Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Begrip maar geen besef

"Meneer, mag ik u iets vragen?"

Ik loop in Oosterhout de entreehal in, die naar supermarkt Jumbo leidt. De jongeman, die de vraag stelt, is langer dan ik. Zestien tot achttien jaar oud, schat ik.

"Natuurlijk," antwoord ik. Hij zal weer wel een verkooppraatje hebben over een abonnement op en of ander dagblad, denk ik bij mezelf.

Maar hij verrast me.

"Ik heb mijn ID-kaart niet bij me en wil graag sigaretten kopen. Kunt u mij helpen?"

Even denk ik nu, dat hij een zakkenroller of geldwisselaar is. Hij ziet de twijfel op mijn gezicht en gaat verder.

"Ik ben achttien, hoor. Maar ik kan me niet identificeren, omdat ik mijn ID-kaart niet in mijn zak gestoken heb. Wilt u voor mij een pakje sigaretten halen, alsjeblieft. Hier is een tientje."

Hij steekt zijn hand naar me uit met de tien euro er in.

Ik ben even stil. Dan kijk ik omhoog, de jongeman recht in zijn ogen.

"Ik wil graag iemand helpen, maar dit kan ik helaas niet."

De jongen trekt een teleurgesteld gezicht.

"Je moet weten," ga ik verder, "dat mijn vrouw van jongs af aan gerookt heeft. Zij is helaas tien maanden geleden aan longkanker overleden. Dus, sorry, ik wil je niet helpen."

De jongeman aarzelt.

" Euh, u hoeft geen sorry te zeggen, meneer. Ik begrijp het. Sterkte nog." En hij loopt van mij vandaan.

Ik ga bij Jumbo de klappoortjes door en doe mijn boodschappen. Misschien is het wel een truc van die jongen, bedenk ik nu. Waarschijnlijk is hij nog geen achttien.

Als ik bij de kassa mijn spulletjes afreken, zie ik de jongeman met een grijzende heer naar de sigarettenbalie lopen. Hij heeft toch een medestander gevonden dus.

'Ik begrijp het,' zei hij net nog tegen mij.

Ja, hij begrijpt mij, het verlies van mijn vrouw.

Verder beseft hij niet, wat een sigaret met je doet.

Wel begrip, maar geen besef!

© Henk M. van Oosterwijk

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

21-7-2018:  Begrip maar geen besef

20-07-2018:  Ge mag grust durslaon

16-07-2018:  Geluk aan de Poolse grens

10-07-2018:  Verloren uurtje

19-06-2018:  Drank brengt geluk

14-05-2018:  Sneeuwwitje

08-05-2018:  Pap nooit met vreemden aan

19-03-2018:  De truc

15-03-2018:  Piet, koffie!

06-03-2018:  De rooie step

02-03-2018:  Het trapje en de gebroken hand

08-01-2018:  Er brandde één kachel

16-12-2017:  Raok me us aon

 

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

 

Ge mag grust durslaon

(Je mag gerust harder slaan)

 

Ik heb nog eens eventjes gebokst.

Nou ja, gebokst. Ik volgde een half jaar lang de trainingen van Hans Zimniak, die in Dongen een toch wel respectabele boksschool leidde. Als sportmedewerker van dagblad De Stem heb ik eind zestiger jaren (dus al een halve eeuw geleden!) goede contacten met deze sportleraar, die rond deze tijd Zuid-Nederlandse kampioenen voortbracht uit zijn boksleerlingen.

 

Hoe kom jij als voetballer nu tussen die boksers terecht, zult u zich afvragen.

Dat is simpel: half weg de competitie 1969/1970 raak ik geblesseerd. Er is een middenvoetsbeentje in mijn rechtervoet gebroken. Als dat na enkele weken genezen is, blijft die voet pijnlijk en word ik door mijn huisarts doorgestuurd naar een fysiotherapeut in Teteringen. Na een aantal behandelingen raadt deze me aan om boks training te gaan volgen, niet om mijn vuisten te oefenen, maar voor het voetenwerk dat bij deze sport komt kijken. Goed voor dit middenvoetsbeentje.

Hans Zimniak vindt dit leuk en zo ga ik tweemaal per week naar de Gasthuisstraat in Dongen, waar in het toenmalige patronaat de trainingen plaatsvinden.

Nog wel even het volgende: ik vertel u dit niet om mezelf te verheffen tot een atletische superbokser. Ook niet om een ander te vernederen of pijn te doen. Ik schrijf dit puur voor dat ene komische moment.

Leest u verder.

 

Ik ben 26 jaar jong, getraind keeper met een gewicht van rond de tachtig kilo. Mijn jongere broer Wim vindt die trainingen ook best leuk. Vijf jaar jonger en tien kilootjes lichter dan ik, meldt hij zich eveneens aan voor deze sportieve boks training.

En die is best zwaar. Bokstrainer Hans is niet flauw voor zijn pupillen en droogt ze aan alle kanten af, zoals u zult begrijpen.

Naast conditietraining met het vlugge voetenwerk, horen ook de snelle armbeweging met de krachtige vuiststoten bij de oefeningen. De zak en boksbal zijn hier de hulpmiddelen, waarbij ook de techniek van het stoten (stompen) wordt besproken. Slaan mag namelijk niet bij het boksen. Tenslotte wordt er tussen de boksers nog even gespard. Samen boksen dus. Wel met de handschoenen aan natuurlijk, er wordt niet met de blote vuisten gebokst. We hebben geen hoofdbeschermers op, dat is  nog niet opgenomen in de boks reglementen.

 

"Zulle wij un partijke sparre?" vraagt broer Wim aan mij. 

"Ben ik nie un bietje te zwaor vur jou?" Constateer ik.

"Neije man," antwoordt broer Wim, "kom maar op." Hij zet zich in de bokshouding en laat zijn voetenwerk even zien. We beginnen te boksen en raken elkaar op armen en schouders.

"Ge mag grust durslaon," roept mijn broer, terwijl hij met zijn bokshandschoenen zijn gezicht beschermt.

"Oké," mompel ik, haal uit en raak hem vol op zijn slaap, de zijkant van zijn voorhoofd. Wim doet een stap terug, staat met zijn rug tegen het klimrek en zakt langzaam langs het rek naar beneden.

Verschrikt zie ik hem naar de vloer afglijden. Even schudt hij met het hoofd en ik help hem voorzichtig overeind. Dan snerpt het fluitje van Hans Zimniak door de zaal. 

Einde training. Zonder iets te zeggen lopen we naar de kleedkamer.

Nooit meer heeft Wim nog tegen me gezegd: ‘Ge mag grust durslaon.’ Maar dikwijls hebben we er samen om kunnen lachen.


© Henk M. van Oosterwijk

 

Geluk aan Poolse grens

Ik heb Polen altijd een prachtig land gevonden.

Riet, de kinderen en ik hebben er dan ook verschillende keren onze vakantie doorgebracht. We werden door mijn broer Wim - getrouwd met de dochter van een Poolse bevrijder - overgehaald dat land eens te bezoeken en dat beviel ons best. Sinds 1944 is Polen een satellietland van Rusland en bevindt zich achter het toenmalige ‘IJzeren Gordijn’. Desondanks hebben we de moed het land te gaan bezoeken. Daarom dit verhaal.

 

Het is het jaar 1975.

Twee weken lang hebben we als uitvalsbasis voor onze vakantietripjes onderdak gevonden bij onze Poolse vrienden in het stadje Mikolów. Gelegen in de provincie Silezië en vlakbij de grote steden Katowice en Chorzów. Lucka en Bertek ontvangen ons graag en de vriendschap is wederzijds. In 1978 zullen we voor hen de treinreis naar Nederland bekostigen en zijn ze zes weken bij ons te gast.

 

Terug naar 1975.

In Polen lijkt het, of de tijd wel vijftig jaar stil heeft gestaan. Na twee weken de schoonheid van de oude Poolse steden als Częstochówa, Kraków, Warschau en het prachtige heuvellandschap met bossen en rivieren bewonderd te hebben, is het weer tijd om naar Nederland terug te keren. Onze Opel Kadet heeft een ruime bagageruimte, die nu gevuld is met uiteraard onze kleding, maar daarbij diverse flessen wodka, kado's en antiek.

"Antiek?" hoor ik u denken.

Ja, de oude voorwerpen liggen in Polen voor het oprapen. Vooral op het Poolse platteland, waar we ons in de dertiger jaren van de twintigste eeuw wanen. Waar de boer zijn akker met paard en ploeg bewerkt en de kolenvoorraad om de winterkou te bestrijden met paard en wagen wordt thuisbezorgd. En zonder te veel arbeid van de kolenboer, of te wel de kolenleverancier. De kar bestaat uit een voor- en achterschot en twee schuinstaande zijschotten. Vóór het afleveradres wordt de kar tot stilstand gebracht en worden de steenkolen eenvoudig op het trottoir, op de weg of op de zandgrond gelost door beide schuine zijschotten los te trekken. De kolenmassa stort zich dan uit over de grond, met enige inspanning trekt het paard de kar tussen de kolen uit en klaar is Janek. Simpel toch!

De koper schept zijn kolen via emmers of een kruiwagen naar zijn kolenbunker. Blijft alleen een zwarte plek over op straat, maar die regent op de duur wel weg!

 

Ik ben weer afgedwaald.

Het antiek. Dat ligt voor het oprapen in schuren en oude zolders. Petroleumlampen, van koper, staand of hangend, alle soorten strijkijzers die op kachels verwarmd moeten worden, zwengelwaterpompen en veel klein huishoudelijk gereedschap en voorwerpen. Riet en ik hebben er niet speciaal naar gezocht, maar vergaren na veertien dagen toch een behoorlijke verzameling bijeen.

 

Als we nabij Trzebiel de grens naderen, begint de spanning bij Riet en mij te stijgen. Onze kinderen, Raymond vijf en Susanne drie jaar oud, hebben nergens last van en liggen op de achterbank te slapen.

"Als we controle krijgen, Riet," zeg ik tegen mijn vrouw, "en het is maar één douanier, zal ik hem dan wat dollars in zijn handen drukken?"

Riet kijkt me verschrikt aan.

"Nee," antwoordt ze resoluut, "de kinderen zijn erbij! Ge nimt gin risico!"

Gelijk heeft ze. Maar die douaniers hebben dikwijls meer dorst dan salaris en dan is een leuke fooi welkom! Bovendien is voor ons een dollar slechts twee gulden (ongeveer een euro), maar voor de Pool is 'n dollar minimaal 120 zloty en dat zijn twaalf werkuren! 

Maar ik zal me gedeisd moeten houden.

Normaal passeren we hier vier controleposten. Bij de eerste leveren we onze passen met gestempeld visa erin, die we bij de laatste post terug zullen krijgen. Als alles goed gaat!

Riet en ik zijn uit de auto gestapt, de kinderen slapen nog steeds op de achterbank.

"Offen machen," commandeert de Pool in het Duits en wijst naar de kofferbak. Met kloppend hart open ik de achterklep. De douanier woelt wat door de spullen heen, waarbij enkele flessen wodka tevoorschijn komen, maar de man reageert niet. Dan komt een oliehanglamp bloot te liggen. Hij stopt met zoeken en wijst naar de lamp.

"Antiek!" Hij kijkt mij doordringend aan. "Alles ausladen!"

"Alles?" vraag ik verschrikt.

"Ja alles!" De Poolse grensambtenaar maakt met zijn rechterarm een schepbeweging van de bagageruimte naar het wegdek. Ik kijk Riet aan. Het is nu het moment om enkele flessen wodka in de strijd te gooien, maar ik lees in haar ogen, dat ik niets moet ondernemen. Gelaten beginnen we de inhoud van onze kofferbak op het wegdek uit te stallen. Het antiek moeten we apart zetten. Als we hiermee klaar zijn, kijk ik de Poolse beambte vragend aan.

"Zurűck schicken," commandeert hij, "dort iszt eine Postambt." Hij wijst naar een gelig houten gebouwtje, dat er uitziet als een vervallen bouwkeet.

"Blijf jij maar hier bij de kinderen, Riet. Ik loop wel even naar dat postkantoor, kijken of ze dozen hebben."

Ik stap naar het gele gebouwtje, terwijl mijn gedachten koortsachtig werken. Krijg ik nog boete? Zetten ze me hiervoor vast? Hoe krijg ik dat spul allemaal teruggestuurd naar Bertek? De postbeambte vindt voor mij ergens een grote doos, waarmee ik terugkom bij de auto. De Poolse douanier is verdwenen.

"Waor is die vent?"

Riet wijst tien meter achter ons.

"Hij heej nun Duitser gevonde meej un grôot schilderij. Daor hèt ie ut druk mee!"

Die heeft een grotere vis gevangen, denk ik snel.

"Inladen Riet, rap!"

Even kijkt Riet me vragend aan, maar als ze ziet, dat ik alle op het asfalt liggende spullen terug in de auto gooi, helpt ze snel mee. Ik scheur de kartonnen doos in stukken en druk die op onze kleren en klap de bagageklep dicht.

"Rustig instappen."

We laten ons in de zittingen vallen, trekken de deuren dicht en ik start de motor.

"Ramen opendraaien, Riet."

Met geopende ramen rijd ik langzaam naar controlepost 2. Een douanier gebaart me door te rijden naar het vierde controlehokje; controle 3 slaan we dus over. De beambte daar kijkt naar mijn kentekennummer, draait zich naar zijn collega achter het loketje en overhandigt aan Riet even later onze paspoorten.

"Guter fahrt!" Hij tikt aan zijn pet.

"Aufwiedersehen," klinkt het tegelijk opgelucht uit onze monden.

 

Met precies de maximaal toegestane snelheid rijden we de grenspost uit en de brug over. We passeren hier rivier De Oder, die Polen van de DDR scheidt. Ik geef gas bij richting Cottbus. Deze autobahn zal ons naar de Berliner Ring brengen.

"Pffff, da hebbe we'r goed afgebracht," zucht ik op Oost-Duitse bodem en kijk Riet lachend aan.

"Da flikte me nooit mir," bijt Riet me toe.

"Waar zijn we?" mengt een nog half slapende Raymond zich in het gesprek. Hij en zijn zusje hebben niets meegekregen van de spanning, die ons toch ruim een uurtje beheerste.

"In Oost-Duitsland," antwoord ik glimlachend, "nog un uurke of acht en dan zèn we thuis."

De Opel Kadet rolt over de betonnen snelweg richting Berlijn.

Zou die Duitser met zijn schilderij ook zoveel geluk hebben als wij?

 

© Henk M. van Oosterwijk

Verloren uurtje

 

Het is voor mij een standaard uitspraak, als er een karwijtje ligt in huis of op de boot. Steevast is dan mijn antwoord: "Da doe'k wel effe in un verlore uurke!"

Dat er af en toe echte verloren uurtjes ontstaan, zult u wel begrijpen als je mij goed kent. Ik heb heel mijn leven gewerkt met een balpoint in de hand en als je die vervangt door een schroevendraaier of een steeksleutel gebeuren er de gekste dingen. Zo ook in het jaar 2013.

 

"Riet," zeg ik op een goede dag tegen mijn vrouw, "da startcontact van de boôt is versléte. Ik gaoij effe un nieuw slot haole bij Altena."

De bootwinkel van Altena Marine is op Keizersveer in Raamsdonksveer gevestigd, dus dat is maar een stukje rijden vanaf onze haven in Hank. Binnen een half uurtje ben ik op en neer en begin aan de moeilijk klus, want er zitten nogal wat elektro draadjes aan het oude contactslot geknoopt. Zoals ik al opmerkte: heel mijn leven heb ik met een pen gewerkt, dus besluit ik eerst maar eens een tekeningetje van de elektrische situatie te maken. (Momenteel ben ik zo slim geworden, om een foto met mijn telefoon van de aansluitingen te knippen.) Daarna demonteer ik het oude slot en bevestig ik de twaalfvoud bedrading nummergewijs volgens mijn tekening op de aansluitpunten. Twee uurtjes later zit alles vast gesoldeerd en geschroefd en steek ik de sleutel in het vernieuwde contact.

Alles werkt!

Dat heb ik mooi gefikst. Ineens alles goed!

Tevreden berg ik mijn gereedschap op en trek een flesje bier open. Dat heb ik wel verdiend, niewaar?

 

De dag erop haal ik de contactsleutel uit de kastlade en wil de motor starten. Onze boot is voorzien van een DAF 575 dieselmotor en heeft met zijn 'quickstart' maar een tikje nodig om aan te slaan. Maar zelfs dat tikje hoor ik niet. De sleutel draait stroef in het sleutelgat.

Hoe kan dat nou?

Gisteren was alles prima in orde. Na nog enkele pogingen lukt het niet om de motor te starten. Zelfs het dynamolampje brandt niet!

Ik snap er niks van.

Wat moedeloos haal ik de gereedschapskist en mijn tekeningetje weer tevoorschijn en begin te slopen. Zelfs het contactslot schroef ik geheel uit elkaar en bouw het opnieuw op. Vier uur later zit alles weer op zijn plek en steek de sleutel opnieuw in het contact.

Niks. Noppes. Geen tik, geen reactie!

Moedeloos trek ik het sleuteltje uit het contact en leg het op het planchet boven het dashboard. 

Wacht eens even: daar ligt nog een sleutel, die verdomd veel lijkt op het sleuteltje wat ik net heb weggelegd!

Ik laat dit sleuteltje in het contact glijden, draai het om en hop: de motor loopt. Ik ben vier uur bezig geweest met de sleutel van een kabelslot, dat erg veel gelijkenis vertoont met mijn contactsleutel!

Eventjes praat ik zachtjes met God, op een oneerbiedige manier danwel, en daarna ga ik het gereedschap opruimen. Ondanks het nutteloze werk, dat ik verricht heb, vind ik toch dat ik een biertje verdiend heb.

Dat waren verd....... echt vier verloren uurtjes!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Drank brengt geluk

Drank brengt geluk

(Uit mijn boek: De spuigaten uit)

 

Nee, drank brengt ongeluk, zal u zeggen.

Dat klopt en zeker als je spreekt over alcoholisch houdende drank.

Geen tegenspraak mogelijk.

Uitzonderingen bevestigen echter de regel, zegt een eeuwenoud spreekwoord, om in het genre van gezegden en spreekwoorden te blijven. Onze ontmoeting met een Deense zeilschipper, genaamd Lars, is zo ’n uitzondering.

Als je het verhaal gelezen en bestudeerd hebt, kom je tot de conclusie, dat de alcohol in Lars eerst het ongeluk bracht, maar zeker daarna veel geluk. Ik zal je verder niet nieuwsgierig maken en meteen met het verhaal beginnen.

 

De dijk, waarop wij zitten, is ongeveer vier meter breed. Aan de ene kant heb je dus het kanaal; aan de andere zijde een steil aflopende helling met ongeveer zes meter lager een kabbelend beekje. De steile helling is begroeid met struiken en boompjes.

De stemming is opperbest!

De Deense zeiler Lars praat, lacht en is blijkbaar te onrustig om op zijn stoel te blijven zitten. Hij heeft een behoorlijk buikje en zal tegen de honderd en twintig kilootjes wegen!

Een figuur gelijk mijzelf, zal ik maar eerlijk bekennen.

En Lars is ‘in the winning mood’.

De alcohol heeft hem behoorlijk te pakken. Geen wonder overigens, want zijn vrouwtje mixed allerlei drankjes door elkaar, die ze aan iedereen aanbiedt. Lars is de enige, die ze allemaal aanpakt en op drinkt! Daarbij neemt hij nog wat halve liters bier tussendoor om de dorst te lessen!

 

Maar dan gebeurt het!

Terwijl ik in een druk en zeer interessant gesprek ben gewikkeld met mijn Deense buurvrouw, horen we de Duitse Selma plotseling gillen:

"Der Lars fällt! Er iszt herunter gefallen!"

Zij wijst naar de steile helling achter ons en wij draaien ons om richting die schuinte.

Wat is er gebeurd?

Achter ons struikelt de rondscharrelende Lars over zijn eigen barbecue, die gelukkig al is uitgedoofd, en duikelt de schuine dijk af naar beneden. Lars valt echter niet helemaal omlaag tot de beek, maar de met struiken begroeide kant remt zijn val af. Een goede zaak natuurlijk, als het geen doornenstruiken zijn!

Wij schrikken enorm, want er zit geen beweging meer in de Deen! Achteraf kunnen we vaststellen, dat hij zich niet durfde bewegen vanwege de vele doornen, die al in zijn lichaam staken!

Riet overziet de situatie snel en wijst Thomas een soort pad aan, iets verwijderd van de onheilsplek, waarlangs de Duitser zich naar het beekje kan laten afzakken. Lopend langs het watertje kan hij zo onder de ongelukkige Deen komen. Hij buigt voorzichtig de scherpe takken opzij en bevrijdt de armen en benen van Lars uit de doornige struiken. Boven geven we elkaar een hand en vormen een menselijke ketting, waarvan de laatste schakel langzaam de helling af schuift om de gewichtige Deen mee overeind te helpen.

Dat werkt: langzaam komt Lars rechtop.

Met behulp van Thomas daalt hij behoedzaam af naar de beek, voorkomend dat er nog meer doornen in zijn huid te recht komen. Als ze bij de beek aan komen, klauteren ze iets verderop langs het pad omhoog tot op de dijk. Beide heren lopen naar ons toe.

 

Dan zien we Lars van dichtbij.

Wat schaapachtig lachend staat hij daar.

Helemaal onder het bloed! Zijn borst, rug en benen vol doorns en schrammen. Het is niet zo 'n lekker gezicht!

Hij lacht, maar is niet blij!

We beginnen de doorns uit zijn lichaam te plukken en als na een tijdje dit karwei geklaard is, neemt Thomas hem mee naar zijn boot voor een warme douche. Als het vuil en bloed van zijn lichaam is afgespoeld en hij zich weer onder ons gezelschap voegt, kunnen we de werkelijke schade op gaan maken.

Een vrij diepe snee, met een lengte van ruim tien centimeter, zit ter hoogte van de nier op zijn rug en hij heeft een behoorlijk wond aan zijn voet. Verder zit Lars vol bloedende schrammen, behalve in zijn gezicht. Dat is ongeschonden gebleven!

Selma haalt een grote EHBO-kist van boord en pakt met een pincet de laatste doornen uit Lars zijn huid. Dan begint ze al de schrammen en wonden vol zalfjodium te smeren en daarbij klinkt nog al eens een " AAWA!"

Maar Lars moet van de vrouwen deze kleine marteling voor eigen bestwil ondergaan en ook de helende pijnen incasseert de Deen met een grijzende lach op zijn gezicht.

Als alle wonden verzorgt zijn en we nog een biertje nemen - ook Lars - op de goede afloop, gaan we eens kijken naar de plaats des onheils.

Wat heeft die Lars een geluk gehad!

Goed dat hij dronken was!

Want een nuchter iemand zou geprobeerd hebben zijn val op te vangen en af te remmen! Dat had met die uitstekende takken waarlijk noodlottig kunnen uitvallen!

Door de alcohol beneveld bleef Lars redelijk slap en ontspannen en tuimelde als een zak aardappelen naar beneden. Hierdoor rolde hij onder de uitstekende takken door de struiken in, weliswaar doornenstruiken, maar hierdoor is toch zijn val afgeremd!

Wat een geluk!

Deze constatering veroorzaakt even een moment van stilte onder het feestvierende volk, waarin het bij iedereen doordringt, dat dit zeer slecht had kunnen aflopen!

De drank heeft hier toch enig geluk gebracht!

We nemen er nog eentje voor de schrik en dan is echt de tijd gekomen dat iedereen zich naar zijn boot en bed begeeft.

 

De volgende morgen voelt Lars zich wonderwel goed, ondanks dat hij die nacht slecht geslapen heeft. De wond op zijn rug doet nog wat pijn en zijn voet moet hij ook voorzichtig wegzetten, maar verder is het prima met hem. De schrammen worden bedekt door zijn T-shirt en zijn gezicht is ongeschonden!

Het is tijd om afscheid te nemen.

Handen worden geschud en bedankjes uitgesproken.

Iedereen maakt zijn boot vaarklaar en gaat zijn eigen weg.

De Duitse zeiler en motorboot richting het zuiden, zoals wij.

Lars en de Deense vlag trots richting noorden!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Voor het boek ga naar:

http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-spuigaten-uit/9789082020328

Sneeuwwitje

                                                                                      ( Henk’s leeshoek 3-2-2015)

Het geschiedt in de wachtkamer bij de huisarts.

Ik heb al enkele weken last van een hardnekkige hoest en na lang aandringen van mijn vrouw maak ik een afspraak met de huisarts. Een stomme regel van deze dokterspraktijk is, dat je alleen ’s morgens tussen half negen en twaalf uur kan bellen. Voor de afspraak dus, spoedgevallen kunnen gelukkig altijd en ook via een speciaal telefoonnummer gemeld worden.

Ik dus om half negen aan het bellen.

Na tig keer draaien krijg ik eindelijk tegen negen uur de doktersassistente aan de lijn en om half elf zit ik in de ruime wachtkamer van de huisartsenpraktijk wat verveeld om me heen te kijken. Lezen van de op tafel liggende bladen en kranten is geen optie; ik heb de leesbril thuis laten liggen.

Wat doe je dan?

Rondkijken en de collega-patiënten observeren.

Schuin tegenover me zit een moeder – neem ik aan – met haar dochtertje. Ik schat het meisje op een jaar of acht. De vrouw bladert ongeïnteresseerd door een programmablaadje van een of ander theater. Het meisje kijkt met haar mee naar de mooie gekleurde plaatjes in het boekje.

Plots slaat het kind haar hand op het blad.

“Is dat Sneeuwwitje?”

Ze kijkt haar moeder blij vragend aan.

“Ja, schat, dat is Sneeuwwitje.”

Meer uitleg komt er niet, maar de interesse van de dochter is gewekt en zij vraagt door.

“Komt Sneeuwwitje hier in het theater?”

En zonder een antwoord af te wachten kijkt ze haar moeder hoopvol aan en gaat verder:

“Oh mam, gaan we daar naar toe? Ik wil er zo graag naar toe!”

De moeder denkt even na, terwijl ze de advertentie nog eens goed leest. Waarschijnlijk voor de data, maar misschien ook voor de entreeprijs.

“Dat kan niet, schatje, want de voorstelling is op één maart en dan ben jij jarig. Dan hebben we toch een feestje met al je vriendjes bij ons thuis.”

Het kind trekt haar hand terug van het theaterblad en legt beide handjes teleurgesteld in haar schoot. Ze kijkt haar moeder smekend aan met en blik die – voor mij als opa – niet te weerstaan is.

“Mama, ik wil zo graag naar Sneeuwwitje. Mag het, mama?”

Ik kan me niet langer inhouden.

“Je kunt toch op je verjaardag al je vriendjes uitnodigen om mee naar Sneeuwwitje te gaan!”

Het is er uit, voordat ik het weet.

De dodende blik van de moeder die me rechtstreeks treft, doet me begrijpen dat ik iets verschrikkelijks heb gezegd. Mijn verontschuldigend gezicht gericht tot de moeder en mijn hulpeloze schouderophaling naar het kind toe maakt deze netelige situatie alleen maar erger.

“Meneer van Oosterwijk!”

De stem van de huisarts redt me net op tijd uit deze bedoening. Ik sta vlug op en zonder nog iemand aan te kijken loop ik op de dokter toe en schudt hem de hand. Samen verdwijnen wij in zijn kantoor.

‘Gered door de gong’, heet dat in boks termen.

Bij het verlaten van de artsenpraktijk kom ik gelukkig moeder en dochter niet meer tegen.

Wat kan een mens soms impulsief en dom zijn!

                                                                                 © Henk van Oosterwijk

 

Pap nooit met vreemden aan!

(Henk’s leeshoek, Facebook, 8 decmber 2014.)

 

Het is een warme zomerse vrijdag in 1998.

Het is de dag na Hemelvaartsdag en we hebben vierdagen voor ons zelf. Onze vier plezierjachtjes, de Don Pedro, de Christa, d Thebo en de Dagaonogal, liggen aangemeerd in het Middelgat van de Plomp, een waterstroompje in de Brabantse Biesbosch. Het watergebied staat in volle bloei en de geur van de vele soorten wilgen en planten legt een deken van rust over de plezierjachten.

Onze vrouwen verstoren deze rust met de opmerking, dat het noodzakelijk is om nu de proviand aan te vullen, zodat we het weekend door kunnen komen. Thea en Bob van de Thebo hebben nog voldoende, maar Christ, Peter en ik worden er op uit gestuurd om de nodige boodschappen te gaan doen. Met de volgbootjes, want de dames blijven zelf graag in de Brabantse zomerzon liggen.

Peter, schipper van de Don Pedro, start de buitenboordmotor van zijn volgboot Pionier 12, terwijl Christ met zijn boodschappenlijstje bij hem in het bootje stapt. Ik trek eveneens de motor aan van mijn roeibootje Okwa en we varen via de Sloot van Sint Jan, langs de griendvelden, het Spijkerboor over en de Oostkil in naar jachthaven Vissershang. Hier staat mijn auto geparkeerd en daarmee rijden we naar het dorpje Hank, dat bijna drie kilometer van de haven verwijderd ligt,  om bij Super de Boer onze inkopen te doen. Na de boodschappen gaan we weer terug naar de jachthaven.

 

“Zullen we bij Joke ’s nog even ‘n pilske pakken?”

Wie het zegt: ik weet het niet. We kunnen het alle drie zijn. Gezamenlijk lopen we naar het houten gebouwtje achter de dijk, waar Joke zijn café-restaurant runt en gaan naar binnen. Er is nog net voor drie man plaats op de hoek van de bar. We gaan zitten en bestellen drie biertjes bij kastelein Joke. Voor alle duidelijkheid: Joke is een man, hij heet eigenlijk Jo, maar door zijn korte lengte en tenger figuur wordt hij Joke genoemd. Logisch, niewaar?

“Zet het maar op één rekening,” wordt door een van ons tegen de café-eigenaar geroepen.

Naast ons aan de bar zitten twee paartjes, die uit Sliedrecht komen, maar momenteel met hun boot in het Noordergat van de Plomp aangemeerd liggen. Daar komen we achter, als we met hen in een vrolijk gesprek geraken. Als de glazen leeggedronken zijn hebben zij ons tweede biertje al laten aanrukken. Het is een gezellig samenzijn met de Sliedrechters en bovendien is het dorstig weer. En wij voelen ons moreel verplicht om weer een pilsje terug te geven, dus wordt volgende rondje besteld.

Dat gaat zo even heen en weer, om de beurt wordt een cirkelend vingertje naar de kastelein op gestoken ten teken dat we opnieuw zeven biertjes lusten. Joke tapt ze wel!

Als er na een tijdje, schatten we, zeven rondjes zijn door gekomen, vraagt Christ om de rekening, na overleg met Peter en mij natuurlijk, maar de nieuwe vrienden proberen ons om te praten.

“Pak nog een laatste biertje, jongens, van ons,” wordt er lachend gezegd, “die boten van jullie liggen er over een uur ook nog wel!”

Normaal zijn wij drie eigenwijze niet te vermurwen mannen, maar nu blijkt het niet moeilijk ons om te praten. Nou de leste dan!

Na een keer of vier, vijf vermoed ik, de leste te nemen rekenen we eindelijk af en lopen richting mijn auto om de boodschappen er uit te halen. Peter en Christ nemen hun spullen mee naar hun vaartuigje en ik pak mijn tas en een tree blikjes bier, sluit de wagen af en ga richting mijn bootje aan steiger 5. Ik zet de boodschappentas en het bier op de vlonder en stap in de roeiboot.

Even lijk ik mijn evenwicht te verliezen, maar alles gaat goed. Ik pak de tas van de steiger en til die in de boot. Nu nog het treetje bier. Ik draag het op één hand, terwijl ik de andere hand aan de steiger vasthoud om te voorkomen, dat mijn bootje zich daarvan verwijdert. Zo richt ik me op, verlies door het schommelen van het bootje en misschien wel de ingenomen biertjes bijna het evenwicht en laat het bier los om niet zelf in het water te vallen.

Plons!

De vierentwintig aaneen verpakte blikjes schuiven over de rand van de boot en verdwijnen meteen in en onder water.

“Tabé,” mompel ik in mezelf en kijk niet meer naar het bier om. Dat ligt naar mijn troebele mening op de rivierbodem en kan ik dus wel afschrijven! Met een ruk aan het startkoordje wordt de motor gestart, de lijn wordt losgemaakt en het bootje verwijdert zich van de steiger. Rustig vaar ik de haven uit achter Peter en Christ aan, wat mismoedig denkend aan dat kostelijk bier dat ongebruikt op de havenbodem ligt.

 

We varen weer de Sloot van Sint Jan door. Als we in het Middelgat van de Plomp bij de boten arriveren, hoeven we ons verhaal niet te vertellen. De vrouwen zien al wel aan onze manier van handelen, wat er aan de hand is. Peter legt zijn Pioneer tegen de Don Pedro aan en gaat staan om zijn vrouw Ria de gedane boodschappen te overhandigen. Christ stapt intussen uit het bootje, waardoor het vervaarlijk naar één kant helt en Peter overboord slaat. Met een zware plons gaat hij het water in, zijn totale boodschappenlijst met zich meenemend. De gehele supermarkt, brood in plastic, pakken melk (want daar zit nog een beetje lucht boven in) en noem maar op, drijft in de plomp.

Peter wordt spartelend door Ria en Christ uit het water de boot in geholpen.

Gelukkig zit ik met mijn vaartuigje een eindje achter hen, zodat ik de drijvende broden en al wat boven op het water blijft, kan redden. Een stuk of twintig blikjes frisdrank verdwijnen echter naar de bodem van de Plomp!

Het is het middagje wel!

Onze geliefde echtgenotes hebben een stevige maaltijd voor ons bereid, hoewel ze mopperend beweren, dat we het eten niet verdiend hebben. We bekomen een beetje van al onze beslommeringen en een dutje daarna doet ook wonderen.

Als we allemaal weer wat ontnuchterd zijn en achter in onze boten zitten met een glaasje fris, gaat Peter proberen met een magneet zijn blikjes drank van de rivierbodem op te vissen.

“Onmogelijk,” beweren Christ en ik. “De blikjes zijn van een tinlegering en een magneet pakt er niet op!”

Met luid gejuich haalt Peter, ondanks onze bedenkingen, het eerste blikje boven water. Dus die zijn ook al niet van tin of aluminium!

Hij blijft stug doorgaan met deze vismethode en uiteindelijk heeft hij zeventien van de twintig blikjes naar boven gehaald.

Ik echter ben mijn bier kwijt, ben daar spijtig over hoewel ons Riet het een juiste straf vindt.

Het is niet zo’n ramp, bedenk ik, want die avond heb ik toch weinig dorst meer. Ik ben redelijk verzadigd en we gaan vroeg slapen deze avond!

 

De morgen hierna varen onze dames, Riet en Ria, met een van de volgbootjes naar de haven en willen wel eens zien, waar die vierentwintig blikjes bier van mij gebleven zijn.

Anderhalf uur later komen ze triomfantelijk terug: met het treetje bier!

De door mij verloren drank lag vlak langs de kade op nog geen halve meter diepte op de bodem naast de steiger! Je kon het treetje zo pakken!

Gelukkig heeft niemand het zien liggen of wel gezien en met het idee, dat de eigenaar in de buurt is, maar laten liggen.

Zo bleef de schade van dit onfortuinlijke avontuur toch beperkt.

Wat is nu de moraal van dit verhaal?

Pap nooit met vreemden aan!

 

© Henk M. van Oosterwijk

De truc

We hebben een gezellige galerij op de vijfde verdieping. We betrekken in 1969 een flat in de Bredase Lelystraat, waar we twee jaar lang zullen verblijven. Reden, dat we daarnaar toe zijn gegaan, is verandering van werkgever. Aangezien we in Rijen een woning van de baas bewoonden, worden we gedwongen een nieuw onderkomen te zoeken. Mijn nieuwe baas zorgt binnen twee maanden voor een spiksplinternieuwe flatwoning. Het waarom, dat we weer uit Breda zullen vertrekken, is de geboorte van onze zoon.

"Ik wil nie hebbe, da Raymond in een flat opgroeit," leg ik aan ons Riet uit, die zelf op de boerderij is grootgebracht. Dus kopen we dan een woning in de Colijnstraat op de Rijen, met tuin en speelruimte voor hem en de dochter, die op komst is.

 

Terug naar de vijfde etage.

Het is intussen het jaar 1970.

Aan onze galerij woont een gevarieerde gezelschap: jonge stelletjes, met en zonder kinderen, een wat ouder paar en een homo. Het zijn luitjes als een straaljagerpiloot gelegerd op Gilze-Rijen; een vertegenwoordiger in koffie en thee; een boekhouder, een bejaard gepensioneerd koppel, een homo met de toepasselijke naam Rechtop, (Ik verzin het niet) en ik als cv en sanitair technieker. Mijnheer Rechtop is overigens een leuke man, die vooral met onze vrouwen vrolijk meepraat over fleurige gordijntjes en leuke kleding.

"Het is echt een aardige man," legt Riet nog eens aan mij uit, " al is het een homo." 

Ja, we leven in 1970, het jaar dat het hoogste punt van de North Tower van het World Trade Center in New York wordt bereikt. De STER begint met TV-reclame en ‘stemplicht’ wordt ‘stemrecht’. De ‘Dolle Mina’s’ dringen het congres van gyneacologen binnen in hun actie voor ‘vrije abortus’.

En wat nog belangrijker is: Feyenoord wint als eerste Nederlandse club de Europa Cup 1.

Het is een heel andere wereld als 2018 dus.

 

Als Riet weer thuis is van het avontuur bij Philips (zie mijn verhaal ‘Hofke in ’t zaod’) krijgt ze steeds meer contact met de buren. Door de vrouwen komen ook de mannen tot elkaar en de huiselijke feestjes kunnen beginnen.

Europacupwedstrijden worden niet altijd uitgezonden in deze tijd. Pas als het stadion is uitverkocht komt de mededeling via radio, dat de wedstrijden van Feyenoord en Ajax rechtstreeks op teevee te zien zijn. Dan kopen we gezamenlijk drank en hapjes in, komen met de buurparen op één adres bijeen, en beleven saamhorig de wedstrijden. Alhoewel, eensgezind? Ik ben de enige Feyenoorder in het gezelschap, de rest is Ajaxied. Dus kun je op je vingers natellen, dat er best discussies over voetbal wordt gevoerd!

Na afloop van de wedstrijd, gewonnen of verloren, volgt muziek en dans, soms tot in de kleine uurtjes.

 

Verjaardagen vieren we ook samen.

Zo komen we op een goede dag bij onze jarige piloot terecht, waar naast familie en buren ook vliegcollega’s aanwezig zijn. Een bond gezelschap, waar je een aardig feestje mee kunt bouwen.

Half weg deze avond, als de kelen al redelijk goed gesmeerd zijn, geven de militaire vrienden een demonstratie ‘overhemd uittrekken met het colbertjasje nog aan’. Een piloot bukt zich en strekt zijn armen naar achter. Zijn collega pakt hem in de kraag onder de jas bij zijn overhemd, slaakt in volle concentratie een diepe zucht en rukt het overhemd van zijn vriend in één armzwaai onder het colbertje vandaan, van het lichaam af.

We staan versteld.

“Hoe kan da nou?” vraag ik overdonderd aan de beroepsmilitair en kijk naar het overhemd. De man is het weer aan het aantrekken. Er mankeert niets aan.

“Eigenlijk simpel,” zegt een van de anderen. “Het is gewoon een kwestie van goed ontspannen. Iedereen kent dat wel.”

Natuurlijk kan het eigenlijk niet, maar de ingenomen alcohol beïnvloedt de goede werking van mijn hersenen en, wat eigenlijk nog frustrerender is, ook mijn nuchtere denkcellen. Ge wordt wat vrijmoediger, als het alcoholpercentage in je bloed stijgt. Ge kent dat wel.

“Jij kan dat ook, als sportman,” lacht de piloot, “als je jezelf maar goed ontspant en durft.”

Durven? Durven?

Durven maakt van de situatie een erezaak voor mij.

“Kom mar op.” Ik buk me en strek mijn armen naar achter.

Je mag je manchetknopen wel los maken, want dat houdt wel tegen,” adviseert mijn uitdager. ”En ook een paar knoopjes bovenaan je overhemd.”

Ik kom weer overeind, haal beide manchetknopen uit de mouwen, knoop mijn overhemd wat los en stel me weer gebukt en ontspannen op. Intussen is de aandacht van de gehele feestgroep op mij gericht. 

“Vooruit maar.” Ik knik.

De vlieger grijpt me in de kraag, haalt diep adem en scheurt met één ruk de bovenzijde van mijn overhemd af. Hij houdt het triomfantelijk omhoog.

“Jammer,” roept ie, “je hebt je niet goed ontspannen!”

Lachen, gieren, brullen. Iedereen ligt plat van het lachen. ‘Stommeling’, denk ik bij mezelf, ‘het kan toch nie, ge wist ut toch!”

Ik kom overeind en probeer met iedereen met de feestelingen mee te lachen, maar dat lukt niet helemaal.

“Potver Henk,” hoor ik Riet zeggen, “dat is een spiksplinternieuw overhemd!”

Weer gelach, maar nu kan ik de truc van de militairen wel waarderen. Ik had zelf beter moeten weten.

 

Nadat ik een paar deuren verder gauw een ander overhemd aantrek, kom ik terug op het feestje, waar mijn hemd nog steeds het middelpunt van gesprek is. Ik meng me met een vers glas bier tussen de lol hebbende vliegeniers.

“Luister us manne,” vraag ik hun aandacht, “as slachtoffer maag ik toch wel wéte, wa dè truukske nou eigelijk is om de bloes heel te houwe?”

De mannen knikken.

“ ‘t Is simpel,” legt de man, die de geslaagde demonstratie heeft gegeven, uit. “We zijn even in een andere kamer geweest, mijn overhemd uitgetrokken en dat los over mijn schouders gelegd. De mouwen van de bloes in de mouwen van het colbèrtje gestoken en de boorden onder de mouw uit laten komen. Daarna de halsboord netjes om mijn nek gelegd. Net alsof ik het overhemd gewoon aan heb. Met de knopen los kun je het dan in een ruk uit de jas trekken!”

 

Oké, ik ben weer een truc rijker en een overhemd armer!

En: er moet toch een clown op een feestje zijn om de sfeer te verhogen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Piet, Koffie!

Gisteren |(14-03-2018) hebben we afscheid genomen van een goede vriendin, Thea Kalishoek. Zeven jaar vocht ze optimistisch tegen een niet te overwinnen ziekte. Optimisme en humor maakte voor haar deze moeilijke periode leefbaar. Vijfenzestig jaar is te jong om afscheid te nemen.

Ter ere van haar onderstaand waargebeurd verhaal (verkort) uit mijn boek "De spuigaten uit".

 

Hoofdstuk 6: Piet, koffie!

 

We leven in het jaar 1993.

Vier weken vakantie liggen voor ons en het zal volgens de weerwetenschappers een hete en droge zomer worden. De hoofdrede dus om in ons eigen landje te blijven. Waarom zou je de zon op gaan zoeken, als hij al in je achtertuintje schijnt?

Sinds we een bootje hebben, gaan we eigenlijk altijd met de boot in Nederland op vakantie. En we hebben intussen ontdekt, dat er verschrikkelijk veel moois te zien is in ons eigen landje! Mensen vliegen de hele wereld rond, maar kennen soms hun eigen vaderland niet eens!

Bovendien is het zo, dat als je vier weken gaat varen het weer over ’t algemeen ook wel goed is. Uiteraard valt er wel eens regen, maar op de mooi dagen ben je dat snel vergeten. We hebben het in ruim twintig jaren varen maar één keer meegemaakt, dat het veertien dagen achtereen regende. En dat was balen natuurlijk. Daar volgden echter twee weken goed weer op en de natte ellende lieten we snel achter ons. Altijd vooruit kijken!

We liggen intussen met onze ‘Dagaonogal 1’ in de haven van Hank, waar we een vaste ligplaats hebben gekregen.

Onze Bredase vrienden, Thea en Bob, hebben hier met hun Peerenboom de Thebo ook hun ligplaats. U kent ze nog wel van een eerdere beschreven gebeurtenis, van Het Plekkie van ’t Lege Bekkie.

We hebben afgesproken om samen een week of vier op vakantie te gaan. Bob heb ik al eerder uitgebreid aan u voorgesteld.

Zijn vrouw Thea wil ik nader introduceren. Zij is een nuchtere meid, heeft gevoel voor humor en kan af en toe plat uit de hoek komen met haar Bredaas-Rotterdams dialect. Geboren Bredase en getrouwd met een vent uit Rotjeknor geeft ook een extra tintje aan haar droge komische uitingen. Een vrouw uit duizenden, maar ze zal ook wel haar minpuntjes hebben.

Al kan ik er niet zo gauw opkomen.

 

Op een zonnige hete zomerdag vertrekken we vanuit jachthaven Vissershang richting rivier de Linge. We varen de Biesbosch uit langs Werkendam, gaan de Merwede op en duiken Gorkum in via de kleine sluis bij de Lingehaven. Daar overnachten we.

Als we hier na een zwoele nacht ontwaken, is het opnieuw erg warm. Het KNMI in De Bilt heeft een kleine hittegolf en tropische warmte voorspeld en deze keer hebben ze eens gelijk, die weermannen. Want het kwik stijgt tot boven de dertig graden en er is geen wolkje aan de hemel te bekennen.

Het is dorstig weer dus.

Daarom ook vertrekken de Thebo en de Dagaonogal ’s morgens op tijd uit de Lingehaven van Gorkum om in de nog wat koelere ochtenduren te varen en de grote hitte voor te blijven. Gorkum zal op de terugweg weer worden aangedaan en dan gaan we een paar dagen nemen om de stad te verkennen.

We draaien bij Arkel met de Linge mee richting Geldermalsen en meren aan tegenover het dorpje Heukelum, nog zeker twee kilometer voor de stad van glasblazers en kristal: Leerdam.

De walkant is een mooie speelweide, die ook gebruikt kan worden door automobilisten, want er ligt een ruime parkeerplaats bij. We bevinden ons hier op het grondgebied van het dorp Oosterwijk. Het mag zich dorp noemen, omdat het een eigen kerk heeft, maar eigenlijk verdient het die naam niet met die paar schamele huizen, die er staan.

Het hoort bij de gemeente Leerdam.

De bomen staan een kleine honderd meter van de walkant, te ver voor het botenvolk om van hun schaduw te genieten. De parasols worden dus open geklapt en op de wal vast gestoken in de grasgrond vlakbij de boten en zo proberen we voor onszelf een stukje schaduw te creëren. Daarna volgen de tuinstoelen en tafels, die onder de parasols worden opgesteld.

Het is heerlijk zo.

De rust en de warmte maken ons aan het doezelen.

 

“Piet, hier krijde koffie!”

Het is de volgende ochtend en ik hoor die harde schreeuw over de speelweide gaan.

Toon Kortooms heeft me in zijn verhaal net meegesleept naar de landelijke sfeer in de Peel. Ik zit namelijk lekker met de benen op de bank in de boot verdiept in “Mijn kinderen eten turf” en de schrijver laat me met zijn smeuïge teksten af en toe hardop lachen.

Ik kijk op uit mijn boek.

De harde kreet van de vrouw op de wal doet me opschrikken en mijn aandacht verplaatst zich onmiddellijk van de Peel naar het tafereeltje op de kant.

Ik zie Thea in gesprek met een voor ons oudere vrouw. Ze is groot van bouw, heeft een geplooide rok aan, die tot ver over haar knieën valt, en een luchtig bloesje.

Samen met haar man, vermoeden wij, is ze hier en hun boot ligt enkele tientallen meters voor ons aangemeerd. Het vaartuig ziet er prima verzorgd uit, maar het lijkt er wel op, of ze hun hele huishouding mee het water op hebben gesleept. Naast allerlei werktuigjes en houten planken staan er ook twee bromfietsen op hun achterdek. Is dit nou hun vaste woonboot, of zijn ze toch gewoon op vakantie? Om dit te weten te komen hoeven we geen vragen te stellen: het antwoord komt in het komende half uur vanzelf bij een bakske koffie!

 

Thea heeft in een vlaag van enthousiasme en gastvrijheid dus aan de vrouw gevraagd:

“Luste ok een bakske?”

De schreeuw: “Piet, hier krijde koffie!” geeft meten antwoord op deze vraag en ook twee nieuwe vrienden er bij.

“Breng stoele mee!” roept de vrouw er nog achter aan.

Intussen is ze zelf al gaan zitten in een van onze klapstoeltjes, die natuurlijk uitnodigend onder onze parasol staan.

“De koffie is klaar,” roept Thea nog overbodig richting onze boot.

We zijn gewend dat er beurtelings voor een pot koffie gezorgd wordt en deze keer is Thea aan de beurt het potje te zetten. Niet dat we hiervoor strenge regels hebben, maar het is een niet beschreven afspraak.

Dus Riet en ik lopen via de loopplank de wal op om aan te schuiven bij dit koffiefeestje.

Piet is intussen komen aanlopen met twee stoelen en de vrouw staat op en neemt ‘n klapzetel van hem over, zodat wij in onze eigen tuinstoelen kunnen neer vallen. En zo scharen we ons met zessen gezellig om de koffiepot.

Piet is een korte, maar brede vent. Het lijkt er op, dat iemand hem van bovenuit een beetje in elkaar gedrukt heeft, want een nek heeft hij niet: zijn hoofd staat direct op zijn schouders. Onder zijn kalend hoofd, dat bedekt is met een pet, zit een vriendelijk boerenrood gezicht met een brede grijns erop, die hij waarschijnlijk bij zijn geboorte cadeau heeft gekregen. Grijnzend luistert hij naar ons gesprek, maar mengt er zichzelf niet in.

Aan gespreksstof echter geen gebrek.

Want al voor onze eerste slok koffie genomen is en van het bijbehorende koekje is geproefd, vertelt de vrouw ons uitgebreid, dat zij en haar Piet uit Hardinxveld-Giessendam komen; eigenlijk uit Giessendam. Dat ze kinderen hebben, die getrouwd zijn en dat ze nu lekker op vakantie zijn. Zelf hebben ze de AOW-leeftijd al bereikt en zijn daarom al een paar maanden onderweg om van de zomer te genieten.

Dat ‘onderweg’ blijkt dan het gehucht Oosterwijk, waar ze de gehele zomertijd aangemeerd liggen.

“Piet ken hier lekker aan de boot klussen en ik rij af en toe naar huis om te kijken, dat daar alles nog goed gaat!” besluit ze haar verhaal.

Piet zegt niks en luistert.

Hij knikt af en toe ja of nee en maakt zijn grijns wat groter als er gelachen moet worden.

“Oew bakske wordt koud,” wijs ik naar haar kopje koffie. Door haar lange verhaal heeft ze ’t bakske leut bijna vergeten, maar door mijn opmerking begint ze er  toch van te drinken. Daarmee houdt het praten dan even op, wat de achterliggende bedoeling is van mijn opmerking!

Het helpt echter maar even.

“En vanavond mot ik effe op de brommer naar huis om de ramen dicht te gaon doen!”

We kijken elkaar aan. De ramen dicht doen?

Staan die dan al twee maanden open? Gelukkig, dat het nou mooi weer is, maar een paar weken terug gutste de regen naar beneden! Dan moet het binnen toch wel nat zijn geworden!

“Neije, die he’k vanmorgen even open wezen zetten om het huis wat door te laten luchten. Anders wordt het zo warm en muf binnen!” is de verklaring van de vrouw uit Hardinxveld-Giessendam, feitelijk Giessendam.

We kijken elkaar vragend en tevens geamuseerd aan, Bob en ik.

’s Morgens even dertig kilometer rijden op die oude Mobylette om de ramen thuis open te zetten en weer evenzovele kilometers terug. Dan ’s avonds nog eens zestig kilometers op de brommer naar Giessendam en terug om ze te sluiten!

Ge moet er maar opkomen!

Dan ben je op vakantie!

Het blijft nog de hele week gloeiend heet, dus dan kunde elke dag op en neer blijven rètteréren. Ge bent elke keer een halve dag onderweg om de ramen thuis open en dicht te doen!

“Kunne de kinders de raomen niet even open en dicht zetten?” probeert Thea nog de vrouw op een goed idee te brengen.

Maar nee, dat kan niet. Haar kinderen hebben ’t veel te druk en bovendien: ze doen misschien de deuren niet goed op slot. Ze zou er niet van kunnen slapen!

Oké, we doen nog een rondje koffie en praten wat na over het huis luchten en zo en dan gaat ieder weer naar zijn eigen boot om de lunch te bereiden.

De voormiddag is weer prachtig voorbij gegaan!

De middag brengen we door met boeken lezen en dutjes doen, want de zon doet verschrikkelijk goed zijn best en elke beweging brengt zweet voort, zodat we zo min mogelijk bewegen.

Tegen de avond horen we een brommer starten. We gaan uit de boot hangen en zien, dat de Giessendamse vrouw haar helm om het hoofd heeft gesnoerd en op de Mobylette is gestapt.

`Effe de ramen dicht doen,` roept ze nog, terwijl ze als groet haar hand omhoog steekt en de speelweide over snort!

 

“Luste ok ’n bakske!” en “Piet, hier krijde koffie!” zijn kreten gebleven, die we na twintig jaar nog altijd herhalen, maar ook “Effe de ramen dicht doen!”

En we kunnen er nog steeds om lachen.

 

 

© Henk M. van Oosterwijk

De rooie step

Raymond is een ondernemend manneke.

We wonen al drie jaar in de Colijnstraat op de Rijen en het is tijd, dat hij naar de kleuterschool gaat. Hiervoor kiezen we “De Ark” uit, gelegen aan de Rembrandtstraat. Elke dag fietst Riet door de redelijke verkeersdrukte viermaal op en neer met Raymond in het achterste kinderstoeltje en Susanne, twee jaar tellend, in het stuurstoeltje naar de school. Behalve op de woensdag natuurlijk, want dan hoeft ze slechts tweemaal te rijden. Onze zoon kijkt duidelijk goed om zich heen en leert zo de omgeving en de weg kennen

Op een dag, als hij van school al thuis is, ontsnapt hij even aan de aandacht van zijn moeder. Zij denkt dat haar kinderen in de tuin spelen. Met zijn tweejarig zusje Susanne aan de hand wandelt Raymond naar het Rijense gemeentehuis, dat ze elke dag met de fiets passerenm. De trappen van het raadhuis hebben een grote aantrekkingskracht op de jongen en hij vindt het fijn om er met zijn zusje te spelen.

Als Riet ontdekt, dat beide kinderen uit de tuin verdwenen zijn, gaat ze naarstig naar de kleintjes zoeken, maar kan ze nergens in de omgeving vinden. Tot het moment dat de jonge avonturier parmantig wandelend met zijn zusje door de Schaepmanstraat ongedeerd huiswaarts keert.

 

Dat hij ondernemend is, bewijst hij opnieuw, als hij mij op een dag komt vertellen, dat hij hem extra goed geholpen heeft.

“Ik pappa helpen,” verklaart hij trots en neemt mij aan de hand mee naar de garage. Daar wijst hij naar een volle bak ‘Breda bier’, die ik daar als reservevoorraad heb neergezet.

“Pappa helpen,” benadrukt Raymond nog eens.

Ontzet kijk ik naar de vierentwintig flesjes, waarvan hij alvast netjes de kroondoppen heeft afgedaan! De flesopener ligt nog naast de bak.

Wat moet ik er mee? Ik kan ze moeilijk in mijn eentje gaan zitten leegmaken! Alhoewel, er zijn wel eens momenten geweest, dat ik een bak bier best aankon.

 

Het grootste drama moet nog komen.

Als ik op een avond thuis kom, vertelt Riet mij in de keuken de laatste streek van onze avontuurlijke zoon.

“De buurjongen is vandaag jarig,” legt ze uit, “en de buurvrouw is helemaal van streek!”

Ik kijk haar vragend en ongerust aan.

“Jaorig? Hoezo van streek?”

“Nou,” gaat mijn vrouw verder, ”de buurjongen heeft een mooie rooie autoped van zijn ouders gekregen en is daar samen met Raymond op gaan steppen.”

“Nou, da’s toch gin ramp,” onderbreek ik haar.

“Laat me nou toch eens uitpraten,” reageert Riet een beetje fel. “Hij heeft dat stepke meegenomen naar onze garage, een pot verf geopend met een schroevendraaier en het ding helemaal blauw geschilderd! En nou is de buurvrouw over de rooie.”

“Blauw?”

Ik schiet in de lach.

“Blauw?” herhaal ik nog eens. Ik kan er niets aan doen, maar ik val weg in een schaterlach.

“Ja, lachte gij er maar mee,” zegt Riet verwijtend, “maar de buurvrouw zit er toch mooi mee.”

“Oké, rustig maar. Raymond!”

Mijn zoon komt de keuken binnen lopen. Met de uitroep ‘pappa” springt hij in mijn armen.

“Luister eens, Raymond.” Ik houd hem op mijn arm geklemd, “wa hedde gij meej da stepke van de buurjongen gedaon.”

“Geverfd pappa,” antwoordt hij trots, “blauw.”

“Mar da’s un nieuw stepke, jonge. Da gaode toch nie opnieuw schildere.”

“ ‘t Was rooi, pappa, da’s toch nie mooi.”

Ja, wat moet je daar nou tegenin brengen?

“Niet lachen, Henk,” commandeert Riet.

“Oké.” Ik onderdruk mijn lach en zet Raymond op de grond. “Die step is nie van oe eige, Raymonneke, daor maade niks meej doen. We gaon us bij de bure kijke. Riet, hedde nog nun kwatta liggen?”

 

De buurman is ook al thuis van zijn werk en staat, op het moment dat ik de poort open, met vrouw en zoon naar de blauwe autoped te kijken.

“Dag buurman,” groet ik hem en val maar meteen met de oplossing in huis, wijzend op het stepje. “Dat blauwverven is niet echt goed gelukt. Ik betaol wel nun nieuwe step. Dan nim ik dun deze wel meej veur onszelf.”

“Bende gek, man,” reageert de buurman, die de situatie iets gemakkelijker op neemt dan zijn vrouw. “Jullie hebben toch al een step. Ik nim  um effe meej naor mijn werk. Un bietje schuren en overspuite en ‘t is wir nun nieuwe!”

En zo wordt de zaak afgedaan.

Hoewel Raymond kijkt, alsof hij liever zelf het snoepgoed wil opeten, overhandigt hij toch de meegebrachte kwatta aan de jarige Job. Die staat er een beetje beteuterd bij, maar fleurt meteen op bij het zien van de reep chocolade.

 

Alles is weer opgelost.

Een dag later stept de buurjongen weer trots met een rode autoped over het trottoir. Raymond rijdt nooit meer op dat ding van zijn vriend.

Hij vindt rooi niet mooi!

© Henk M. van Oosterwijk

Het trapje en de gebroken hand

Als lid van watersportvereniging Oostkil zijn we uitgenodigd voor een barbecue. Deze wordt jaarlijks begin september gehouden in de Palingsloot gelegen aan polder De Plomp in de Biesbosch.

Daar staat een niet bewoonde, maar nog wel in gebruik zijnde boerderij, waarvan we de schuur mogen gebruiken als feestzaal. Door een werkploeg worden de daar nog aanwezige landbouwwerktuigen in het achterste gedeelte van de opslagruimte gezet. Er blijft dan een ruime, wel zanderige bodem over met in het midden een stukje betonvloer, dat als dansvloer wordt gebruikt.

Deze ruimte wordt versierd met kleurige lampen slierten, die tevens in de avond voor voldoende licht zorgen.

Buiten worden twee benzine gestookte aggregaatjes, geleend van leden, weggezet, die voor de stroom zorgen van de verlichting, maar tevens ook voor de bierkoeler. Niet onbelangrijk dus.

Het is 1991.

 

De vereniging zorgt voor de fris- en sterke dranken en de vaten bier. Zij stellen ook twee grote barbecues buiten op beschermd door een hoog opgespannen dekzeil, wat eventuele regen moet opvangen. De leden zelf zorgen voor hun vlees.

Op de stroom wordt ook nog een disco aangesloten.

Alle ingrediënten zijn dus aanwezig om een gezellig feestje te bouwen.

Dat doen dus.

 

Als ik die zaterdagmiddag met onze ‘Dagaonogal’ de Palingsloot invaar, is er alleen nog plaats om tegen een schuine keistenen wal aan te leggen. Dat is geen probleem.

Ik gooi het anker uit, laat de boot zachtjes tegen de keien aan glijden, zodat Riet van de boot kan stappen met de landvasten (touwen) in de hand. Ik trek ons scheepje iets van de wal af en leg het ankertouw vast. Riet slaat op de kant twee aluminium pinnen de grond in en bevestigd daaraan de landvasten.

Daarna leg ik de loopplank uit en bevestig die aan de wal door een pin tussen de keien vast te slaan.

Ons bootje ligt.

 

“Riet,” zeg ik even later tegen mijn vrouw, nadat ik de schuine keienwal heb bekeken, “we motte twee meter over die kaaie klauteren. Ik probeer daor un trapke van die stene te maoken. As we vannacht terugkome, zulle we’r wel un paor op hebbe. Dan valle we nie zo makkelijk.”

En ik ga aan het werk. Na een half uurtje heb ik van de keien toch een mooi trapje gevormd, zodat we vannacht zonder ongelukken de loopplank van de boot zullen kunnen bereiken.

 

Het feest is gezellig.

De barbecue brandt tot het laatste vlees is weggewerkt; de disco strooit veel Hollands talige muziek de feestschuur in en de wijn en het bier maakt de beentjes los. Er wordt volop gedanst en gezongen.

En gedronken.

Als we die nacht rond twee uur de boot opzoeken, heb ik in de linkerhand een lege koelbox en in de andere een halve fles witte wijn van Riet. Het is zonde om de wijn weg te gooien, die smaakt morgen ook nog wel.

Riet gaat als eerste mijn kunstig gemaakt trapje af, daarna volg ik. Alles gaat prima en ik kom zonder ongelukken bij de loopplank. Staande op de plank reik ik Riet, die op de voorplecht staat, de koelbox aan. Nu kan ik me aan de reling van de boot vasthouden om er overheen te stappen.

Ik ben aan boord en kijk nog eens om naar dat mooie trapje. Dan wil ik via het gangboord naar de stuurhut lopen, stap met een voet in een eindje touw, struikel hierdoor en duikel overboord.

Riet heeft niets gezien, maar hoort wel een harde vloek en een plons. Verbaasd kijkt ze om zich heen, maar ziet me uiteraard niet.

“Henk, waor bende?” Ze spreek ook al aardig Brabants.

“Hier!” roep ik met een benauwde stem.

“Waor? Ik zie oe nie.”

Riet kan me ook niet zien, vanwaar zij staat.

“Hier, godver. Schiet op, help me, waant ik verzuip drèk.”

Riet loopt op de voorplecht naar bakboord en kijkt over de reling in het donkere water. Daar ziet ze me hangen: met mijn rechterbeen omhoog in een touw verstrengeld, mijn linkerhand steunend op de rivierbodem en mijn mond net boven water houdend. In mijn rechterhand houd ik de fles wijn omhoog. Ze schiet in een enorme lach, als ze mij zo ziet hangen.

“Hoe krijgd’t vur mekaor,” schatert ze.

“Lach verdomme nie, mar môkt dè touw los,” snauw ik tegen haar. “Ik verzuip.”

Lachend ontwart Riet het eindje touw en ik plons nu helemaal in het water. Drijfnat klauter ik tegen de stenen op naar de loopplank en klim weer aan boord. Mopperend loop ik over het gangboord naar de stuurhut.

“Hier blijve staon,” commandeert Riet nog steeds lachend. “Ge bent zeiknat. Ik pak wel effe droge klere.”

Ik droog me af en trek andere kleding aan. Riet staat intussen de fles wijn te bestuderen.

“Die wijn kunne we wel weggooie,” legt ze grinnikend uit. “Die halve fles is wir hillemaol vol!”

Ze kiept de inhoud van de fles overboord.

“Hedde oew eige zeer gedaon?” vraagt ze nog bezorgd. Ik schud mijn hoofd.

“Alleen mijn linker haand doet wa zeer.”

Ze neemt de hand voorzichtig in haar handen.

“Niks aon te zien,” zegt ze en vervolgt glimlachend: “Het trapke heej toch goed zun dienst gedaon!”

 

Twee weken lang loop ik met pijn in mijn hand en beluit ik toch maar naar de huisarts te gaan. Die stuurt me meteen door naar het ziekenhuis voor een foto. Daar wordt de hand gelijk in het gips gezet, want het bot aan de pinkzijde, ik meen de ellepijp, is gebroken.

“Daar gaat mijn biljartkampioenschap,” is mijn eerste gedachte. Over twee dagen moet ik vier dagen lang biljarten voor de driebandentitel in poule 2 van de Rijense Biljart Federatie.

Het valt echter geheel anders uit. Ik doe toch mee aan de driebanden titelstrijd en heb nog nooit zo’n hoog algemeen gemiddelde gespeeld en wordt uiteindelijk tweede. De rede?

Nog nooit heb zo’n vaste voorhand gehad!

© Henk M. van Oosterwijk 

Naschrift:

De boerderij in de Biesbosch is een tiental jaren geleden gesloopt en de polder De Plomp stroomt bij hoogwater vol in het kader van “Ruimte voor de rivieren”. Zo worden elders overstromingen voorkomen. Iets verder de Palingsloot in staat nog de gerenoveerde ‘Zwarte schuur’, hoog genoeg om droog te blijven.

 

 

Er brandde één kachel

Wat was vroeger het leven toch eenvoudig.

Als ik vroeger zeg, ga ik terug naar de begin jaren vijftig in de 20e eeuw. Mijn ouders betrokken een nieuwgebouwd huis in de Laagstraat in Rijen, eigendom van mijn grootouders. Het pand was hartstikke nieuw. Wij waren toen goedkoop in het gebruik van energie, iets wat bij die tijd hoorde: zuinig zijn met alles. Vier flesjes bier en een halve liter jenever op de kelderbank voor eventueel bezoek en een fles prik voor ons op de zondag.

Soms heb ik heimwee naar die tijd, die levenswijze half weg de vorige eeuw.

 

Water kwam uit slechts één kraan: de keukenkraan boven de granieten gootsteen. Alleen koud water, wel te verstaan. Als er warmwater nodig was, werd dat in een fluitketel of pan op de keukenkachel warm gemaakt en dat gebeurde alleen maar voor de huishouding. Om soep te maken of aardappels te koken; maar ook om de kuip van ons houten wasmachine te vullen.

Eens, eind jaren ’50, trapte mijn vader samen met veel buurtgenoten, in het verkooppraatje van een handelaar, die de deuren langs ging met een elektrisch doorstroomapparaatje. Het was een 220 volt geisertje van twintig centimeter hoog – een beetje eivormig, dat in plaats van de koudwaterkraan in de keuken op de waterleiding werd geschroefd. Het duurde enkele weken en het apparaatje gaf de geest. En zo geschiedde bij al onze buren. Telefoneren en brieven schrijven naar de handige handelaar hielp geen zier; het telefoonnummer bestond niet en de brieven bleven onbeantwoord!

Ook toen kon dat gebeuren!

Maar goed, onszelf wassen werd opnieuw gewoon gedaan met koud water, of het nu twintig graden boven nul of eronder was! Dat gebeurde dus aan de gootsteen in de keuken en eenmaal per week in een zinken teil in de bijkeuken. Water werd dus niet zoveel gebruikt en kostte ook maar een paar centen per kubieke meter.

 

In de kelder stond een gasmeter opgesteld met een gasleiding naar slechts één gasaansluitpunt: een tweepits groen geëmailleerd gasstelletje, dat ook weer op dat granieten aanrechtblad stond. Het werd alleen gebruikt in de zomer, wanneer het te warm was om de kachel in de keuken te stoken, want het toenmalige stadsgas was veel duurder dan het in de jaren ’60 oprukkende aardgas uit Groningen.

 

Het meeste energieverbruik zat dus in het stoken van kachels.

Daarvoor ging ik een paar keer met ons moeder in augustus naar het bos. Niet om hout te sprokkelen, maar om mastappels (dennenappels) te rapen. Als in de keuken de kleine plattebuiskachel ’s morgens vroeg werd aangestoken, vulden we de vuurpot eerst met een oude krant en daarna met mastappels. Soms ook ging er nog een scheut petroleum bij om de kachel snel brandend te maken. Als die dennenappels goed branden werd met de kolenkit de pot verder gevuld met antracietkolen. Soms kocht mijn vader eierkolen – samengeperst kolengruis in een ronde vorm – of van die langwerpige kolenbriketten, eveneens samengeperst kolengruis. De eierkolen en briketten werden meer in de avond gebruikt, omdat ze lang doorgloeiden en dus lang voor warmte in huis bleven zorgen.

Verder werd alles wat brandbaar was in de keukenkachel gestopt, zodat er weinig afval overbleef. Ook oude schoenen, toen nog geheel van leer, zowel het boventuig als de zolen en hakken. De spijkertjes waren in de as terug te vinden.

Een kolenhok, gemetseld in de bijkeuken, werd door kolenboeren als De Hoon, Heijnen of Willebrords voor de winter volgestort met een mud (70kg) of zeven, acht antraciet, meestal genoeg om de winter door te komen.

 

De keukenkachel was de hoofdverwarming in ons huis. Ons hele gezinsleven speelde zich grotendeels af in de keuken: koken, eten en radioluisteren. Populair in die jaren was het programma ‘De Bonte Dinsdagavondtrein’ met artiesten zoals Snip en Snap, Willy Alberti, Toon Hermans, Rudi Carrell, accordeontrio The Three Jacksons, Bob Scholte en Bobbejaan Schoepen. Dat was lachen en muziek, ontspanning van de hoogste plank!

De kolenhaard in de huiskamer werd alleen aangestoken, als er ’s winters in het weekeinde bezoek kwam. Omdat het steeds aansteken met papier, mastappels en hout zo arbeidsintensief was, besloten mijn ouders hier een oliehaard, geleverd door de firma Dekkers, te plaatsen met een tweehonderd liter tankje op een stellage naast het huis. Deze haard verwarmde zowel huis- als voorkamer, die gescheiden waren door schuifdeuren. De voorkamer, die wel een schoorsteen had, maar geen kachel, was gevuld met salontafel en vier fauteuils; alleen hoog bezoek werd hier toegelaten. Als er bijzondere gasten werden verwacht, dan schoof ons moeder de deuren tijdig open, zodat de warmte uit de huiskamer naar de voorkamer kon trekken.

 

De slaapkamers op de eerste verdieping waren niet verwarmd. Als ‘Vadertje Winter’ flink te keer ging en de temperaturen ver beneden nul kwamen, werd de gangdeur ’s avonds een tijdje opengezet.

“Dan kan de wèèrmte un bietje naor boven trekke,” legde ons moeder uit.

Maar ja, soms vroor het tot vijftien graden of erger onder nul! De ijsbloemen stonden dan op de ruiten!

“Ge slôpt ut lekkerst mééj bevrore ore,” zei ons vader altijd, maar hij zorgde wel voor genoeg wollen dekens, een dikke sprei en een breed zwaar kussen op het voeteind van het bed om voor ons de kou tegen te houden. En die oren trokken we ook onder de dekens!

 

Dan de elektriciteit.

De benedenverdieping bestond uit een voorkamer, zitkamer, entreehal, woonkeuken, bijkeuken, toilet en kelder. De kelder deed dienst als ‘koelkast’ en was tevens voorzien van een spekkuip, een aardappelhoek en banken om conserven of wekflessen op te zetten. Allemaal voorzieningen om etend de winter door te komen.

Alle ruimtes hadden één lichtpunt met wandschakelaar. De voor- en zitkamer, en de keuken en bijkeuken waren voorzien van elk één stopcontact. Op de verdieping waren drie slaapkamers, maar slecht één stopcontact op de overloop.

Buiten de lampen werd er weinig stroom verbruikt. In de keuken stond een radio voor het nieuws en de arbeidsvitaminen (een populair muziekprogramma, dat er elke ochtend op de werkdag was tussen tien en twaalf uur. Pas toen ik een jaar of vijftien was (1958) kocht moeder een kofferplatenspeler, waar we 45- en 33-toeren platen op konden draaien en ik naar Elvis Presley kon luisteren.

 

In de bijkeuken werd, na enkele jaren, een wasmachine geplaatst. Het was een houten kuip met elektromotor, die op vernufte wijze drie houten armen heen en weer liet zwaaien tussen het wasgoed. Op de kant van de kuip stond een wringer om, na het spoelen, het water uit het wasgoed te persen.

 In het begin moest moeder een teiltje water op de kachel zetten om het warme water in de kuip te gooien. Later kocht vader een elektrisch dompelelement, dat los in de kuip werd gezet om het water te verwarmen. Als moeder dacht de goede temperatuur te hebben bereikt, werd het element uit de kuip gehaald en de wasmachinemotor ingeschakeld.

Dan had moeder nog een elektrisch strijkijzer en een stofzuiger.

Dat was het eigenlijk.

Later kwam er nog een stikmachine bij, waarop ons moeder thuis schoenen en tassen in elkaar naaide. Onze eigen naaimachine was overigens nog met zo’n trapplateau, dus voetaandrijving.

 

Geen telefoon, geen telvisie, geen computer en bedenk er zelf nog maar een stapel apparaten bij. We hadden het allemaal niet nodig en we leefden toch gelukkig met elkaar.

Tjonge, ik zou zo weer terug in die tijd willen stappen! Ik wil niet zeggen, dat het toen allemaal beter was dan nu. Maar wel simpeler.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Raok me us aon

Ik heb verdriet

Heimwee

Verlangen

Nooit meer contact met jou

 

Ik heb gedacht

Gepeinsd

Getobd

Geen antwoorden gekregen

 

Ik heb gehuild

Getreurd

Gejankt

Eindelijk een zee van tranen

 

Mijn wangen nat

Gedrenkt

Gedroogd

Tegen beterweten in gezegd:

 

Hallo Riet, 

Waor bende,

Raok me us aon

Kom us effe naost me staon

Waor zitte

Ik mis oe

Kom noggus langs

Maar . . . . . . . . . . . . . . . . . 

© Henk M. van Oosterwijk