluid houdt aan. In een mum van tijd heb ik de vloerbedekking naast de dinette verwijderd en schroef met een schroefmachientje de vloer los. Tenminste de lange parkers er uit. Dan til ik de vloer omhoog, terwijl Peter met de bilgenpomp klaarstaat.

"Niks! Roep ik verwonderd. "Alles droog!"

Ik loop naar de stuurhut en kijk uit de schuifdeur naar beneden. Ter hoogte van de WC bubbelt het water volop.

Dan schiet er ineens een gedachte door mijn hoofd: de vuilwaterpomp! 

Ik kijk op het dashbord en druk op de pompschakelaar.

Het bubbelen houdt op!

Niks lekkende boot en zeker niet zinken!

Wat stom!

Ik heb waarschijnlijk onder het varen de mobiele marifoon op de schakelaar gelegd en de pomp van de vuilwatertank in werking gezet!

Pffff. Ik veeg het zweet van mijn gezicht, schakel de pomp nog eens aan en uit, en zeg lachend tegen Peter, dat hij zijn dompelpomp weer kan opbergen.

Grote opluchting, en daarbij hoort een biertje! Maar eerste de vloer weer dichten en de bedekking terugleggen.

Voordeel van deze gebeurtenis? De vuilwatertank is keileeg!

 

Henk M. Van. Oosterwijk

Lasse baste, pa!

Het is ongeveer midden 1945.
We zijn in Rijen al een dik half jaar bevrijd van het Duitse juk. In onze gemeente Gilze-Rijen zijn veel doden gevallen. Doordat de geallieerden de "Vlieghaai", door de bezetter een groot militair vliegveld van gemaakt, vanaf 1943 regelmatig bestookten met bombardementen, vielen er nog al eens verwoestende bommen op Gilze, Hulten en in mindere mate op Rijen.
De angst voor luchtaanvallen is nu weg. De Canadezen en Polen verjoegen de Duitsers uit onze gemeente. De meeste weerstand werd door de Moffen, zoals wij ze noemden, geboden in enkele dagen strijd om de Vijfeiken. De Canadezen kwamen in de Pastoor Gillisstraat tot aan het café/winkeltje van Tinus Smee (Smeekens, nu cafetaria Wagemakers), de Duitsers lagen nabij de steenfabriek. Vlak voor onze deur (nummer 146) stond een uitgebrande Canadese tank met de verkoolde lijken er nog in.
Het oude huisje van mijn grootouders aan de Vijfeiken, toen verhuurd aan de familie Manus Pijpers, werd helemaal plat geschoten. Gelukkig was de familie tijdig uit de woning vertrokken. Het nieuwe huis van mijn opa en oma was pal naast de kapot geschoten woning gebouwd en werd niet getroffen door de Canadese en Duitse schutterij. Wij zaten met onze familie, pa, ma en ik, en onze tante Cor met zoon Henk, in een schuilgat, door mijn vader gegraven in ingericht om er te slapen, achter in onze tuin. Tussen de twee vuurlinies in dus. Proficiat 
Uiteindelijk sloeg het Duitse leger op de vlucht met achterlating van hun munitie. Dat woog te veel om op een snelle ontsnapping mee te nemen. Daarom werd alles in de waterpoelen, oude leemputten waar de steenfabriek haar grondstoffen uit groef, gekieperd om het onklaar en onzichtbaar te maken.
 
Terug naar 1945.
De munitielozing in de leemputten is een publiek geheim in de Pastoor Gillisstraat. Dat de grote kanonskogels van koper zijn gefabriceerd is ook bij iedereen bekend. Dus ieder huisvader gaat manieren verzinnen om, na de winter 44/45, dat waardevolle metaal uit de poelen te krijgen. Grote harken, vastgemaakt aan een lang touw, worden in elkaar gelast. Zo'n hark wordt in het water gegooid en met het touw naar de kant getrokken. Daardoor komt er van alle soorten rotzooi uit het water.
Ook de koperen hulzen, soms bijna een halve meter lang, maar wel kompleet met de ontsteking, het kruit en de kogel!
Eerst moet de ontsteking verwijderd worden en dan kogel en kruit.
Een levensgevaarlijk karwei!
Maar het brengt goed geld op en dus doet mijn vader ook mee aan deze rage.
 
Luister goed, ik herinner dit niet allemaal zelf, maar heb het uit de verhalen van pa en ma. Zelf ben ik nog geen drie jaar oud.
 
Er komt echter een kink in de kabel.
De marechaussee krijgt lucht van de gevaarlijke koperjacht, maakt een verbod bekend op het verzamelen van munitie en zendt patrouilles uit om de kopervissers in de kraag te grijpen. Tevens worden er links en rechts huiszoekingen gedaan en 'visgereedschap' met koper in beslag genomen.
Ook bij ons.
Op een dag in het weekeinde treden er twee heren in groen uniform, platte petten op en hoge kaplaarzen aan (dat weet ik dan nog wel) via de achterdeur onze keuken in het achterhuis binnen.
"Goeie dag, here," zegt mijn vader tegen de twee lange marechaussees, "waormeej ken ik u van dienst zijn?" Hij weet natuurlijk allang, waar die mannen voor komen.
"Wij willen uw huis en tuin eens doorzoeken," zegt het ene uniform, terwijl hij mijn vader een stuk papier overhandigt.
"Da ken," antwoordt pa weer, "ge maag alles overhoop haole, as ge't mar wir netjes op de goeie plots t'rug legt."
De uniformen reageren niet en gaan het huis en onze schuur door kijken.
Een kwartiertje later staan ze weer in de keuken, hoog en rechtop. Tegenover hen mijn vader in zijn manchesterse broek, ophouden door een paar galgen: de handen in de zakken.
"En?" Kijkt hij vragend naar de marechaussees. "Gevonde we ge zocht?"
"Wij willen u waarschuwen," zegt steeds dezelfde woordvoerder, "geen koper verzamelen of we pakken u op."
Dan ga ik me ermee bemoeien, een turf hoog.
Ik schop de spreekbuis tegen zijn schenen, zijn kaplaarzen dus, en roep:
"Pa, lasse baste!"
Het heeft geen gevolgen.
Voor het eerst zie ik bij die ene een flauwe glimlach op zijn uitdrukkingsloos gezicht. Hij tikt aan zijn pet en beide uniformen verdwijnen door de keukendeur en bijkeuken naar buiten. Vader roept nog ' houdoe' en ik klamp me vast aan zijn manchesterse  broekspijp.
 
Henk M. Van Oosterwijk
 

Bij de Marine

Het is zo maar een zaterdag in het jaar 1960.

We zijn zestien jaar oud, mijn vriend Cor Aarts en ik. Cor heeft zijn definitieve levensloop vastgelegd door bij de Koninklijke Marine zijn handtekening te plaatsen. Zes jaar lang zal hij als beroeps voor Nederlands vlag en eer ’s werelds zeeën gaan bevaren.

Dit weekeinde is hij thuis. We besluiten we met z’n tweeën naar Dongen te gaan. Mijn vriend heeft zich in zijn marine-kleren gestoken. Een normale zaak voor deze tijd. We bezoeken een oom en tante in Dongen en daar gebeurt het volgende:

 

Terwijl we aan de koffie zitten, kijk ik bewonderend en eigenlijk een beetje jaloers naar Cor, die in zijn marine-pak een stoere uitstraling heeft. Plots krijg ik een idee.

“As we nou ’s van klere ruilen,” zeg ik tegen Cor. Ik probeer intussen de hete koffie op te slurpen. “Zo mar efkes. Ik wil d’r ok wel ’s as nun marineman uitzien!” Ik kijk hem vragend aan.

“Als ik daar maar geen problemen mee krijg,” brengt Cor er nog tegen in, maar ik weet hem te overtuigen. In de gang wisselen we van kleren. Cor heeft ongeveer hetzelfde postuur als ik, maar is enkele centimeters korter. En dat kunde goed aan mijn aangetrokken uniform zien, want zowel de mouwen als de broekspijpen zijn wat aan de korte klant.

Het geheel zit een beetje strak.

“Het past prima,” verzeker ik mijn vriend.

“En zeg nou mar ‘s, wè ge lust van de frietboer,” zeg ik tegen de familie en vriend.

“Je gaat toch niet de straat op in mijn kleren!!?” werpt Cor tegen.

Hij kijkt een beetje ongerust naar de marine-uniform, of er niet ergens een scheur begint te ontstaan.

“Ik gaoj irst wè te ete veur jullie haole,” werp ik tegen, “dan kan ik tenminste echt geniete van die klere! Ik trakteer!”

Na enig aarzelen stemt Cor toch in met mijn voorstel en spring ik even later op mijn fiets om een friettent te zoeken. Nou zoeken, tante Jo heeft aangegeven, dat er een snackbar in de Wilhelminastraat is. Vlakbij dus.

Ik rijd in de Wilhelminastraat het trottoir op, stap zwaaiend met m’n rechterbeen over het zadel van mijn fiets en plaats de tweewieler tegen de voorgevel van het bedrijfspand. Even zet ik mijn marine-pet wat scheef op mijn hoofd en stap de frietzaak binnen.

 

“Goeie n’aovond.”

“Ok zo!” Mijn groet wordt door het vrouwtje achter de toonbank beantwoord. Slechts één klant zit aan een tafeltje. Hij groet me terug met een lichte hoofdknik en bekijkt me wat mistroostig. Ik richt me tot het vrouwtje en doe mijn bestelling, inclusief een biertje. Daarna ga ik wat nonchalant op de toonbank/annex bar hangen, kijk wat zwijgend rond en opnieuw kruist mijn blik die van de klant.

“In dienst, jom?” begint de klant zijn gesprek.

“Ja! Bij de marine,” zeg ik wat overbodig. Het marine-pakje lijkt hierdoor nog strakker te gaan zitten dan toen ik het aantrok.

“Dè zie’k,” zegt de klant grinnikend. “Ge zeit nie van de laandmacht.”

Hij vindt het onderwerp schijnbaar interessant, want hij gaat verder met zijn korte vragen: “Dienstplicht?”

Hij kijkt mij nog steeds met een lach in zijn ogen aan, maar wacht het antwoord niet af.

“Ik heb ook achttien maonden gediend. Zestien te lang. Irst twee maanden opleiding en daarna de lapswaans uithange en fiste.  Tenminste, fiste a’k geld haai. Waant van ene gulde vijfentwintig per dag worde nie gauw zat!”

Hij kijkt me weer van top tot teen aan. Waarschijnlijk ziet hij wel, dat de broekspijpen en mouwen eigenlijk iets te kort zijn, denk ik. 

Nou is ’t mijn beurt, gaat het door mijn hoofd. Maar voor ik iets kan zeggen, vervolgt de klant zijn verhaal.

“Neie,  ’t was baole! En thuis konde ze best n’n goei kostganger gebruiken, die wè cente in de portemenee brocht. Oos moeder had ’t nie zo breed. Ik heij achttien maonden in mijn soldateklere motte lopen. Pas nadè ik afzwaaide, naam oos moeder me mee naor de stad om ’n goei pak te kope. Neije, verlore tijd, dieje dienst! Ik heb d’r meer kwaoie dan goeie dinge geleerd!”

Ja, wat moet ik hier nou mee, denk ik weer bij mezelf. Hoe moet ik nou dit gesprek verder laten gaan.

“Hoe lang nog?” was hij me opnieuw voor.

En nou ben ik aan de beurt!

 

“Vijf jaor en acht maonde!” zeg ik triomfantelijk.

Daar zal hij niet van terug hebben! En inderdaad: de klant kijkt mij verstijfd aan. Even weet hij niets te zeggen, maar dan hervat hij zich weer en vraagt:

“Ge wil toch nie zegge, dè ge veur beroeps getekend het, hè. Zo stom zulde toch wel nie zijn?”

De klant slaat zijn rechterbeen over z’n linkerknie, leunt achterover en neemt mij vorsend op, daarbij zijn wenkbrauwen naar beneden trekkend. Ik knik echter bevestigend.

“Jao, nao drie maonden opleiding heb ik veur zes jaor getekend.”

Ik zie een lichte ontzetting in zijn ogen en dat is voor mij het teken om door te gaan.

“Ik krijg nou een complete opleiding tot machinist en dan gaon we vaoren. Vanuit Den Helder de hele wèreld over. En as me dè goed bevalt, dan kan ik misschien straks wir veur zes jaor bijtekenen of wellicht veur vast bij de marine blijve!”

De klant is uit het veld geslagen en vergeet zelfs zijn korte vragen te stellen. Opnieuw een teken voor mij om door te gaan.

“ ’t Betaolt hartstikke goed en ’t is ok mee ’n goed veuruitzicht. Ge leert een vak, promotie volgt automatisch, dus ok meer geld in de knip! Deur ’t vaoren in de tropen worden die maonden nog ’s dubbel geteld en gaoj ik vruuger mee pensioen. Wè wilde nog meer?”

De klant is geheel verbouwereerd en weet niets anders te zeggen als: “tjonge, tjonge. Stom, stom. Tjonge.”

Ik weet trouwsens ook niets zinnigs meer naar voren te brengen.

 

Maar we worden gered door het vrouwtje.

“Oewe friet is klaor,” zegt ze, terwijl ze de klant aankijkt. “Twee frikadelle speciaol, n ’n nassibal en friet. Saome éénvijfenzeuventig.”

De klant grijpt naar zijn kontzak, haalt z’n portemonnee tevoorschijn en rekent af. Hij pakt zijn zak eten en draait zich naar de deur. Nog even kijkt hij me aan en loopt hoofdschuddend langs me heen.

“Tjonge, tjonge. In dienst een vak lere? Niks lere! lere om de lapswaans uit te hange!”

Hij stapt de deur uit en ik zie hem door het grote raam nog steeds hoofdschuddend zijn weg huiswaarts nemen. In gedachte hoor ik nog steeds de ‘tjonge tjonge!

Nog nagenietend van het gesprek fiets ik met mijn snacks weer terug naar tante Jo. Daar wordt nog even gelachen om mijn verhaal, terwijl Cor en ik weer van kleren verwisselen.

En zo ben ik toch even bij de Koninklijke Marine geweest!

 

© Henk M. van Oosterwijk 

Uit mijn boek: Mijn jeugdherinneringen.

De pers meldt deze week:

Acrobatiek

We leven in 1957

Ik ben veertien jaar oud en geniet van de zomervakantie. Het is best een zwaar jaar geweest op de Dongense MULO St.Gerardus Majella. Van half negen ’s morgens tot ’s middags kwart voor vier de lessen volgen, dan ook nog op school studie van vier uur tot half zes en dan thuis nog wat huiswerk maken dat je in de studieles niet af kreeg.

En ook nog op zaterdagmorgen naar school!

Een heel ander studieleven dan de jeugd nu beleeft. Maar ja, wij deden in drie jaar evenveel dan ze nu leren in vier schooljaren. Wij gingen niet naar Parijs of Berlijn, of op stage in Denemarken. Het was studeren, studeren en nog eens studeren. Daarna ging je gewoon werken en leerde je het vak van je collega’s.

Hier wil ik het overigens niet over hebben, want studie heeft niets met acrobatiek te maken.

 

Ik ben dus veertien, puber al een beetje (dat woord kennen we nog niet) en sport is mijn hobby. Ik ben een aantal jaren lid van gymnastiekvereniging FIT in Rijen, voetbal bij RAC en maak op de MULO kennis met volleybal, basketbal en atletiek. Ik wil niet zeggen, dat ik de beste ben, maar kan aardig mee in de top.

Deze zomer heb ik weer een abonnement van mijn ouders gekregen op zwembad Surea, gelegen in de Dorstse bossen, en maak daar veel gebruik van. En de eerder gescheiden baden, dames en herenzwempoel, zijn nu net gemengd. Een kans dus om op de meiden indruk te maken.

Op de hoge duikplank maak ik een handstandje, blijf even ondersteboven stil staan, en laat me dan langzaam naar voren zakken, zet me zachtjes af met de handen en kom met een mooie duik in het water terecht. Dit heb ik al vele keren gedemonstreerd tot het op een minder goede dag fout gaat.

 

Als er op een mooie zomerse middag een aantal meisjes vlak bij de duikplank zitten te giechelen, wil ik mijn kunstje weer eens vertonen. Ik maak de handstand, zak naar voren en laat de plank los. Met een zachte plons doorklief ik het water, met gestrekte armen en handen tegen elkaar. Ik sla met een zwemslag mijn armen langs mijn lichaam.

Dan raak ik de zandbodem.

Ik heb me niet ver genoeg voorover laten zakken en niet afgezet aan de plank. Vlak onder de duiktoren is het erg ondiep!

Gelukkig voel ik alleen maar die tik tegen de grond, wend mijn hoofd omhoog en kom boven water.

Ik wrijf het water uit mijn ogen en open ze. Rondom mij verspreid zich een grote rode vlek.

Het zwemwater kleurt rood!

Ik voel voorzichtig met mijn hand aan mijn kin. Het bloed loopt tussen mijn vingers door!

“Je bent gewond,” gillen de meiden, terwijl ik het strand op loop. “Je hebt een snee in je kin!”

Twee meisjes brengen me naar de badmeester voor de eerste hulp. Eigenlijk had ik hun aandacht voor geheel andere dingen willen trekken, maar het noodlot bepaalde, dat ik op de Surea-bodem dook!

De badmeester bekijkt de wond, maakt hem schoon en schudt er een aardig flesje jodium in. Mijn gezicht vertrekt zich door de bijtende pijn in de wond. Er worden ook enkele vlinderpleisters op de snee geplakt. Daarna stuurt hij me meteen door naar een huisarts.

 

De meisjes zijn intussen verdwenen en eenzaam en alleen fiets ik door het Vijf Eikenbos naar dokter van Ardennen in Rijen. Die naait de wond, welke loopt vanaf mijn rechtermondhoek tot bijna onder mijn kin, met vier hechtingen dicht en legt me uit, dat het beter is om enkele weken niet met dit letsel in het Surea-water te komen.

Zo eindigt acrobatiek in een litteken.

Wel macho natuurlijk, zo’n litteken op je kin, maar ook het woord ‘macho’ kennen we nog niet.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Hondenbeet

Het gebeurt in 1983.

Riet, de kinderen en ik wonen aan het Frederikplein in het Brabantse dorpje Rijen. Het is in de tijd, dat de dure wijk Atalanta nog niet is gebouwd en die grond nog begroeid is met een prachtig bos, wat is versneden door wandelpaden en zandweggetjes. Zelfs een weg, waar Napoleon zijn leger overheen stuurde.

We hebben een herdershond, Cesar genaamd, die een gedegen politieopleiding heeft gehad. Hij reageert daarom alleen maar op goede commando’s, een feit, dat we goed in de gaten moeten houden. Hij is intussen de tien jaar al gepasseerd en een grommerig oud beestje geworden. Toch blijft hij zich als huisdier goed gedragen. Hij heeft gen eigen kooi, maar vertoeft zonder problemen gewoon bij ons in het gezin.

Eens heeft hij mij in mijn hand gebeten, in de beginperiode, dat hij bij ons was en ongeveer vier jaar oud was. Hij zat op de achterbank van de auto en ik wilde hem bij de halsband pakken om hem uit de wagen te trekken.

Fout!

Ik had hem gewoon een commando moeten geven. Voor ik de halsband bereikte, beet hij in mijn rechterhand. Een flinke beet, die door een huisarts (naam zal ik niet noemen) weer dichtgenaaid werd.

Ook fout!

Een hondenbeet mag je niet dichten! Alleen elke dag schoonmaken en opnieuw verbinden!

Dus ik kreeg een flinke ontsteking, mijn hand werd twee keer zo groot en de arts stuurde me enkele dagen later snel door naar het ziekenhuis. Daar werd de wond open gemaakt en gezuiverd.

Uiteindelijk kwam het allemaal goed.

 

Terug naar het Frederikplein.

Het is een zonnige zomerse zondag.

We hebben onze tuinstoelen voor ons huis neergezet om gezellig over het pleintje heen te kunnen kijken. Een biertje erbij en wie doet ons wat?

Ook Cesar komt naast mijn stoel liggen, na een goed commando. We zitten gezellig met de buren te praten, als er een dame met een dwergpoedeltje langs komt. Het kleine hondje blaft naar ons huisdier, denkend dat het stalen lage hekje, dat op onze erfscheiding staat, hem voldoende zal beschermen. Hij komt er net met zijn bekje net bovenuit, als hij zijn kop schuin omhooghoudt.

Wat nooit gebeurt en Cesar nooit doet als hij het commando “Liggen” gekregen heeft, geschiedt nu: onze herder schiet omhoog en stapt over het hekje richting de poedel. De eigenaresse schrikt zo, dat ze met een ruk haar poedeltje aan de riem naar haar toe trekt. Cesar volgt grommend deze beweging, waarbij de vrouw in een poging haar lievelingsdiertje te redden, het aan de riem rondslingert, alsof het in een zweefmolen zit. Zelf met korte pasjes om haar as draaiend.

Ondanks mijn roepen en commando’s blijft Cesar achter het vliegende hondje aan springen.

Het is een situatie, waarmee je in een film zou kunnen lachen, maar dit is doodernstig!

Natuurlijk ben ik intussen opgesprongen en stap richting Cesar. In een poging hem te pakken, grijpt de hond mijn linkerhand en laat die niet meer los.

Ik voel de pijn van de snijdende tanden niet.

Ik druk zijn kop tegen mijn rechter oksel en sla de rechterarm om zijn nek heen. Zo sleep ik mijn hond door de voortuin, hij lopend op zijn achterpoten, de gang van ons huis in, de keuken door naar de achtertuin. Daar laat de hond me los en ik hem. Op twee meter afstand van mij gaat hij zitten, met hangende oren en een ‘sorry-blik’ in zijn ogen.

 

Het bloed loopt uit mijn hand, alsof er een waterkraan open staat. Ik loop de keuken in, pak de dichtbij zijnde handdoel en wind die om mijn hand als drukverband.

Intussen is Riet mij na gekomen en doet de buitendeur van de keuken dicht, zodat Cesar niet weg kan uit onze afgesloten achtertuin. Ze wijst naar het bloedspoor, dat vanaf de voor- naar de achterdeur loopt.

“We gaon meteen naor dun dokter,” terwijl ze een paar schone theedoeken pakt. “Doe die vuile handdoek mar weg.”

Ze kijkt me met een bezorgd blik aan.

“Neije, nie naar dun dokter,” wijs ik af, denkend aan die eerste hondenbeet van mij. “Direct naor de irste hulp van het Ignaotius ziekenhuis! Hoe ist meej dieje poedel?”

“Ammel goed,” antwoordt Riet. “Die vrouw is flink geschrokken, mar ut hondje mankeert niks.”

 

In het Ignatius ziekenhuis te Breda wordt op de spoedeisende hulp de wond goed schoon gemaakt. Tussen duim en wijsvinger, net in de handpalm, heeft Cesar dwars door mijn hand heen gebeten. Hij heeft een klein stukje bot geraakt, maar geen spieren of pezen.

Ik breng het er goed af dus, maar moet wel een hele week elke dag terug naar het hospitaal om de wond te laten zuiveren en opnieuw laten verbinden.

 

Als we uit Breda terugkomen stap ik onze tuin in, waar Cesar nog steeds zit.

“Doe da nou nie,” waarschuwt Riet me, “misschien pakt ie oe wir!”

Maar ik luister niet.

Als ik de keukendeur open, zit Cesar midden in de tuin naar mij te kijken met zijn oren recht overeind. Ik loop naar hem toe en sta een halve meter voor hem stil. Ik haal mijn verbonden hand uit de draagdoek en houd die voor zijn neus. De hond draait zijn kop weg, laat zijn oren hangen en kijkt me met een verontschuldigend blik schuin aan.

Hij begrijpt het.

Met mijn andere hand aai ik hem over zijn kop, doe zijn halsband aan en ga met hem het bos in.

We zijn weer dikke vrienden.

 

Na dit voorval zien we de oude Cesar toch nukkiger en grommig worden. Op een morgen staat hij onder aan de trap en laat de kinderen niet meer naar beneden komen. Als Raymond of Susanne het proberen, laat hij grommend zijn tanden zien.

Dan moeten we, in overleg met de dierenarts, besluiten hem een spuitje te laten geven. Moeilijk, maar het kan niet anders; hij wordt een gevaar voor de kinderen.

Ikzelf breng hem weg. Als hij de slaapinjectie heeft gehad, dommelt de hond langzaam weg. Met tranen in mijn ogen zie ik hem in slaap vallen. Een slaap, waaruit hij niet meer al ontwaken. IK heb de moed niet meer om zijn halsband van zijn nek halen.

Voor mij was hij, ondanks de beet, een grote vriend.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Het Plekkie van het Lege Bekkie

Watersport.

Als je een plezierjachtje koopt, dan heet het, dat je aan ‘watersport’ doet.

Wat wij doen, en velen met ons, is geen sport op of in het water, maar vertier op het water en soms in het water.

Elk weekeinde een plaatsje zoeken in onze Biesbosch om er gezellig met anderen te vertoeven. Lekker vissen, of met je rubberen of polyester bijbootje varen. Een boek lezen, naar de radio luisteren of teevee kijken. Of gewoon onder elkaar wat kletsen onder het genot van een drankje.

Ook is watersport voor ons op vakantie gaan met je bootje; Nederland door of zelfs het buitenland in.

Je kunt je voorstellen, dat in die ruim twintig jaren, dat we nu varen, wel het een en ander is gebeurd.

Hier een waar gebeurde belevenis  - uit de negentiger jaren - van ons, watersporters.

 

  ‘t Plekkie van ‘t Lege Bekkie!

Biesbosch vaarders hebben hun eigen benamingen voor hun favoriete aanlegplaatsen in de Biesbosch. Zo kennen wij het ’Eerste Gatje’ en het ‘Tweede Gatje’. Het eerste heeft een smalle invaart op Spijkerboor (die uitloopt op de Amer), maar het tweede is een zijarmpje van het Middelgat van de Plomp.

Om bij het Tweede Gatje te komen, moet je vanuit Spijkerboor de Sloot van St. Jan door varen en bakboord de Plomp in en dan weer het eerste stroompje aan bakboord in.

 

Zo kennen wij ook het plaatsje bij ‘D’n Boom’.

Ja, er staan honderdduizenden bomen in de Biesbosch. Maar als we elkaar via het bakkie (27MC-bak) oproepen en meedelen , dat we bij ‘D’n Boom’ liggen aangemeerd, weten we precies waar we moeten zijn.

Zo heb je ook nog ‘Koetjeboe-eiland’.  Dit is een plek in het Middelgat van de Plomp, waar sinds mensenheugenis Kiske Ligtvoet zijn boot ‘Koetjeboe’ aanmeert. Op deze manier krijgen naamloze oevers, stroompjes of eilandjes hun namen.

Voor ons is er een bijzonder aanlegplaatsje in het Middelgat van de Plomp, dat zijn naam dankt aan een leuke gebeurtenis tijdens een druk weekend.

 

Het is vrijdag avond.

We liggen met een viertal boten bijeen: de Dagaonogal, Don Pedro, Christa en de Thebo. Voor de pinnen in  de grond, achter de ankers uit. De loopplanken zijn goed bevestigd op de oevergrond, zodat we gemakkelijk van boord kunnen.

Rietje en Peter met de Don Pedro, Aaf en Christ met hun Christa, Thea en Bob met de Thebo en wij (Riet en ik) met onze Dagaonogal.

De werkweek zit er op en de ontspannende Nederlandstalige muziek weerklinkt uit een van de boten. Een flesje wijn wordt ontkurkt, bier schuimt tot diep in de glaskraag en ook een Portje wordt met genot achterover geslagen. Het is dus een gezellige en rustige avond.

En daarvoor zoeken we de rust van de Biesbosch op.

En dan gebeurt het wel eens dat het enorm gezellig wordt.

De tijd vliegt en de ochtend kondigt zich al aan, voordat wij zin hebben om onze kooien op te zoeken. De slaap is allang over.

Het is half vier in de ochtend en de zon verspreidt zijn eerste lichtstralen al over de vredige Biesbosch.

Bij een sanitaire pauze wordt gebruik gemaakt van het scheepstoilet. Maar mannen ‘wateren’ soms ook in de vrije natuur of kortweg over boord.

Zo ook heeft Peter last van een behoorlijke druk op zijn blaas.

Hij gaat naar buiten en we horen hem wat stommelen op het voordek van zijn schip. Dan komt ie terug, gaat op de bank zitten en zegt verwonderd: “Wa’k nou mee maok! M’n taande zèn in ‘t waoter gevalle!”

Wij lachen! Ge kent Peter: altijd goed voor een grap!

Er wordt al door verschillende personen – ik zal ze niet bij naam noemen – een gebit aangeboden. Maar die vrijgevigheid slaat Peter toch maar af.

“Neije,” vervolgt ie, “echt waor! Ik ben m’n taanden kwijt!  Ze zèn echt in ’t waoter gevalle!”

Hij opent demonstratief zijn mond en wijst naar zijn boven en onderkaak.

“Ge zieg’t toch: helemaal leeg!”

Wij lachen ons te pletter. Een van de twee heeft hij bijna nooit in. Boven of ondergebit, dat weten we zo gauw niet.

Maar Peter gaat ons precies vertellen wat er gebeurd is:

“Ik liep over ’t gangboord, prutste wa aon m’ne gullup om ‘m open te krijge en keek nie goed uit. Struikelde over ‘n touw, probeerde me mee m’n haanden nog op te vangen, mar kwaam mee m’n kin op de railing terecht. En ploeps: m’n gebit in ’t water!”

Ploeps! We komen niet meer bij.

Ja, die Peter, da’s  n’n mooie!  Daar kunde mee lachen!

Peter zelf blijft echter zeer ernstig kijken.

Hij meent wat ie vertelt. En als we eindelijk bijkomen uit de slappe lach, beseffen we dat hij bloed serieus is. Wij worden ook wat ernstiger.

“Dan motte we ’t op gaon duike,” stelt er ene uit de groep voor.

Wie, weten we niet meer.

Ja,  inderdaad. Opduiken!

Het is begin mei en de temperatuur van het water is niet erg hoog!  Maar een nieuw gebit kost ook een paar centjes.

Dan maar met een paar man het water in.

 

We gaan met z’n allen naar buiten.

Peter wijst de plek aan, waar hij met zijn baard de railing raakte en zijn gebit in het Noordergat van de Plomp verdween.

Ons Riet, Peter en Christ trekken kousen en schoenen uit (in omgekeerde volgorde) en lopen vanaf de walkant het water in. Zij betasten met hun blote voeten de drassige bodem van de Plomp. Gelukkig is het hier niet zo diep. Telkens als ze denken iets te voelen, halen ze met hun handen het ontdekte voorwerp boven water. Meestal is het hout, steen of een mosselschelp.

Ze zijn intussen door en door nat.

Koud hebben ze het niet, waarschijnlijk omdat ze goed van de ´antivries´ voorzien zijn!

`Hebbes!` klinkt plots de stem van Riet over het water.

Triomfantelijk houdt ze de tanden omhoog.

Wij met z’n allen juichen, alsof er een doelpunt gescoord is.

Peter reikt naar de uitgestoken hand van Riet, pakt het gebit en zet het meteen op zijn plaats in z´n mond.

’t Past!

`´t Lag op de bodem in een rottende vis!` roept Riet nog, maar Peter hoort niets meer. Hij is te blij dat hij zijn tanden terug heeft.

Wij ook blij natuurlijk. Iedereen blij!

Eerst de ´duikers´ handdoeken aangereikt en dan zo snel mogelijk proosten op het terugvinden van de tanden.

We praten nog een half uurtje na en dan zoekt iedereen zijn bed op. Het was een goede afsluiting van een gezellige avond.

 

En dat mooie aanlegplaatsje in het Noordergat van de Plomp heeft gelijk zijn definitieve naam van ons gekregen: ’t Plekkie van ’t Lege Bekkie’ !!!

 

Copyright Henk M. van Oosterwijk

Uit mijn boek: De spuigaten uit.

Link:  http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-spuigaten-uit/9789082020328 

 

Olypisch Goud op de Rije

In een zoektocht naar sportprestaties van Rijenaren kom ik slechts één naam tegen, die ‘Goud” veroverde: Janus Theeuwes. Voluit geschreven: Adrianus Cornelis Theeuwes, geboren in Rijen op 4 april 1886.

Zijn hobby is handboogschieten en daarom sluit hij zich aan bij Vriendenkring Rijen. Hij beoefent zijn sport heel serieus en in 1920 wordt hij uitverkoren door de het Nederlands Olympisch comité om met nog zeven andere boogschutters deel te nemen aan de Olympische zomerspelen. Deze worden dat jaar gehouden in Antwerpen, dus bijna een thuiswedstrijd voor de boogschutters.

 

Het complete team bestond uit Jo van Gastel uit Tilburg, Tiest van Gestel uit Goirle, Janus van Merriënboer uit Oud-Gastel, Theo Willems uit Uden, Piet de Brouwer uit Gestel, Driekske van Bussel uit Asten, Joep Packbiers uit Nuth en onze Rijense favoriet Janus Theeuwes.

Het acht man sterke team zet zich in op het onderdeel ‘Bewegend Vogeldoel’ en zij schieten vanaf een afstand van 28 meter.

De Nederlandse boogschutters hebben in deze zomerspelen alleen geduchte tegenstand van het gastland België, maar winnen uiteindelijk toch de Gouden Medaille met een totaal van 3087 punten. Onze zuiderburen eindigen op de tweede plaats (zilver) met 2924 punten. Frankrijk wordt, met een vrij grote achterstand en 2328 punten, derde (brons).

 

Het is in 1920 een mooie prestatie van onze plaatsgenoot.

Janus is 34 jaar oud, als hij aan de spelen deelneemt. Hij overlijdt op 89-jarige leeftijd in Tilburg in het jaar 1975.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Bronnen: Sport Reference LLC en Wikipedia.

Onze huiskrekel

 

Het gebeurt in het jaar 2004.

Het is de maand oktober en het vaarseizoen zit erop voor Riet en mij. De boot is ‘winterklaar’ gemaakt en onze rubberboot hebben we laten leeglopen, ingepakt en opgeslagen in onze logeerkamer. Helaas is onze berging, die bij het appartementje hoort, te klein om hem te herbergen.

We kunnen de winter in.

 

Op een nacht word ik wakker van een vreemd geluid. Ik richt me op in bed om beter te kunnen luisteren. Het is een korte, trillende en piepende toon, die uit de gang vandaan komt. Het lijkt wel de roep van een krekel.

“Dat zou kunnen,” denk ik in mezelf. “Het wordt wat kouder buiten en die beestjes zoeken warmte op.”

Ik laat me uit bed glijden (een bejaarden bed is vrij hoog, weet je) en loop voorzichtig – om het beestje niet weg te jagen - naar de gang.

Het geluid is weg.

Zou ik toch te rumoerig zijn geweest?

Ik draai me om en wil de slaapkamer weer in lopen, als de krekel zich opnieuw laat horen.

“Rrrrriee, rrrrriee.”

Komt de roep nu uit de logeerkamer?

Op mijn tenen sluip ik die kamer in, maar het diertje heeft me blijkbaar in de smiezen en laat zich niet meer horen.

Teleurgesteld zoek ik mijn bed weer op en trek het dekbed over me heen.

“Wè bende ammel aon’t spoke?”

Riet is wakker geworden van mijn zoektocht en draait zich naar me toe.

“Ik hôr nun krekel in huis, mar kan ‘m nie veine,” antwoord ik. “Hedde gij ‘m nie gehôrd?”

“Ikke nie.” Riet draait zich om en even later ligt ze te snurken.

Nee, natuurlijk heeft ze dat trillende geluidje niet gehoord: haar linkeroor is stokdoof en haar rechter, daar slaapt ze op! Bovendien heeft ze haar gehoorapparaten ’s nachts niet in.

Ik hoor de krekel nog een paar keer roepen, maar dwing mezelf in slaap te vallen.

 

Deze scène herhaalt zich nog enkele nachten en onze huiskrekel begint voor mij een obsessie te worden.

Voor ik naar bed ga, loop ik al een paar keer de gang in om te luisteren of onze huisvriend al wakker is. Meestal hoor ik niets. Maar steeds, als we te bed zijn gegaan en ik in slaap wil vallen, begint die krekel aan zijn concert.

“Rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee!”

Ik zoek elk begin van de nacht alle ruimten door, om het krekeltje te ontdekken. De badkamer, het washok, de toiletruimte en de logeerkamer. Het beesje is echter heel slim. Als ik hem (of haar) hoor roepen, trippel ik bijvoorbeeld voorzichtig naar het washok en blijf gespannen staan luisteren.

Maar dan houdt hij zich stil!

Dat rotbeest is slimmer dan ik dacht.

 

Na de vijfde nacht bedenk ik me plots iets: de rubberboot!

Bij het inpakken van de boot in de haven is het diertje natuurlijk in de boot gekropen en hebben we het meegenomen naar ons appartementje.

“Rietje,” zeg ik tegen mijn vrouw, “schuif de meubels in de kaomer aon de kaant, dan sjouw ik de rubberboot hiernaortoe en rolle we ‘m uit. Ik mot en zal die krekel veine!”

Ik sleep de toch nogal zware boot over de betegelde vloer de logeerkamer uit en door de gang de woonkamer in, waar Riet intussen ruimte heeft gemaakt. We pakken samen de boot uit.

“Goed oplette, dè ge da bist van de boôt ziet springe,” waarschuw ik mijn vrouw. Voorzichtig rollen we de rubberboot uit, kijken in alle hoekjes en gaatjes maar ontdekken geen krekel.

Als de boot weer opgerold en ingepakt is, breng ik hem weer naar de logeerkamer. Daarna laat ik me met een plof in mijn zorgstoel vallen. Ik ben doodop van dit karwei en Riet natuurlijk ook.

“Ge bekijkt het vôrtaon mar meej oewe krekel,” zegt ze zuchtend. “Ik doei nimmer meej!”

 

Diezelfde avond zit ik in de logeerkamer te werken op mijn computer, als ik de krekel weer hoor. Nu echter kan ik vrij precies de plaats van het geluid bepalen. Ik loop zachtjes naar de boekenkast en hoor opnieuw de roep: “rrrriee, rrriee.”

De trillende klanktoon komt uit een doosje!

Ik wacht even in spanning.

Als het timbre weer uit het doosje klinkt, til ik snel de deksel eraf en houd mijn hand op de opening. Gespannen kijk ik door mijn vingers heen of ik de krekel kan ontdekken.

Niets.

Voorzichtig schuif ik mijn hand van het doosje af, til het ronde ding eruit, maar krijg mijn aartsvijand niet te zien.

Teleurgesteld zet ik het vermeende krekelhuis weer terug.

“Rrrrriee, rrrrriee,” klinkt uit de doos.

Ik snap er niets meer van, pak de doos en haal het apparaatje eruit. Het is een rookmelder! Dat ding heb ik anderhalf jaar geleden gekregen van zoon Raymond. We hebben het toen nog uitgeprobeerd.

Maar in dat doosje kan toch geen rook gekomen zijn?

Ik pak de gebruiksaanwijzing en lees uiteindelijk:

‘Als de batterij bijna leeg is, hoor je een trillerig piepend geluid!”

Die batterij heb ik erin laten zitten!

Daar heb ik nou vijf dagen lang mijn huis voor over hoop gehaald!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Onze ouders

In een van mijn verhalen vertelde ik u over mijn ouders. Dat ik eigenlijk niet wist hoe ze elkaar hebben leren kennen.

Diepgaand onderzoek (onzin natuurlijk) en gesprekken met mijn broer Wim brachten het volgende verhaal naar boven.

 

Onze pa was een avonturier.

Het was in het jaar 1932, in de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog, toen hij een paar keer per

week in de nacht bij Strijbeek de grens naar België over fietste om met een paar dozen boter op zijn pakkendrager terug te komen. Opoe kocht voor hem speciaal een racefiets, met verzwaarde pakkendrager natuurlijk, zodat hij toch zeker de douane, die ook op een rijwiel bij de grens patrouilleerden, voor de kunnen blijven.

Dat lukte aardig, maar het ging ook wel eens mis.

Op een avond werd onze pa verrast door twee douaniers, die zich in een droge sloot verschanst hadden.

“Halt!” klonk plotseling in het donker.

Onze vader’s reactie was erg snel. Terwijl de grenswachters uit de sloot kropen, demarreerde hij weg van de twee gewapende mannen, die nog een schot in het donker gaven, onder het roepen van: “Halt of ik schiet!”

Voordat de douaniers hun fietsen uit de sloot hadden, was onze pa al een heel eind weg. Hij verstopte snel de twee dozen boter in de bossen en fietste, uiteraard zonder licht op, met grote snelheid over de bospaden en verstopte zich ergens met racefiets in de struiken. In de verte hoorde hij de grenswachters met elkaar praten, maar die mannen gaven het op en trapten richting kazerne. Pa deed nog een uurtje een klein dutje en besloot daarna de paden te gaan verkennen, of de dienstkloppers toch wel zeker verdwenen waren.

Het bleef rustig en vader laadde de twee dozen boter weer achter op zijn fiets en reed richting Rijen, waar een ongeruste moeder op hem zat te wachten, omdat hij zo lang wegbleef.

Alles was dus goed afgelopen en snel kroop ie in bed om nog een paar uurtjes te slapen. Om zeven uur moest hij weer op de leerlooierij zijn.

Dat was vrijbuiter Kees van Oosterwijk.

 

 

Pa was bevriend met Koos van der Kaa (tot aan zijn dood) en die zegt op een dag: “Kees, ge môt zondag us meegaon naor Oosterhout. Ik heb daor een meiske leren kenne, en die brengt dan haar vriendin mee. Misschien iets voor jou.”

“We zulle wel zien,” was het antwoord van Kees. “Veur jou dan.”

De nieuwe vriendin van Koos zei hetzelfde tegen Mina Sestig, zeventien jaar oud.

“Wie brengt ie meej?” vroeg ze belangstellend.

“Kees van Oosterwijk uit de Rijen,” was het antwoord.

“Kees van Oosterwijk?” reageerde Mina afwijzend. “Die ken ik wel. Mar zônne lullikke vent môt ik  nie!”

Mina werkte namelijk bij Schoenfabriek Klerkx op het Martveld in Rijen en kwam elke dag langs het huisje op de Vijf Eiken gefietst, waar Kees dan in zijn oude kleren of overall aan het werk was.

 “Gao nou mar vur mijn meej,” smeekte de vriendin, “aanders staoj ik daor alleen meej twee venters!”

Dus Mina beloofde mee te gaan.

Het boter smokkelen legde Kees geen windeieren, en die zondag kwam hij met Koos mee in zijn zondagse pak met overhemd, stropdas en onder de omslag van zijn broek een paar blinkend gepoetste schoenen. Zelf was hij ook helemaal gewassen, opgefrist en gekamd. Mina’s mening over Kees draaide meteen honderdtachtig graden om: ze vond hem zelfs knap en met z’n vieren gingen ze dansen. Kees had door zijn smokkelactiviteiten best wat geld op zak om een stevig drankje te kopen, terwijl veel heren droog aan de kant stonden.

 

Koos en zijn vriendinnetje hielden het niet lang met elkaar vol, maar deze eerste dansavond was het begin van een zeven jaar lange verkering tussen ons ma (Mina) en ons pa (Kees).

Moeder Sestig-de Vos had over die lange verkering haar eigen bedenkingen en zei dikwijls tegen haar dochter: “Mina, heej Kees al us over trouwe gepraôt?”

“Neije moeder,” was steeds het antwoord en dan kreeg Mina altijd dezelfde opmerking van haar moeder te horen: “Kees is nun vrijer, mar ginne trouwer!”

 

De verkering telde dus bijna zeven jaren, toen Mina en Kees langs een juwelierszaak in Breda liepen. Mina stond naar de ringen te kijken, toen Kees plotseling zei: “Zoek mar nun trouwring uit.”

Dat was het.

Dat was zijn huwelijksaanzoek. Niks romantiek, recht voor z’n raap. Dat was onze pa.

 

Op 19 oktober 1939, ruim een half jaar voordat de Nazi’s Nederland bezetten, traden ze in het huwelijk in de St. Antonius kerk in Oosterhout. Daar waar ons ma in 1916 was gedoopt en later haar H. Communie deed. Ze kregen twee zonen: Henk en Wim, die beide geboren werden in de Pastoor Gillisstraat 146, het huisje met de Franse kap, dat ze met het trouwen gehuurd hadden. In 1951 verhuisden ze naar de Laagstraat 55, een vrijstaand huis, dat door mijn grootouders gebouwd werd.

In 1989 vierden ze hun Gouden Huwelijk en zeven jaar later stierf onze pa op 83-jarige leeftijd. Moeder bereikte de leeftijd van 96 en had misschien de honderd wel gehaald. De laatste drie jaar van haar leven was ze blind en wilde niet meer verder.

 

Dat waren onze ouders, misschien niet romantisch, maar wel recht door zee en een sterke liefde voor elkaar en hun twee zonen. Ik kan me niet herinneren, nee ik weet het zeker, dat ze de woorden ‘ik hou van je’ nooit tegen ons hebben uitgesproken.

Dat hoefde ook niet; wij wisten het gewoon.

© Henk M. van Oosterwijk

Schrobbelèr

Ik weet het: alcoholische drank is niet goed voor een mens. Maar toch ben ik van mening, dat het ook veel plezier brengt. Bij mij althans.

Niet dat ik alcoholist ben, maar vijf van de zeven dagen in de week neem ik toch een lekker glas whisky voor het te bed gaan. Dat doet me denken aan de tijd, dat ik in de ‘midlifecrises’ zat. Nou ja, een crises kun je het niet noemen, want ik ben er geluidloos doorheen gegleden. Nu ben ik vijfenzeventig en merk ik ook weinig van het ouder worden. Op enkele kleinigheidjes na dan. Ik behoor nu toch bij de nieuwe generatie 50+, niewaar.

Maar terug naar mijn herinnering.

 

Het gebeurt in de negentiger jaren. Onze kinderen hebben beide hun zelfstandige leeftijd bereikt en dat geeft ons weer een stuk vrijheid terug.

Riet, mijn vrouw, en ik houden allebei van biljarten en van een drankje, een combinatie die in veel dorpscafés te vinden is. Onze vrienden, Peter en Ria, houden daar ook van. Alleen Ria houdt het bij kijken naar de biljartsport; met het drankje doet ze volop mee. Zo komt het, dat we nogal eens een keer met vieren naar ’t Biljartcentrum gaan in de Julianastraat in Rijen. Zo ook deze zaterdag.

 

Het is gezellig druk in het café, zodat we voor het biljarten even uitwijken naar de zaal, waar vijf biljarttafels staan. Als Riet, Peter en ik ons partijtje hebben gespeeld, schuifelen we weer terug naar de gezelligheid in het café en pakken daar diverse biertjes. Tenminste Peter Ria en ik, want Riet drinkt wijncognac. Ik heb net een verstandig gesprek met Wim, zoals ik oud-secretaris van de Rijense Biljart Federatie. Samen zitten we ook in de organisatie van het Boemaars-toernooi, dat als inzet heeft het kampioenschap van Rijen driebanden groot. Het toernooi draagt de naam van ex-wethouder Gerrit Boemaars, ook wel ‘de burgemeester van Molenschot’ genoemd.

 

“Zin in een partijtje tien-over-rood?”

Het is kastelein Henny, die ons met deze vraag stoort in ons gesprek.

“Prima,” reageer ik, “dan bende ergus meej bezig. Aanders staon we hier toch mar te drinke.”

Ook Wim en Peter doen mee.

Ge moet weten, dat tien-over-rood best een moeilijk spel is. Je moet steeds met dezelfde gemerkte witte bal stoten en eerst de rode bal raken, voordat die de andere witte bal aanstoot. Als je echter met geroutineerde biljarters speelt, waarvan wij aannemen dat we daarbij horen, kan er ‘afgelegd’ worden. Dus de witte bal zodanig wegleggen, dat de rode bijna niet te raken is. Zowel verdediger als aanvaller kan daarbij al zijn punten kwijtraken en op 0 terecht komen.

Ik zal het maar niet verder uitleggen, maar je begrijpt dat het spel dan erg lang kan duren.

En de drank helpt daarbij ook nog een handje.

 

“Allemaal nun Schrobbelèr?” vraagt Henny na enkele rondjes bier aan de biljarttafel.Maar er is geen keuze, want de kastelein schuift ons meteen een dienblad met vier Schrobbelèrkes toe.

“Lekker,” is de reactie van ons alle drie. Schrobbelèr is een zoet onschuldig kruidendrankje, dat ze in Tilburg hebben uitgevonden.

Nou, onschuldig! Het heeft slechts 22% alcohol, maar na een aantal biertjes kan het toch onverhoeds toeslaan. Zeker als het te snel gedronken wordt. Als bierdrinker ben je gewend om stevige slokken te nemen. Doe je dat bij Schrobbelèr, dan is je borrelglaasje in één keer leeg.

En zo geschiedt.

Dus Wim loopt weer snel naar de bar om de borrels te laten vullen. Ook Peter en ik laten onze beurt niet voorbijgaan. Als Henny, na diverse stoten over rood en missers, dan met acht borrels aan komt zetten, is het hek van de dam.

 

Intussen gaat de strijd tien-over-rood onverwijld door, zwaar beïnvloed door de Schrobbelèr: iedereen staat op nul!

En dan komen de grappen!

Terwijl Wim even het toilet bezoekt, wisselt Hennie de stootbal om voor een bal met een loden kern. En die kern ligt echt uit het lood!

Als Wim terug is en met die bal de rode bal probeert te raken, gaat zijn stootbal een geheel eigen weg volgen en rolt met een grote boog ver van rood vandaan.

Wim is ontzet. “Ik gaaf um helemaal gin effect. Hoe kan da nou?” Hij kijkt ons aan, terwijl Henny weer snel de ballen verwisseld. Peter, Henny en ik zijn aan de beurt en de stootbal doet gewoon rechtlijnig zijn werk.

“Ge mot deze keer nie zoveul effect geve,” adviseert Peter en onttrekt weer even de aandacht van Wim van het biljart. De kans voor Hennie om opnieuw de ballen te verwisselen.

Wim legt nu serieus aan op rood. Het is eigenlijk een simpel balletje, die je met je ogen dicht moet kunnen maken. Maar opnieuw loopt de stootbal met een boog weg van rood. Wim richt zich op van de biljarttafel en kijkt ons met een verbaasde blik aan.

“Ge mot um ok gin effect geve,” zegt Peter serieus. “Ik zee ut toch!”

“Mar da deej ik nie!” roept Wim uit met een machteloze stem.

Afijn, dit herhaalt zich nog enkele keren en dan ziet Wim ineens de verwisseling van de ballen. Wij brullen van het lachen. Alle ingehouden pleziertjes van de voorbije minuten komen er ineens uit.

Wim kan er ook om lachen, maar dat heeft toch even zijn tijd nodig.

 

Intussen zijn de dienbladen met acht Schrobbelèrs regelmatig aangedragen en vinden we, in gezamenlijk overleg, dat we beter met biljarten  kunnen stoppen. We staan alle vier nog zonder punten en de tien zal door niemand gehaald worden. Deze avond zeker niet.

En dan gebeurt er iets, dat ikzelf niet meer kan herinneren. Ik heb het van horen zeggen dus; van mijn eigen vrouw nog wel.

 

Het café heeft verschillende steunpalen, die bouwkundig een stalen balk moeten stutten. Deze palen zijn rondom met hout betimmerd. Op ongeveer één meter tachtig hoogte zit een plateautje, waar je een glas bier op kwijt kunt.

Ik heb blijkbaar dorst gekregen van al die Schrobbelèr en weer een biertje besteld. Na een stevig slok zet ik het glas op dat plateau.

Dat gaat nog wel.

Als ik echter een tweede dronk wil nemen, kan ik met mijn hand het glas niet meer bereiken. Misschien sta ik te dichtbij of te ver weg van de paal?

Met de linkerhand rustend tegen de paal om mijn evenwicht te kunnen behouden, reik ik met de rechterhand steeds omhoog naar mijn glas bier. Maar mijn arm is te kort of zoiets. Ik krijg mijn biertje niet meer te pakken.

Ziet u het voor u?

Het lijkt toch hopeloos?

Dat is het dan ook. Na vier of vijf pogingen hoor ik ineens een vertrouwde stem achter me.

“Ik denk, Henk, dat ut tijd is om naor huis te gaon. Ik heb al afgerekend.”

“Ik denk ut ôk.” Ik draai me half om naar Riet, maar houdt de paal met twee handen vast. “Hier ken ik toch nimmer bij mijn bier!”

 

© Henk M. van Oosterwijk