Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Zwarte Piet

Iedereen heeft een verleden

Iedereen kent vreugde en leed

Sommigen hebben echt geleden

Sommigen verrijkten door slavenzweet

 

Anderen denken in ’t verleden

Anderen gaan tweehonderd jaar terug

Weinigen hebben zelf geleden

Weinigen bouwen een fictieve brug

 

Enkelen richten een betichtende vinger

Enkelen gaan diep de historie in

Velen geloven en vieren tradities

Velen zijn vergevensgezind hierin.

 

Zwarte Piet, zo zwart als roet

Klonk al eeuwig in ons land

Waarom plots een nieuwe kleur moet

Begrijpt geen mens in Nederland.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

19-10-2018:  Zwarte Piet

18-10-2018:  Een jaar later

11-10-2018:  Romantiek

27-08-2018:  Zakken vullen

13-08-2018:  Centje bijverdienen

04-08-2018:  Een emmer zweet

02-08-2018:  Onmacht

21-07-2018:  Begrip maar geen besef

16-07-2018:  Geluk aan de Poolse grens

10-07-2018:  Verloren uurtje

19-06-2018:  Drank brengt geluk

14-05-2018:  Sneeuwwitje

08-05-2018:  Pap nooit met vreemden aan

19-03-2018:  De truc

15-03-2018:  Piet, koffie!

06-03-2018:  De rooie step

02-03-2018:  Het trapje en de gebroken hand

08-01-2018:  Er brandde één kachel

16-12-2017:  Raok me us aon

 

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

 

Een jaar later

Steeds keren mijn gedachten terug bij dat ene moment. Telkens weer zie ik het gebeuren.

Ik laat ze toen binnen, de uitvaartbroeders.

Nee, een broeder en een zuster. Op een waardige manier en met behulp van een glijlaken schuiven ze Riet van het bed op de baar. Meteen in een grote kunststof zak. De rits gaat half dicht en de broeder vraagt:

“Wil er iemand nog iets zeggen?”

Ja, wat moet ik zeggen?

Riet, doe je ogen open. Zeg, dat het een grapje is en kus me. Dit is onwerkelijk. Ik moet ze overdragen, haar lichaam meegeven aan deze mensen. Maar ik wil ze hier houden. Bij mij, in huis. Haar verzorgen, haar kussen, haar liefkozen.

Ik schud langzaam mijn hoofd. 

Ik ken geen woorden, die bij dit afscheid horen, wat voor mij nog geen afscheid kan zijn. Geen gezegdes, die Riet tot leven wekken. Geen kreet, die haar doet opschrikken, recht zitten en mij omhelzen.

Ik kijk de man aan en hij begrijpt.

Ik buig voorover en kus haar.

Koud!

Wat is ze koud!

Ik schrik ervan, terwijl ik weet dat ze vertrokken is. Weggegaan uit het leven.

Haar leven. Mijn leven.

Onvoorstelbaar! Dit kan niet! 

Om vier uur is ze ingeslapen; straks wordt ze weer wakker en kijkt me met die alles veroverende glimlach aan. Ze kust me, maar .......

Koud.

Haar lippen zijn zo koud.

Het is onwerkelijk, niet te begrijpen.

Onbestaanbaar.

Ik richt me op en knik tegen de uitvaartdienders. De man schuift de ritssluiting van de lijkzak dicht. Ik zie haar gezicht langzaam verdwijnen achter de sluitende rits.

Ze rijden de baar naar buiten, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. Hij weet zich ook geen houding te geven, moet iets doen en helpt zijn oma mee naar buiten. Ze schuiven Riet in de auto.

We staan erbij en kijken ernaar.

Wij, ik, mijn kinderen en kleinkinderen.

De auto vertrekt.

We blijven kijken, totdat het grijze mobiel om de hoek verdwijnt.

"Mijn vrouw is dood," zeg ik tegen een man, die net zijn hond uitlaat en op eerbiedige afstand het tafereel staat gade te slaan.

Hij knikt.

"Gecondoleerd en sterkte," zegt hij en loopt aarzelend verder, zijn hond manend om mee te gaan.

Ik voel me leeg.

Langzaam volg ik de kinderen, terug naar binnen. Fijn, dat ze er allemaal zijn.

Onwerkelijk, dat Riet er niet meer bij is.

 

 

Nu zijn we een jaar verder.

Ik heb af en toe zin om alles binnen handbereik kapot te slaan. Door de lucht te slingeren. In gruzelementen te rammen. Woede komt zomaar in me op en verduistert mijn geest. Het zijn maar seconden; maar wel heftig, pijnlijk en verscheurend. Het snijdt mijn adem af, drukt mijn borst ineen en vertroebelt mijn gevoel voor realiteit. Het duurt maar even. Een, twee, drie seconden. Dan heb ik weer controle over mijn gedachten.

Het is de machteloosheid, die mijn spieren doen verslappen, en met een diepe zucht zakken mijn armen slap weg langs mijn lichaam.

Waarom?

Waarom is Riet overleden?

Wat is de reden, dat zij mijn leven heeft verlaten. We kunnen samen nog zo veel varen, kunnen beleven, kunnen ervaren. Samen van onze ouderdom genieten.

Maar dat mag niet. Dat kan niet.

Ik zie dat verschrikkelijke beeld voor me en hoor de man nog zeggen:

"Wil er iemand nog iets zeggen?"

En dan die rits, die traag haar gezicht doet verdwijnen. De baar, die de gang in geduwd wordt, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. De wegrijdende auto en de man met zijn hond.

Hoe onwerkelijk is dit allemaal.

Opnieuw laait de woede in mij op, bijgestaan door een machteloos gevoel.

 

De dood is definitief.

Riet hield hier op.

Geef het een plek en kom tot rust.

Herinner je de mooie gebeurtenissen met haar.

Mooie woorden, maar realiteit is hard.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Romantiek

Romantiek, wat is dat?

Ik denk, dat dit woord voor ieder mens een andere betekenis heeft. Zeker als we naar de generatieverschillen gaan kijken.

Neem nou mijn eigen kinderen. Hoe zij hun sfeervolle uurtjes met hun vrienden precies indeelden, weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is, hoe zij elkaar ten huwelijk vroegen.

 

Neem nou mijn schoonzoon Bart.

Hij had een restaurantje gereserveerd, zich in een goed pak gestoken en een Rolls Royce naar mijn dochter Susanne haar werk gestuurd, om ze op te halen.

Het meisje wist van niks.

Nou, meisje, ze woonden al tien jaar samen in Almere, een stad ver van haar geboortedorp Rijen vandaan. Susanne stapte in de Rolls uit 1970 en werd naar dat restaurant vervoerd. Daar zat onze Bart te wachten, ging op zijn knieën en vroeg haar ten huwelijk.

Is dat niet romantisch?

We praten er nog steeds over!

 

En dan zoon Raymond.

Hij had heel iets anders in gedachte.

Tijdens een carnavalsfeest stapte hij het podium op en vroeg, ‘of hij effe van de microfoon gebruik kon maoke.”

Dat mocht.

Of het nou zijn zenuwen waren, of de biertjes die hij al genuttigd had: het begon heel onromantisch.

“Wil Monique effe op het podium komen,” schalde het door de luidspeakers, terwijl - tot grote ontsteltenis en hilariteit van zijn vrienden – hij al bijna tien jaar met Lenie samenwoonde!

“Neije, doe toch maar oos Lenie,” herstelde hij zich. Gelukkig meldde Lenie zich en ging ook Raymond op zijn knieën met de woorden: “Wilde gij mee mèn trouwe.”

En dat wilde ze, ondanks de eerdere spreekfout.

Is dat niet romantisch?

Ook hier wordt nog dikwijls om gelachen.

 

Maar dan wijzelf, ons Riet en ik.

Natuurlijk was ik romantisch en hield ontiegelijk veel van haar. Maar onze tijden – in de zestiger jaren van de vorige eeuw – waren heel anders.

We hadden al acht jaar verkering, voor we trouwden, maar samenwonen? Nee, dat was er niet bij. Ge vree gewoon met elkaar en over trouwen werd alleen wat lachend gesproken. Bijna drie jaar woonde Riet bij onze ouders in. Ze had een eigen kamer en ik moest een kamer met mijn broertje Wim delen.

Riet spaarde voor haar uitzet, die netjes op zolder gestald werd tot het eens tot een huwelijk zou komen. Op mijn verjaardag kreeg ik een pollepelrek van haar met de woorden: “Komt straks goed van pas!”

Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit gevraagd heb, of ze met me wilde trouwen.

Op een dag zij ze gewoon: “Ik ben naar de gemeente geweest en heb ons ingeschreven voor een woning!”

Maar ja, in die tijd was er een puntenstelsel en als we die berekeningen toepasten, zouden we op ons drieëndertigste eindelijk een woning krijgen!

We waren toen drieëntwintig!

 

Tot ik van mijn werk thuiskwam en zei: “Riet, we hebben een woning! Van mijne baos.”

En zes weken later waren we getrouwd.

 

Ik romantisch?

Natuurlijk wel. Ge kunt het helaas niet meer aan Riet vragen, maar geloof maar van mij, dat ik een idyllisch magische sfeer kon scheppen, als dat nodig was!

© Henk M. van Oosterwijk

Zakken vullen

Wie wilt er nou niet zijn zakken vullen?

Nou, ik in ieder geval wel, als het maar op een eerlijke manier gaat. Als die vraag komt, volgt bij mij een volmondig: jaaaaa.

Zo ook vorige week, toen die vraag "wilde gij zakke vulleuuu" werkelijk aan mij werd gesteld. Maar dat moet ik even uitleggen.

 

Sinds april dit jaar ligt mijn motorjachtje in jachthaven De Ouwe Sluis in Oosterhout. In Vissershang (Hank) had ik een prachtige ligplaats en zat binnen vijf minuten met de boot in de Biesbosch, maar vanuit Oosterhout is het dik drie kwartier varen.Een klein nadeel dus. "Maar elk nadeel heb zijn voordeel," citeer ik Johan Cruyff maar even. Ik verhuisde mijn schip van Vissershang naar Oosterhout, omdat ik hier te voet in vijftien minuten bij mijn bootje ben en op de fiets in vijf minuutjes. Dat is gemakkelijk als er in de winterperiode in sommige verloren uurtjes aan boord wat geklust moet worden. Daarnaast zijn er veel voorzieningen in de haven, waarvoor watersportvereniging Sluis 1 voor gezorgd heeft. Zoals bijvoorbeeld gratis uit en in het water gebracht worden door de botenlift en voor niks op de wal staan om aan je boot te klussen. Alle soorten gereedschappen zijn voor handen. De kantine is van de vereniging en de consumpties zijn erg betaalbaar, zeer laag in prijs zelfs. Bovendien betaal ik per jaar hier slechts de helft van het liggeld, wat ik in Hank kwijt was.

 

Deze voordelen kunnen natuurlijk alleen maar ontstaan door vrijwilligerswerk. En daarom is elk lid van de vereniging verplicht om achttien uur per jaar in de haven werkzaamheden te verrichten. Dat werk varieert van kantine en wc's schoonhouden, havenmeester spelen, grasmaaien en gemaaid gras opruimen, bestrating netjes houden en kluswerk aan steigers verrichten. Niet te vergeten de biertap hanteren bij vergaderingen en feestavonden. En zo kan je nog wel even doorgaan. Jan verdeelt al jaren deze werkzaamheden en houdt de urenlijsten eveneens bij.

 

Zo gebeurt het, dat op dinsdagavond mijn telefoon rinkelt.

"Meej Henk van Oosterwijk," zegt mijn papegaai Schipper, voordat ik het mobieltje opneemt.

"Meej Henk van Oosterwijk," imiteer ik hem.

"Ja, Jan hier," hoor ik uit mijn mobiele telefoon komen. "Zeg Henk, heb je donderdag tijd om zakken te komen vullen?"

Ik aarzel even. Zakken vullen? Wat nou weer!

"Nätuurlijk Jan," antwoord ik, want ik heb dit jaar nog geen uurtjes gemaakt voor de club. "Hoe laot beginne we?"

"Om negen uur onder het afdak meej koffie," klinkt het weer. "Dan leg ik wel uit, wat'ur mot gebeure."

"Oké, ik ben er."

 

Donderdagmorgen om negen uur tap ik een zwarte koffie uit de automaat in de kantine en loop naar het afdak, waar twee tafels en een twintigtal stoelen zijn weggezet. Men spreekt wel eens over een 'leugenbankske', maar hier is het een compleet 'leugenterras', waar door het jaar heen de sterkste verhalen worden verteld. Soms wordt er ook wel met veel wijsheid gesproken, maar het verschil is moeilijk te ontdekken.

Mijn werkmaat André zit er al en even later komt ook onze werkregelaar aan. Hij neemt ons mee naar de gereedschapsruimte, voorziet ons van een kruiwagen met doos, gevuld met plastic zakken. Hierop wordt een schop gelegd, een panneke voor de kenners, en we lopen gezamenlijk naar de achterzijde van de haven. Hier stoppen we bij een grote hoop zwart zand.

"Ik zal't ene keer vurdoen," legt Jan uit. Hij schept zand, terwijl André een zak openhoudt.

"Vur de helft vulle, dichtknope en daor wegzette," en hij wijst naar een plek vijf meter verder aan de rand van het water.

"Mooi werk," merk ik op, "mar waor dient ut veur?"

Zakken vullen, prima, maar ik wil wel graag weten, wat het einddoel is van onze inspanningen.

"Da za'k oe laote zien," antwoordt Jan en loopt de dijk langs de haven op. Wij volgen. Dan stopt hij.

"Hier onder heej nun nest waoterratte gezete, un stuk of zeuve, acht, die de kaant ondergraove hebbe. Die ratte hebbe we veurig jaor laote vange, mar nou zijn hier allemaol verzakkingen. Die vulle we op meej die zandzakken, legge daor die holle stene op zo as daor," en hij wijst een tiental meter verder waar deze werkzaamheden al plaats hebben gevonden. " en dan gaot ur wir zaand over en zaaien we gras in. Dur die zakke kan het zaand nie wegspoele. Volgend jaor kunne we hier wir maaie en is alles wir netjes."

 

Duidelijke taal.

Nou weten we, waarom we het doen, zakken vullen. En met gezonde tegenzin beginnen André en ik aan ons werk. Om half elf pakken we een bakske koffie, om twaalf uur gaan we naar onze boten om te schaften en nieuwe energie op te doen, en om een uur gaan we weer verder met zakken vullen.

Rond drie uur is mijn rug zowat gebroken en vindt André ook, dat het tijd is om te stoppen. Zo'n tweehonderd zakken zijn dan gevuld!

Terug op de boot laat ik me in een stoel vallen en slaap ruim een uur lang aan een stuk door. Als ik wakker word zie ik, dat Schipper me ogenschijnlijk verbaasd zit aan te staren met een blik van: 'wat heb jij allemaal uitgespookt'.

Ik heb me 'het zakken vullen' toch iets anders voorgesteld.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Centje bijverdienen

Het kan soms raar gaan in het leven.

Ik praat nu over de tijd van begin jaren '90. Riet en ik varen een ZM-kruisertje van ongeveer zes meter lang, en onze vrienden Peter en Rietje een Verhoeven-kruiser met een lengte van acht meter zestig. Een Verhoeven-kruiser kent de gemiddelde watersporter wel, maar wat is een ZM-kruiser? Ik zal u uit de droom helpen: het is een Zelf Maaksel. Een polyester onderschip met een houten opbouw. En een plezier dat we met dit bootje, negen jaar lang, gehad hebben. Het is maar goed, dat bootjes niet kunnen praten!

 

Het gaat me echter niet om de kruisers, maar om de bijbootjes. Peter en ik hebben allebei nog een roeibootje met buitenboordmotor.

Zo gebeurt het, dat we samen aangemeerd liggen in het Middelgat van de Plomp, net waar de Sloot van Sint Jan de Plomp instroomt. Het Spaarbekken noemen wij deze plek.

Het is zaterdag en we zitten 's avonds lekker te borrelen, als rond de klok van elf een roeibootje langskomt glijden.

"Meneer," wordt er geroepen, "kunt u ons niet even naar de haven Vissershang slepen. We zijn verdwaald na een dropping. We zijn moe en komen waarschijnlijk te laat binnen." De droppelingen hebben waarschijnlijk onze volgbootjes zien liggen.

Peter reageert als eerste: "vur vijfentwintig gulden sleep ik oe er wel effe naor toe."

Ik kijk hem beduusd aan. Dat kun je toch niet maken.

"Akkoord," klinkt het verrassend uit het roeibootje.

"Vooruitbetalen," antwoord Peter weer. Ik zie een van de mannen naar zijn portemonnee grijpen en een geeltje (nu ongeveer elf euro) aan mijn maat geven.

"Vaorde mee?" Peter kijkt me aan.

"Oké," zeg ik, zoek mijn jas en pet op, want het is op en neer toch een uurtje varen en het kan kouder worden. We binden het dropbootje aan de Pioneer van Peter en weg zijn we.

 

Als we Vissershang naderen, zien we de silhouetten van het kleine vrachtschip van Frans Peeters voor in de haven liggen.

"Koppel ons hier maar af," zegt de betaler zachtjes tegen mij, "want anders ziet de organisatie, dat we gesleept zijn. Dit laatste stukje roeien we wel, dan hebben we waarschijnlijk nog gewonnen ook!"

Peter en ik kijken elkaar lachend aan, gooien de sleeplijn los en keren terug via Spijkerboor en de Sloot van Sint Jan.

 

Halfweg de Sloot ligt een bootje tussen het riet.

"Zijn jullie van de Don Pedro?"

"Kunnen jullie ons naar de haven slepen," klinkt het opnieuw uit het riet. "Hier is vijfentwintig gulden!"

Weer een gedropt gezelschap. 

"Die hebbe de vrouwe al gesproke," merkt Peter op. De vijf gedropten hebben het geld al verzameld, we pikken hun boot aan en slepen de nieuwe klanten weer naar Vissershang.

Als we terugkeren in de Plomp komen we nog diverse bootjes tegen met het verzoek hen te slepen, maar dat wordt door ons geweigerd. Het loopt al tegen één uur en we hebben intussen toch wel wat dorst gekregen.

De twee Rietjes zitten nog lekker aan een wit wijntje, als wij arriveren.

"Zo," zegt Peter tevreden, "effe vèftig gulde verdiend."

"Mar wij hebbe ok geld gebeurd," antwoord Rietje van Peter. "We hebbe die pakke wijn, die nie smôokte, aon de langskomende droppers verkocht en nog wa blikskes bier durbij!"

Eind goed, al goed, en we nemen er nog eentje.

 

Het is twee weken later en we liggen met onze boten op hetzelfde plekje in de Biesbosch, als er een meisjes van rond de veertien jaar met vier kleine meisjes van ongeveer tien, bij onze boten op de wal staan. Het is ook weer rond elf uur en pikkedonker. In de Biesbosch staan geen lantaarnpalen en het is nog eens zwaarbewolkt en 't regent af en toe.

Ze staan er met bemodderde schoenen en laarzen en vertellen ons, dat het groepje te voet door het Biesbosch land gaat. 

Wijzelf zitten met vieren in de boot, omdat het met regelmaat wat nat naar beneden komt.

"Meneer," begint het oudste meisje aarzelend, "we moeten naar het bruggetje van Sint Jan, maar we zijn verdwaald."

"Un dropping?" Ik kijk de groep verbaasd aan. "En te voet? Hedde gullie gin bôtje meegekrege?"

Het meisje schudt haar hoofd.

"Zèn jullie waoter overgestoke?" Ik zie nu dat hun broeken nat zijn.

Het meisje knikt. "En we zijn lastig gevallen door een paar jongens in een bootje!"

Ik zie, dat de kinderen bang zijn.

"Gij zijt nou aon de beurt om taxiboot te speule," hoor ik Peter achter me zeggen. "Eigelijk is ut onverantwôrd om die meiskes met dees weer en zo laot nog ut bos in te sture."

Hij heeft gelijk. Waarschijnlijk zal hun tocht niet door het water bedoeld zijn, maar doordat ze op de vlucht sloegen voor die jongens, zullen ze van het pad zijn afgeweken.

"Stap mar in, dan breng ik jullie wel effe." Ik loop naar mijn bijboot en help de kinderen in te stappen. Het is maar vijf minuten varen naar het bruggetje van Sint Jan, maar te voet kun je daar onmogelijk komen vanuit de plaats waar wij liggen.

 

Even later laat ik de boot tegen de wal naast het bruggetje glijden en de meisjes stappen uit. Op dat moment komen enkele ouderen, waarschijnlijk hun leiders, aanlopen. 

"Jullie zijn in overtreding," moppert de een tegen de kinderen, "en u had ze verdorie niet met de boot moeten brengen," wendt hij zich tot mij.

"Meneer," probeer ik ertussen te komen, maar die man gaat kwaad verder.

"We hebben hier een wedstrijd en die hebt u helemaal verstoord!"

Er volgt nog wat getier, terwijl mijn bloed begint te koken.

"Ge mot us goed luistere," verbreek ik zijn tirade, "Die meide komme nat en angstig bij oos aon. Ze zèn gevlucht vur un paor lastige jongus, zèn dan vermoedelijk  unne sloot overgestôke. Te voet konde ze hier nimmer kome. En gij zegt, da'k ze nie moes brenge? Wie stuurt er mèskes van tien dun Biesbosch in bij naacht? Gullie mot oew eige us nao laote kijke!"

Ik start de motor en vaar zonder om te kijken terug naar ons Rietje.

"De wereld is niet eerlijk," stel ik in mezelf vast, "de een speelt taxiboot en beurt vijftig gulden, de ander doet hetzelfde, maar krijgt op zijn donder."

Ik heb er met Peter en de Rietjes, die er natuurlijk hartelijk om moesten lachen, toch maar een lekker pintje op gepakt.

Copyright  Henk M. van Oosterwijk

Onmacht

Je hebt kanker.

Je wil dan natuurlijk zo snel mogelijk geholpen worden, maar de praktijk is toch anders. Als ik op 5 juli te horen krijg, dat ik agressieve prostaatkanker heb, ga ik er van uit, dat de ziekte half september uit mijn lichaam verdreven zal zijn. Niets is minder waar en nieuwe afspraken maken met Instituut Verbeeten en ziekenhuis zijn alleen maar tegenvallers voor mij, die wel geestelijk verwerkt moeten worden. Ik ben ook maar een mens.

 

Op donderdag 19 juli zit ik in het Tilburgse Verbeeten Instituut tegenover een vrouwelijke radioloog-oncoloog. Ik ga deze middag met deze dokter de behandelingen doornemen, die het artsen-team voor mij heeft uitgekozen.

"We beginnen met bicalutamide tabletten, een per dag en in totaal dertig dagen lang. Een week na de eerste pil krijg je een hormooninjectie. Deze kuur gaat de groei van de kankercellen in de prostaat afremmen."

Ik knik begrijpend. "Zijn er ook bijwerkingen?"

De dokter knikt bevestigend: “Je kunt onder andere opvliegers krijgen en humeurig worden."

“Typisch vrouwelijke kenmerken," zeg ik glimlachend en kijk de dokter aan. "Krijg ik ook de drang om een jurkje te gaan kopen?"

De arts schiet in de lach en als ze weer wat op adem is gekomen, antwoord ze: "Die bijwerking heb ik nog niet meegemaakt. Maar wel libidoverlies hoort erbij." 

Lachend maakt ze notities.

"Sorry voor de grap in deze situatie, maar ik moet mijn humor niet verliezen. Dat houdt me optimistisch." Ik maak met mijn hand een verontschuldigend gebaar.

"Is goed." Glimlachend kijkt ze op van haar notitieblok en vervolgt: "Dan ga ik een afspraak maken om goudmarkers in de prostaat te laten plaatsen."

"Word ik weer een beetje meer waard," grap ik tussen door. Opnieuw verschijnt er een glimlach op het gezicht van de dokter, maar ze gaat verder met de uitleg.

"Daarna, tenminste een week later, omdat de gemaakte wondjes bij deze ingreep eerst moeten genezen, maken we een MRI- en CT-scan en brengen we een tattoo aan. Dit allemaal om de precieze plaats voor de bestraling te bepalen, zodat we geen andere organen raken, maar alleen de kankercellen vernietigen. En dan beginnen de bestralingen, zeven weken lang elke werkdag. In totaal dus vijfendertig keer. Intussen geven we je elke drie maanden een hormooninjectie. Dit blijven we ongeveer drie jaar doen."

Ik heb het hele verhaal – ondanks de grappen tussendoor – aandachtig aangehoord. Zelf had ik een andere planning in mijn hoofd. Snel beginnen met de bestraling, intussen wat pillen slikken en begin september is Henkie klaar met de bestralingen. Genezen, kanker weg.

Maar nu komt er toch minstens een maandje bij, besef ik.

"Het kan natuurlijk altijd zo zijn, dat we de behandelingen aan de situatie moeten aanpassen,” gaat ze door. “Hoe reageer je op de pillen, injecties en de bestraling? We moeten dat afwachten.”

Ze legt haar pen neer.

Alles duidelijk? Zijn er nog vragen?" De oncoloog kijkt me vriendelijk aan. Ze scheurt haar notities van de blocnote en schuift die over tafel naar mij toe. “Goed, dat ze alles voor me heeft opgeschren, want ik zit hier alleen. Er valt een stilte, want ik laat nu alles eens goed bij me binnenkomen.

"Denk maar even na. Ik ga intussen een paar zaken voor je regelen.” De dokter loopt het kantoor uit, terwijl ik de notities ga bestuderen.

Doktersschrift, bijna onleesbaar.

 

Even later is ze weer terug. "Nog vragen?"

"Ja," begin ik weifelend. "Ik heb uw schrift een beetje proberen te ontcijferen."

De arts glimlacht.

"Met wat ik onthouden heb, ben ik eruit gekomen," ga ik verder. "Ik euh...”

Ik probeer de data van de afgelopen maanden naar boven te halen en ga verder: "In februari heb ik controle gehad bij de uroloog en is alles goed bevonden. De PSA-waarde in mijn bloed was twee jaar terug 17,0 en toen gezakt naar 1,5. Prima dus. Op 23 mei wordt er voor alle zekerheid wat weefsel uit de prostaat gehaald en is de conclusie: agressieve kanker. Drie maanden later! Na een botscan en pas op zesentwintig juni een PET-PSMA-scan krijg ik op 5 juli de mededeling, dat er geen uitzaaiingen zijn. Mooi dus, maar we zijn wel weer een maand verder."

Ik haal even rustig adem en kijk de dokter recht in de ogen.

"Wie garandeert me, nu twee maanden na de vaststelling van de kanker en bijna een maand na de constatering dat er geen uitzaaiingen zijn, dat er nu die nu nog niet zijn?"

De arts gaat meteen hierop in.

"In uw geval zullen uitzaaiingen langzaam komen. Bovendien beginnen we overmorgen meteen met de tabletten, die al remmend werken. Honderd procent garantie kunnen we als arts nooit geven, maar we verwachten geen problemen."

"Oké," ik ben een beetje gerustgesteld. Een beetje.

Met toch nog gemengde gevoelens loop ik naar het secretariaat van de arts.

"Meneer van Oosterhout?"

De secretaresse kijkt me aan.

"Nee," antwoord ik, "van Oosterwijk, maar dat scheelt maar dertig kilometer!" Het is een grapje, dat ik bij dit soort vraag altijd erin gooi.

De secretaresse glimlacht. "Sorry, hoor." Ze kijkt in een stapel paperassen. "Ik kan nu de afspraken niet rond krijgen. Het loopt tegen het einde van de middag, maar ik bel u morgen zeker op."

Ik knik.  "Dat is prima. Tot horens."

Ik loop naar de grote entreehal, bel mijn taxi, die een half uur later voorrijdt om me naar huis te brengen. Echt gelukkig voel ik me niet.

 

Die vrijdag gaat snel voorbij. Broer Wim met zijn vrouw Lia komen op bezoek en we kijken naar de Tour de France. Er komt geen telefoon.

Rond vijf uur komt zoon Raymond binnen.

"Waarom neem je de telefoon niet op, pa? Ik heb wel vijf keer gebeld!"

Ik kijk verrast op. Vijf keer gebeld? Hoe kan dat? Ik heb niets gehoord, terwijl mijn mobieltje voor me op de salontafel ligt. Ik pak de telefoon van tafel. Verdorie, ik heb gisteren het geluid uitgeschakeld. Op het schermpje zie ik, dat het Verbeeten Instituut driemaal gebeld heeft. Ik kijk op de klok. Tien over vijf, te laat om terug te bellen.

Morgen dan maar.

 

Op zaterdagmorgen bel ik het instituut, maar dat is in het weekend gesloten. Dan valt er die middag een enveloppe op de deurmat. Ik open de brief en lees met een opnieuw onrustig gevoel de vermelde afspraken door. Op 29 augustus zullen de goudmarkers geplaatst worden, lees ik, en op 24 september volgen dan de scans. De bestraling zal in Breda plaatsvinden en is nog niet ingepland. Na een kort rekensommetje bedenk ik, dat ik met de bestralingen pas eind november, begin december klaar zal zijn. In een boze reactie smijt ik de enveloppe, brieven en bijgesloten folders door de woonkamer. Dit kan toch niet! En uitzaaiingen? Wat gebeurt daarmee in de komende maanden? Is dit wel in de hand te houden?

Moedeloos raap ik de papieren weer bij elkaar.

 

De onmacht in dit hele gebeuren sloopt me.

Niet lichamelijk, want opvliegers en humeurigheid zijn me tot nu toe bespaard gebleven. Gelukkig bij deze temperatuur van vijfendertig graden!

Maar geestelijk ben ik neergehaald. Gevloerd.

Mijn planning van begin juli, dat ik eind september klaar zal zijn met de bestralingen, valt helemaal in het water.

Een heel weekend loop ik rond met allerlei gedachten en twijfels.

Op maandag bel ik naar het Verbeeten Instituut, maar dat verandert niets aan de situatie.

“De doctoren weten wel, waar ze mee bezig zijn,” krijg ik te horen. “En de scans kunnen niet eerder ingepland worden.”

Het stelt me niet gerust en ik bel de huisarts.

De dood, daar ben ik niet bang voor. Maar de familie. De gedachte aan kleinkinderen en kinderen geven me kracht.

Daarbij moet ik niet zo dramatisch doen, want vijfennegentig procent van mannen met prostaatkanker wordt genezen verklaard.

“En bovendien,” vertelt mijn huisarts me, “zijn er oude mannen aan allerlei kwaaltjes gestorven, die - na sectie - ook nog prostaatkanker bleken te hebben.”

Dus waarom maak ik me druk?

 

Intussen ben ik al meer dan een week met mijn pillen kuur bezig, waardoor de groei van de kankercellen geremd wordt, en heb ik afgelopen vrijdag (27 juli) de eerste hormooninjectie gehad.

Wat kan me gebeuren?

Eind december zit ik aan het Kerstdiner weer gulzig een groot stuk kalkoen weg te werken met een lekker glaasje wijn in de hand.

Genezen verklaard.

© Henk M. van Oosterwijk

 

Een emmer zweet

Bij de reacties van mijn vorige verhaal ‘Onmacht’ kom ik ene Richard tegen, die me plotseling doet herinneren aan een zweterig voorval. Ik heb dikwijls mensen zien transpireren. Bij zware arbeid, bij te hoge temperatuur in een feestzaal of – zoals vorige week - bij tropische temperaturen.

Zelf kan ik er ook wat van; als ik vorige week maar een balpen verlegde, stroomde het water vanaf mijn achterhoofd de nek in.

U weet, dat ik altijd waargebeurde verhalen schrijf, zoals ikzelf ze herinner. Nou deze geschiedenis overtreft alle zweettaferelen, die je ooit hebt gekend. Luister.

 

Het is in de jaren 80 van de twintigste eeuw.

Voor ik afzwaai als kastelein, heb ik nog een formidabel idee: een kasteleins driebanden biljarttoernooi organiseren onder de Rijense horecaondernemers!

Hoe verzin je het, niewaar.

Café en restauranthouders naar een etablissement lokken om daar vier doordeweekse dagen een onderlinge strijd op het groene laken uit te vechten. Dat moet een feest zijn!

En dat wordt het ook.

Via loting komt het eerste toernooi bij café-restaurant 't Hoekske terecht, momenteel zeer bekend als 't Vermaeck. Jantje Janssen runt samen met zijn vrouw Toos in die tijd de zaak naast de ingang van vliegveld Gilze-Rijen.

Acht kasteleins schrijven in voor dit driebandentoernooi. Ik hoop de juiste namen te noemen, want het archief heb ik indertijd aan anderen overgedragen. 

Volgens mij spelen mee: Louis Nooten van Hotel Nooten, Richard Dreijer van Restaurant Oase, Gerrit Wouters van 't Stationskoffiehuis, Nolleke Vromans van Plankenwammes, Kees Bink van De Drie Linden, Jan van Galen van bar ’t Pulleke (kan ook nog Ton Bierman geweest zijn, toen heette het de Ricardo Bar en na ’t Pulleke werd het ’t Hangijzerke van Helmus Theeuwes. Dit even terzijde.). Verder  Jantje Jansen natuurlijk, en ikzelf van 't Halve Maantje (nu bekend als Spijs en IJs).

Het wordt een grandioos succes en een groot feest, want elke kastelein brengt zijn eigen publiek mee. En leer kasteleins feesten, hè.

Vraag me niet, wie die eerste kampioenstitel gewonnen heeft, want dat kan ik me niet meer herinneren.

Het staat vast, dat dit succes tot een vervolg zal leiden. Het tweede jaar, ik denk bij Hotel Nooten gehouden, schrijven al meer ondernemers zich in en ook horeca uit Gilze meldt zich latere jaren aan.

 

Dan komt het jaar, dat dit biljartcircus in De Drie Linden te Molenschot neerdaalt. Uitbater hiervan is Kees Bink, alom bekend in deze streken. Bij een voorbespreking van dit biljarttoernooi zitten we ’s middags in zijn zaak te vergaderen.

“Een moment,” zegt Kees plots rond kwart voor vier. Hij staat op, loopt naar de bar, pakt een zak snoep en gaat daarmee naar zijn entreedeur. We zien een aantal schoolkinderen buiten staan, die onderweg zijn van school naar huis. Kees deelt snoepjes uit aan hen. Dan sluit hij de deur weer, bergt zijn snoepzak op en zegt tegen ons: “Over tien jaor zèn da allemaol klaante hier!”

Zo zit Kees in elkaar: in de toekomst kijken!

Over hem kun je een boek schrijven. Een serie, denk ik.

 

Omdat er zoveel deelnemers aan het toernooi zijn, laten we een tweede biljart bijplaatsen en ook hier wordt het toernooi met groot succes afgewerkt.

Nu hebt u zijn naam al gelezen: Richard Dreijer. Hij doet vanaf het eerste jaar mee, kan geen hout van biljarten, maar is een kei in goochelen. Tussen het biljarten door vermaakt ie de deelnemers en bezoekers met zijn vingervlugge trucs. Dit jaar gaat hij echter iets speciaals doen: Kees Bink in tweeën zagen! En Kees heeft zijn medewerking beloofd.

 

Na de prijsuitreiking op de slotavond zal de act plaatsvinden.

Met enkele helpers wordt de kist, waarin Kees moet plaatsnemen, naast de biljarttafels opgesteld en de zaag klaar gelegd. Kees krijgt het er al een beetje warm van, maar dat kan ook veroorzaakt zijn door enkele jonge jenevertjes. Met toch vrolijke tegenzin en een hoop geouwehoer stapt Kees in de kist. Bereidwillige handen maken zijn stropdas wat ruimer, zodat onze durfal wat meer lucht kan krijgen. 

Dan gaat de klep van de kist dicht en worden de sloten vergrendeld. Aan het ene eind van de kist steken voeten naar buiten, aan de andere kant het rode hoofd van de kastelein.

Dan verschijnt Ricardo, Richard dus, met een kettingzaag in zijn hand. Hij start het apparaat, dat wordt aangedreven door een benzinemotortje. De lawaai makende, knetterende zaag houdt hij schuin omhoog en geeft enkele keren een stoot vol gas.

Even vraag ik me af, of het slachtoffer in de kist wel een sterk hart heeft en kijk naar het uit het kop-eind stekende hoofd. Het is roder dan vuurrood en het zweet gutst van het gezicht af. ‘t Is net, of er een kraan open staat, zo transpireert de man. De zweetdruppels vormen een ware waterstraal en vormen een plas op de cafévloer.

Ik heb nog nooit iemand zo zien zweten!

 

Kees kijkt met grote ogen naar de kettingzaag en roept: “Da haaije we nie afgesproke!”

Richard laat het gelukkig niet lang duren, schakelt de kettingzaag uit, stelt Kees gerust en begint met de handzaag de werkelijke show en de kist in tweeën te zagen. U hebt de truc waarschijnlijk wel ergens gezien. Twee helften van elkaar af, weer tegen elkaar aan, sloten los en klep open.

En daar komt Kees omhoog, geheel ongeschonden maar wel zeiknat. Zijn witte overhemd kan als een dweil uitgewrongen worden. Volgens mij is hij in deze paar minuten wel een kilo of vijf afgevallen door vochtverlies!

Maar de truc en het toernooi zijn een succes en over de kettingzaag wordt nu - vijfendertig jaar later - nog steeds gelachen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Begrip maar geen besef

"Meneer, mag ik u iets vragen?"

Ik loop in Oosterhout de entreehal in, die naar supermarkt Jumbo leidt. De jongeman, die de vraag stelt, is langer dan ik. Zestien tot achttien jaar oud, schat ik.

"Natuurlijk," antwoord ik. Hij zal weer wel een verkooppraatje hebben over een abonnement op en of ander dagblad, denk ik bij mezelf.

Maar hij verrast me.

"Ik heb mijn ID-kaart niet bij me en wil graag sigaretten kopen. Kunt u mij helpen?"

Even denk ik nu, dat hij een zakkenroller of geldwisselaar is. Hij ziet de twijfel op mijn gezicht en gaat verder.

"Ik ben achttien, hoor. Maar ik kan me niet identificeren, omdat ik mijn ID-kaart niet in mijn zak gestoken heb. Wilt u voor mij een pakje sigaretten halen, alsjeblieft. Hier is een tientje."

Hij steekt zijn hand naar me uit met de tien euro er in.

Ik ben even stil. Dan kijk ik omhoog, de jongeman recht in zijn ogen.

"Ik wil graag iemand helpen, maar dit kan ik helaas niet."

De jongen trekt een teleurgesteld gezicht.

"Je moet weten," ga ik verder, "dat mijn vrouw van jongs af aan gerookt heeft. Zij is helaas tien maanden geleden aan longkanker overleden. Dus, sorry, ik wil je niet helpen."

De jongeman aarzelt.

" Euh, u hoeft geen sorry te zeggen, meneer. Ik begrijp het. Sterkte nog." En hij loopt van mij vandaan.

Ik ga bij Jumbo de klappoortjes door en doe mijn boodschappen. Misschien is het wel een truc van die jongen, bedenk ik nu. Waarschijnlijk is hij nog geen achttien.

Als ik bij de kassa mijn spulletjes afreken, zie ik de jongeman met een grijzende heer naar de sigarettenbalie lopen. Hij heeft toch een medestander gevonden dus.

'Ik begrijp het,' zei hij net nog tegen mij.

Ja, hij begrijpt mij, het verlies van mijn vrouw.

Verder beseft hij niet, wat een sigaret met je doet.

Wel begrip, maar geen besef!

© Henk M. van Oosterwijk

Geluk aan Poolse grens

Ik heb Polen altijd een prachtig land gevonden.

Riet, de kinderen en ik hebben er dan ook verschillende keren onze vakantie doorgebracht. We werden door mijn broer Wim - getrouwd met de dochter van een Poolse bevrijder - overgehaald dat land eens te bezoeken en dat beviel ons best. Sinds 1944 is Polen een satellietland van Rusland en bevindt zich achter het toenmalige ‘IJzeren Gordijn’. Desondanks hebben we de moed het land te gaan bezoeken. Daarom dit verhaal.

 

Het is het jaar 1975.

Twee weken lang hebben we als uitvalsbasis voor onze vakantietripjes onderdak gevonden bij onze Poolse vrienden in het stadje Mikolów. Gelegen in de provincie Silezië en vlakbij de grote steden Katowice en Chorzów. Lucka en Bertek ontvangen ons graag en de vriendschap is wederzijds. In 1978 zullen we voor hen de treinreis naar Nederland bekostigen en zijn ze zes weken bij ons te gast.

 

Terug naar 1975.

In Polen lijkt het, of de tijd wel vijftig jaar stil heeft gestaan. Na twee weken de schoonheid van de oude Poolse steden als Częstochówa, Kraków, Warschau en het prachtige heuvellandschap met bossen en rivieren bewonderd te hebben, is het weer tijd om naar Nederland terug te keren. Onze Opel Kadet heeft een ruime bagageruimte, die nu gevuld is met uiteraard onze kleding, maar daarbij diverse flessen wodka, kado's en antiek.

"Antiek?" hoor ik u denken.

Ja, de oude voorwerpen liggen in Polen voor het oprapen. Vooral op het Poolse platteland, waar we ons in de dertiger jaren van de twintigste eeuw wanen. Waar de boer zijn akker met paard en ploeg bewerkt en de kolenvoorraad om de winterkou te bestrijden met paard en wagen wordt thuisbezorgd. En zonder te veel arbeid van de kolenboer, of te wel de kolenleverancier. De kar bestaat uit een voor- en achterschot en twee schuinstaande zijschotten. Vóór het afleveradres wordt de kar tot stilstand gebracht en worden de steenkolen eenvoudig op het trottoir, op de weg of op de zandgrond gelost door beide schuine zijschotten los te trekken. De kolenmassa stort zich dan uit over de grond, met enige inspanning trekt het paard de kar tussen de kolen uit en klaar is Janek. Simpel toch!

De koper schept zijn kolen via emmers of een kruiwagen naar zijn kolenbunker. Blijft alleen een zwarte plek over op straat, maar die regent op de duur wel weg!

 

Ik ben weer afgedwaald.

Het antiek. Dat ligt voor het oprapen in schuren en oude zolders. Petroleumlampen, van koper, staand of hangend, alle soorten strijkijzers die op kachels verwarmd moeten worden, zwengelwaterpompen en veel klein huishoudelijk gereedschap en voorwerpen. Riet en ik hebben er niet speciaal naar gezocht, maar vergaren na veertien dagen toch een behoorlijke verzameling bijeen.

 

Als we nabij Trzebiel de grens naderen, begint de spanning bij Riet en mij te stijgen. Onze kinderen, Raymond vijf en Susanne drie jaar oud, hebben nergens last van en liggen op de achterbank te slapen.

"Als we controle krijgen, Riet," zeg ik tegen mijn vrouw, "en het is maar één douanier, zal ik hem dan wat dollars in zijn handen drukken?"

Riet kijkt me verschrikt aan.

"Nee," antwoordt ze resoluut, "de kinderen zijn erbij! Ge nimt gin risico!"

Gelijk heeft ze. Maar die douaniers hebben dikwijls meer dorst dan salaris en dan is een leuke fooi welkom! Bovendien is voor ons een dollar slechts twee gulden (ongeveer een euro), maar voor de Pool is 'n dollar minimaal 120 zloty en dat zijn twaalf werkuren! 

Maar ik zal me gedeisd moeten houden.

Normaal passeren we hier vier controleposten. Bij de eerste leveren we onze passen met gestempeld visa erin, die we bij de laatste post terug zullen krijgen. Als alles goed gaat!

Riet en ik zijn uit de auto gestapt, de kinderen slapen nog steeds op de achterbank.

"Offen machen," commandeert de Pool in het Duits en wijst naar de kofferbak. Met kloppend hart open ik de achterklep. De douanier woelt wat door de spullen heen, waarbij enkele flessen wodka tevoorschijn komen, maar de man reageert niet. Dan komt een oliehanglamp bloot te liggen. Hij stopt met zoeken en wijst naar de lamp.

"Antiek!" Hij kijkt mij doordringend aan. "Alles ausladen!"

"Alles?" vraag ik verschrikt.

"Ja alles!" De Poolse grensambtenaar maakt met zijn rechterarm een schepbeweging van de bagageruimte naar het wegdek. Ik kijk Riet aan. Het is nu het moment om enkele flessen wodka in de strijd te gooien, maar ik lees in haar ogen, dat ik niets moet ondernemen. Gelaten beginnen we de inhoud van onze kofferbak op het wegdek uit te stallen. Het antiek moeten we apart zetten. Als we hiermee klaar zijn, kijk ik de Poolse beambte vragend aan.

"Zurűck schicken," commandeert hij, "dort iszt eine Postambt." Hij wijst naar een gelig houten gebouwtje, dat er uitziet als een vervallen bouwkeet.

"Blijf jij maar hier bij de kinderen, Riet. Ik loop wel even naar dat postkantoor, kijken of ze dozen hebben."

Ik stap naar het gele gebouwtje, terwijl mijn gedachten koortsachtig werken. Krijg ik nog boete? Zetten ze me hiervoor vast? Hoe krijg ik dat spul allemaal teruggestuurd naar Bertek? De postbeambte vindt voor mij ergens een grote doos, waarmee ik terugkom bij de auto. De Poolse douanier is verdwenen.

"Waor is die vent?"

Riet wijst tien meter achter ons.

"Hij heej nun Duitser gevonde meej un grôot schilderij. Daor hèt ie ut druk mee!"

Die heeft een grotere vis gevangen, denk ik snel.

"Inladen Riet, rap!"

Even kijkt Riet me vragend aan, maar als ze ziet, dat ik alle op het asfalt liggende spullen terug in de auto gooi, helpt ze snel mee. Ik scheur de kartonnen doos in stukken en druk die op onze kleren en klap de bagageklep dicht.

"Rustig instappen."

We laten ons in de zittingen vallen, trekken de deuren dicht en ik start de motor.

"Ramen opendraaien, Riet."

Met geopende ramen rijd ik langzaam naar controlepost 2. Een douanier gebaart me door te rijden naar het vierde controlehokje; controle 3 slaan we dus over. De beambte daar kijkt naar mijn kentekennummer, draait zich naar zijn collega achter het loketje en overhandigt aan Riet even later onze paspoorten.

"Guter fahrt!" Hij tikt aan zijn pet.

"Aufwiedersehen," klinkt het tegelijk opgelucht uit onze monden.

 

Met precies de maximaal toegestane snelheid rijden we de grenspost uit en de brug over. We passeren hier rivier De Oder, die Polen van de DDR scheidt. Ik geef gas bij richting Cottbus. Deze autobahn zal ons naar de Berliner Ring brengen.

"Pffff, da hebbe we'r goed afgebracht," zucht ik op Oost-Duitse bodem en kijk Riet lachend aan.

"Da flikte me nooit mir," bijt Riet me toe.

"Waar zijn we?" mengt een nog half slapende Raymond zich in het gesprek. Hij en zijn zusje hebben niets meegekregen van de spanning, die ons toch ruim een uurtje beheerste.

"In Oost-Duitsland," antwoord ik glimlachend, "nog un uurke of acht en dan zèn we thuis."

De Opel Kadet rolt over de betonnen snelweg richting Berlijn.

Zou die Duitser met zijn schilderij ook zoveel geluk hebben als wij?

 

© Henk M. van Oosterwijk

Verloren uurtje

 

Het is voor mij een standaard uitspraak, als er een karwijtje ligt in huis of op de boot. Steevast is dan mijn antwoord: "Da doe'k wel effe in un verlore uurke!"

Dat er af en toe echte verloren uurtjes ontstaan, zult u wel begrijpen als je mij goed kent. Ik heb heel mijn leven gewerkt met een balpoint in de hand en als je die vervangt door een schroevendraaier of een steeksleutel gebeuren er de gekste dingen. Zo ook in het jaar 2013.

 

"Riet," zeg ik op een goede dag tegen mijn vrouw, "da startcontact van de boôt is versléte. Ik gaoij effe un nieuw slot haole bij Altena."

De bootwinkel van Altena Marine is op Keizersveer in Raamsdonksveer gevestigd, dus dat is maar een stukje rijden vanaf onze haven in Hank. Binnen een half uurtje ben ik op en neer en begin aan de moeilijk klus, want er zitten nogal wat elektro draadjes aan het oude contactslot geknoopt. Zoals ik al opmerkte: heel mijn leven heb ik met een pen gewerkt, dus besluit ik eerst maar eens een tekeningetje van de elektrische situatie te maken. (Momenteel ben ik zo slim geworden, om een foto met mijn telefoon van de aansluitingen te knippen.) Daarna demonteer ik het oude slot en bevestig ik de twaalfvoud bedrading nummergewijs volgens mijn tekening op de aansluitpunten. Twee uurtjes later zit alles vast gesoldeerd en geschroefd en steek ik de sleutel in het vernieuwde contact.

Alles werkt!

Dat heb ik mooi gefikst. Ineens alles goed!

Tevreden berg ik mijn gereedschap op en trek een flesje bier open. Dat heb ik wel verdiend, niewaar?

 

De dag erop haal ik de contactsleutel uit de kastlade en wil de motor starten. Onze boot is voorzien van een DAF 575 dieselmotor en heeft met zijn 'quickstart' maar een tikje nodig om aan te slaan. Maar zelfs dat tikje hoor ik niet. De sleutel draait stroef in het sleutelgat.

Hoe kan dat nou?

Gisteren was alles prima in orde. Na nog enkele pogingen lukt het niet om de motor te starten. Zelfs het dynamolampje brandt niet!

Ik snap er niks van.

Wat moedeloos haal ik de gereedschapskist en mijn tekeningetje weer tevoorschijn en begin te slopen. Zelfs het contactslot schroef ik geheel uit elkaar en bouw het opnieuw op. Vier uur later zit alles weer op zijn plek en steek de sleutel opnieuw in het contact.

Niks. Noppes. Geen tik, geen reactie!

Moedeloos trek ik het sleuteltje uit het contact en leg het op het planchet boven het dashboard. 

Wacht eens even: daar ligt nog een sleutel, die verdomd veel lijkt op het sleuteltje wat ik net heb weggelegd!

Ik laat dit sleuteltje in het contact glijden, draai het om en hop: de motor loopt. Ik ben vier uur bezig geweest met de sleutel van een kabelslot, dat erg veel gelijkenis vertoont met mijn contactsleutel!

Eventjes praat ik zachtjes met God, op een oneerbiedige manier danwel, en daarna ga ik het gereedschap opruimen. Ondanks het nutteloze werk, dat ik verricht heb, vind ik toch dat ik een biertje verdiend heb.

Dat waren verd....... echt vier verloren uurtjes!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Drank brengt geluk

Drank brengt geluk

(Uit mijn boek: De spuigaten uit)

 

Nee, drank brengt ongeluk, zal u zeggen.

Dat klopt en zeker als je spreekt over alcoholisch houdende drank.

Geen tegenspraak mogelijk.

Uitzonderingen bevestigen echter de regel, zegt een eeuwenoud spreekwoord, om in het genre van gezegden en spreekwoorden te blijven. Onze ontmoeting met een Deense zeilschipper, genaamd Lars, is zo ’n uitzondering.

Als je het verhaal gelezen en bestudeerd hebt, kom je tot de conclusie, dat de alcohol in Lars eerst het ongeluk bracht, maar zeker daarna veel geluk. Ik zal je verder niet nieuwsgierig maken en meteen met het verhaal beginnen.

 

De dijk, waarop wij zitten, is ongeveer vier meter breed. Aan de ene kant heb je dus het kanaal; aan de andere zijde een steil aflopende helling met ongeveer zes meter lager een kabbelend beekje. De steile helling is begroeid met struiken en boompjes.

De stemming is opperbest!

De Deense zeiler Lars praat, lacht en is blijkbaar te onrustig om op zijn stoel te blijven zitten. Hij heeft een behoorlijk buikje en zal tegen de honderd en twintig kilootjes wegen!

Een figuur gelijk mijzelf, zal ik maar eerlijk bekennen.

En Lars is ‘in the winning mood’.

De alcohol heeft hem behoorlijk te pakken. Geen wonder overigens, want zijn vrouwtje mixed allerlei drankjes door elkaar, die ze aan iedereen aanbiedt. Lars is de enige, die ze allemaal aanpakt en op drinkt! Daarbij neemt hij nog wat halve liters bier tussendoor om de dorst te lessen!

 

Maar dan gebeurt het!

Terwijl ik in een druk en zeer interessant gesprek ben gewikkeld met mijn Deense buurvrouw, horen we de Duitse Selma plotseling gillen:

"Der Lars fällt! Er iszt herunter gefallen!"

Zij wijst naar de steile helling achter ons en wij draaien ons om richting die schuinte.

Wat is er gebeurd?

Achter ons struikelt de rondscharrelende Lars over zijn eigen barbecue, die gelukkig al is uitgedoofd, en duikelt de schuine dijk af naar beneden. Lars valt echter niet helemaal omlaag tot de beek, maar de met struiken begroeide kant remt zijn val af. Een goede zaak natuurlijk, als het geen doornenstruiken zijn!

Wij schrikken enorm, want er zit geen beweging meer in de Deen! Achteraf kunnen we vaststellen, dat hij zich niet durfde bewegen vanwege de vele doornen, die al in zijn lichaam staken!

Riet overziet de situatie snel en wijst Thomas een soort pad aan, iets verwijderd van de onheilsplek, waarlangs de Duitser zich naar het beekje kan laten afzakken. Lopend langs het watertje kan hij zo onder de ongelukkige Deen komen. Hij buigt voorzichtig de scherpe takken opzij en bevrijdt de armen en benen van Lars uit de doornige struiken. Boven geven we elkaar een hand en vormen een menselijke ketting, waarvan de laatste schakel langzaam de helling af schuift om de gewichtige Deen mee overeind te helpen.

Dat werkt: langzaam komt Lars rechtop.

Met behulp van Thomas daalt hij behoedzaam af naar de beek, voorkomend dat er nog meer doornen in zijn huid te recht komen. Als ze bij de beek aan komen, klauteren ze iets verderop langs het pad omhoog tot op de dijk. Beide heren lopen naar ons toe.

 

Dan zien we Lars van dichtbij.

Wat schaapachtig lachend staat hij daar.

Helemaal onder het bloed! Zijn borst, rug en benen vol doorns en schrammen. Het is niet zo 'n lekker gezicht!

Hij lacht, maar is niet blij!

We beginnen de doorns uit zijn lichaam te plukken en als na een tijdje dit karwei geklaard is, neemt Thomas hem mee naar zijn boot voor een warme douche. Als het vuil en bloed van zijn lichaam is afgespoeld en hij zich weer onder ons gezelschap voegt, kunnen we de werkelijke schade op gaan maken.

Een vrij diepe snee, met een lengte van ruim tien centimeter, zit ter hoogte van de nier op zijn rug en hij heeft een behoorlijk wond aan zijn voet. Verder zit Lars vol bloedende schrammen, behalve in zijn gezicht. Dat is ongeschonden gebleven!

Selma haalt een grote EHBO-kist van boord en pakt met een pincet de laatste doornen uit Lars zijn huid. Dan begint ze al de schrammen en wonden vol zalfjodium te smeren en daarbij klinkt nog al eens een " AAWA!"

Maar Lars moet van de vrouwen deze kleine marteling voor eigen bestwil ondergaan en ook de helende pijnen incasseert de Deen met een grijzende lach op zijn gezicht.

Als alle wonden verzorgt zijn en we nog een biertje nemen - ook Lars - op de goede afloop, gaan we eens kijken naar de plaats des onheils.

Wat heeft die Lars een geluk gehad!

Goed dat hij dronken was!

Want een nuchter iemand zou geprobeerd hebben zijn val op te vangen en af te remmen! Dat had met die uitstekende takken waarlijk noodlottig kunnen uitvallen!

Door de alcohol beneveld bleef Lars redelijk slap en ontspannen en tuimelde als een zak aardappelen naar beneden. Hierdoor rolde hij onder de uitstekende takken door de struiken in, weliswaar doornenstruiken, maar hierdoor is toch zijn val afgeremd!

Wat een geluk!

Deze constatering veroorzaakt even een moment van stilte onder het feestvierende volk, waarin het bij iedereen doordringt, dat dit zeer slecht had kunnen aflopen!

De drank heeft hier toch enig geluk gebracht!

We nemen er nog eentje voor de schrik en dan is echt de tijd gekomen dat iedereen zich naar zijn boot en bed begeeft.

 

De volgende morgen voelt Lars zich wonderwel goed, ondanks dat hij die nacht slecht geslapen heeft. De wond op zijn rug doet nog wat pijn en zijn voet moet hij ook voorzichtig wegzetten, maar verder is het prima met hem. De schrammen worden bedekt door zijn T-shirt en zijn gezicht is ongeschonden!

Het is tijd om afscheid te nemen.

Handen worden geschud en bedankjes uitgesproken.

Iedereen maakt zijn boot vaarklaar en gaat zijn eigen weg.

De Duitse zeiler en motorboot richting het zuiden, zoals wij.

Lars en de Deense vlag trots richting noorden!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Voor het boek ga naar:

http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-spuigaten-uit/9789082020328

Sneeuwwitje

                                                                                      ( Henk’s leeshoek 3-2-2015)

Het geschiedt in de wachtkamer bij de huisarts.

Ik heb al enkele weken last van een hardnekkige hoest en na lang aandringen van mijn vrouw maak ik een afspraak met de huisarts. Een stomme regel van deze dokterspraktijk is, dat je alleen ’s morgens tussen half negen en twaalf uur kan bellen. Voor de afspraak dus, spoedgevallen kunnen gelukkig altijd en ook via een speciaal telefoonnummer gemeld worden.

Ik dus om half negen aan het bellen.

Na tig keer draaien krijg ik eindelijk tegen negen uur de doktersassistente aan de lijn en om half elf zit ik in de ruime wachtkamer van de huisartsenpraktijk wat verveeld om me heen te kijken. Lezen van de op tafel liggende bladen en kranten is geen optie; ik heb de leesbril thuis laten liggen.

Wat doe je dan?

Rondkijken en de collega-patiënten observeren.

Schuin tegenover me zit een moeder – neem ik aan – met haar dochtertje. Ik schat het meisje op een jaar of acht. De vrouw bladert ongeïnteresseerd door een programmablaadje van een of ander theater. Het meisje kijkt met haar mee naar de mooie gekleurde plaatjes in het boekje.

Plots slaat het kind haar hand op het blad.

“Is dat Sneeuwwitje?”

Ze kijkt haar moeder blij vragend aan.

“Ja, schat, dat is Sneeuwwitje.”

Meer uitleg komt er niet, maar de interesse van de dochter is gewekt en zij vraagt door.

“Komt Sneeuwwitje hier in het theater?”

En zonder een antwoord af te wachten kijkt ze haar moeder hoopvol aan en gaat verder:

“Oh mam, gaan we daar naar toe? Ik wil er zo graag naar toe!”

De moeder denkt even na, terwijl ze de advertentie nog eens goed leest. Waarschijnlijk voor de data, maar misschien ook voor de entreeprijs.

“Dat kan niet, schatje, want de voorstelling is op één maart en dan ben jij jarig. Dan hebben we toch een feestje met al je vriendjes bij ons thuis.”

Het kind trekt haar hand terug van het theaterblad en legt beide handjes teleurgesteld in haar schoot. Ze kijkt haar moeder smekend aan met en blik die – voor mij als opa – niet te weerstaan is.

“Mama, ik wil zo graag naar Sneeuwwitje. Mag het, mama?”

Ik kan me niet langer inhouden.

“Je kunt toch op je verjaardag al je vriendjes uitnodigen om mee naar Sneeuwwitje te gaan!”

Het is er uit, voordat ik het weet.

De dodende blik van de moeder die me rechtstreeks treft, doet me begrijpen dat ik iets verschrikkelijks heb gezegd. Mijn verontschuldigend gezicht gericht tot de moeder en mijn hulpeloze schouderophaling naar het kind toe maakt deze netelige situatie alleen maar erger.

“Meneer van Oosterwijk!”

De stem van de huisarts redt me net op tijd uit deze bedoening. Ik sta vlug op en zonder nog iemand aan te kijken loop ik op de dokter toe en schudt hem de hand. Samen verdwijnen wij in zijn kantoor.

‘Gered door de gong’, heet dat in boks termen.

Bij het verlaten van de artsenpraktijk kom ik gelukkig moeder en dochter niet meer tegen.

Wat kan een mens soms impulsief en dom zijn!

                                                                                 © Henk van Oosterwijk

 

Pap nooit met vreemden aan!

(Henk’s leeshoek, Facebook, 8 decmber 2014.)

 

Het is een warme zomerse vrijdag in 1998.

Het is de dag na Hemelvaartsdag en we hebben vierdagen voor ons zelf. Onze vier plezierjachtjes, de Don Pedro, de Christa, d Thebo en de Dagaonogal, liggen aangemeerd in het Middelgat van de Plomp, een waterstroompje in de Brabantse Biesbosch. Het watergebied staat in volle bloei en de geur van de vele soorten wilgen en planten legt een deken van rust over de plezierjachten.

Onze vrouwen verstoren deze rust met de opmerking, dat het noodzakelijk is om nu de proviand aan te vullen, zodat we het weekend door kunnen komen. Thea en Bob van de Thebo hebben nog voldoende, maar Christ, Peter en ik worden er op uit gestuurd om de nodige boodschappen te gaan doen. Met de volgbootjes, want de dames blijven zelf graag in de Brabantse zomerzon liggen.

Peter, schipper van de Don Pedro, start de buitenboordmotor van zijn volgboot Pionier 12, terwijl Christ met zijn boodschappenlijstje bij hem in het bootje stapt. Ik trek eveneens de motor aan van mijn roeibootje Okwa en we varen via de Sloot van Sint Jan, langs de griendvelden, het Spijkerboor over en de Oostkil in naar jachthaven Vissershang. Hier staat mijn auto geparkeerd en daarmee rijden we naar het dorpje Hank, dat bijna drie kilometer van de haven verwijderd ligt,  om bij Super de Boer onze inkopen te doen. Na de boodschappen gaan we weer terug naar de jachthaven.

 

“Zullen we bij Joke ’s nog even ‘n pilske pakken?”

Wie het zegt: ik weet het niet. We kunnen het alle drie zijn. Gezamenlijk lopen we naar het houten gebouwtje achter de dijk, waar Joke zijn café-restaurant runt en gaan naar binnen. Er is nog net voor drie man plaats op de hoek van de bar. We gaan zitten en bestellen drie biertjes bij kastelein Joke. Voor alle duidelijkheid: Joke is een man, hij heet eigenlijk Jo, maar door zijn korte lengte en tenger figuur wordt hij Joke genoemd. Logisch, niewaar?

“Zet het maar op één rekening,” wordt door een van ons tegen de café-eigenaar geroepen.

Naast ons aan de bar zitten twee paartjes, die uit Sliedrecht komen, maar momenteel met hun boot in het Noordergat van de Plomp aangemeerd liggen. Daar komen we achter, als we met hen in een vrolijk gesprek geraken. Als de glazen leeggedronken zijn hebben zij ons tweede biertje al laten aanrukken. Het is een gezellig samenzijn met de Sliedrechters en bovendien is het dorstig weer. En wij voelen ons moreel verplicht om weer een pilsje terug te geven, dus wordt volgende rondje besteld.

Dat gaat zo even heen en weer, om de beurt wordt een cirkelend vingertje naar de kastelein op gestoken ten teken dat we opnieuw zeven biertjes lusten. Joke tapt ze wel!

Als er na een tijdje, schatten we, zeven rondjes zijn door gekomen, vraagt Christ om de rekening, na overleg met Peter en mij natuurlijk, maar de nieuwe vrienden proberen ons om te praten.

“Pak nog een laatste biertje, jongens, van ons,” wordt er lachend gezegd, “die boten van jullie liggen er over een uur ook nog wel!”

Normaal zijn wij drie eigenwijze niet te vermurwen mannen, maar nu blijkt het niet moeilijk ons om te praten. Nou de leste dan!

Na een keer of vier, vijf vermoed ik, de leste te nemen rekenen we eindelijk af en lopen richting mijn auto om de boodschappen er uit te halen. Peter en Christ nemen hun spullen mee naar hun vaartuigje en ik pak mijn tas en een tree blikjes bier, sluit de wagen af en ga richting mijn bootje aan steiger 5. Ik zet de boodschappentas en het bier op de vlonder en stap in de roeiboot.

Even lijk ik mijn evenwicht te verliezen, maar alles gaat goed. Ik pak de tas van de steiger en til die in de boot. Nu nog het treetje bier. Ik draag het op één hand, terwijl ik de andere hand aan de steiger vasthoud om te voorkomen, dat mijn bootje zich daarvan verwijdert. Zo richt ik me op, verlies door het schommelen van het bootje en misschien wel de ingenomen biertjes bijna het evenwicht en laat het bier los om niet zelf in het water te vallen.

Plons!

De vierentwintig aaneen verpakte blikjes schuiven over de rand van de boot en verdwijnen meteen in en onder water.

“Tabé,” mompel ik in mezelf en kijk niet meer naar het bier om. Dat ligt naar mijn troebele mening op de rivierbodem en kan ik dus wel afschrijven! Met een ruk aan het startkoordje wordt de motor gestart, de lijn wordt losgemaakt en het bootje verwijdert zich van de steiger. Rustig vaar ik de haven uit achter Peter en Christ aan, wat mismoedig denkend aan dat kostelijk bier dat ongebruikt op de havenbodem ligt.

 

We varen weer de Sloot van Sint Jan door. Als we in het Middelgat van de Plomp bij de boten arriveren, hoeven we ons verhaal niet te vertellen. De vrouwen zien al wel aan onze manier van handelen, wat er aan de hand is. Peter legt zijn Pioneer tegen de Don Pedro aan en gaat staan om zijn vrouw Ria de gedane boodschappen te overhandigen. Christ stapt intussen uit het bootje, waardoor het vervaarlijk naar één kant helt en Peter overboord slaat. Met een zware plons gaat hij het water in, zijn totale boodschappenlijst met zich meenemend. De gehele supermarkt, brood in plastic, pakken melk (want daar zit nog een beetje lucht boven in) en noem maar op, drijft in de plomp.

Peter wordt spartelend door Ria en Christ uit het water de boot in geholpen.

Gelukkig zit ik met mijn vaartuigje een eindje achter hen, zodat ik de drijvende broden en al wat boven op het water blijft, kan redden. Een stuk of twintig blikjes frisdrank verdwijnen echter naar de bodem van de Plomp!

Het is het middagje wel!

Onze geliefde echtgenotes hebben een stevige maaltijd voor ons bereid, hoewel ze mopperend beweren, dat we het eten niet verdiend hebben. We bekomen een beetje van al onze beslommeringen en een dutje daarna doet ook wonderen.

Als we allemaal weer wat ontnuchterd zijn en achter in onze boten zitten met een glaasje fris, gaat Peter proberen met een magneet zijn blikjes drank van de rivierbodem op te vissen.

“Onmogelijk,” beweren Christ en ik. “De blikjes zijn van een tinlegering en een magneet pakt er niet op!”

Met luid gejuich haalt Peter, ondanks onze bedenkingen, het eerste blikje boven water. Dus die zijn ook al niet van tin of aluminium!

Hij blijft stug doorgaan met deze vismethode en uiteindelijk heeft hij zeventien van de twintig blikjes naar boven gehaald.

Ik echter ben mijn bier kwijt, ben daar spijtig over hoewel ons Riet het een juiste straf vindt.

Het is niet zo’n ramp, bedenk ik, want die avond heb ik toch weinig dorst meer. Ik ben redelijk verzadigd en we gaan vroeg slapen deze avond!

 

De morgen hierna varen onze dames, Riet en Ria, met een van de volgbootjes naar de haven en willen wel eens zien, waar die vierentwintig blikjes bier van mij gebleven zijn.

Anderhalf uur later komen ze triomfantelijk terug: met het treetje bier!

De door mij verloren drank lag vlak langs de kade op nog geen halve meter diepte op de bodem naast de steiger! Je kon het treetje zo pakken!

Gelukkig heeft niemand het zien liggen of wel gezien en met het idee, dat de eigenaar in de buurt is, maar laten liggen.

Zo bleef de schade van dit onfortuinlijke avontuur toch beperkt.

Wat is nu de moraal van dit verhaal?

Pap nooit met vreemden aan!

 

© Henk M. van Oosterwijk

De truc

We hebben een gezellige galerij op de vijfde verdieping. We betrekken in 1969 een flat in de Bredase Lelystraat, waar we twee jaar lang zullen verblijven. Reden, dat we daarnaar toe zijn gegaan, is verandering van werkgever. Aangezien we in Rijen een woning van de baas bewoonden, worden we gedwongen een nieuw onderkomen te zoeken. Mijn nieuwe baas zorgt binnen twee maanden voor een spiksplinternieuwe flatwoning. Het waarom, dat we weer uit Breda zullen vertrekken, is de geboorte van onze zoon.

"Ik wil nie hebbe, da Raymond in een flat opgroeit," leg ik aan ons Riet uit, die zelf op de boerderij is grootgebracht. Dus kopen we dan een woning in de Colijnstraat op de Rijen, met tuin en speelruimte voor hem en de dochter, die op komst is.

 

Terug naar de vijfde etage.

Het is intussen het jaar 1970.

Aan onze galerij woont een gevarieerde gezelschap: jonge stelletjes, met en zonder kinderen, een wat ouder paar en een homo. Het zijn luitjes als een straaljagerpiloot gelegerd op Gilze-Rijen; een vertegenwoordiger in koffie en thee; een boekhouder, een bejaard gepensioneerd koppel, een homo met de toepasselijke naam Rechtop, (Ik verzin het niet) en ik als cv en sanitair technieker. Mijnheer Rechtop is overigens een leuke man, die vooral met onze vrouwen vrolijk meepraat over fleurige gordijntjes en leuke kleding.

"Het is echt een aardige man," legt Riet nog eens aan mij uit, " al is het een homo." 

Ja, we leven in 1970, het jaar dat het hoogste punt van de North Tower van het World Trade Center in New York wordt bereikt. De STER begint met TV-reclame en ‘stemplicht’ wordt ‘stemrecht’. De ‘Dolle Mina’s’ dringen het congres van gyneacologen binnen in hun actie voor ‘vrije abortus’.

En wat nog belangrijker is: Feyenoord wint als eerste Nederlandse club de Europa Cup 1.

Het is een heel andere wereld als 2018 dus.

 

Als Riet weer thuis is van het avontuur bij Philips (zie mijn verhaal ‘Hofke in ’t zaod’) krijgt ze steeds meer contact met de buren. Door de vrouwen komen ook de mannen tot elkaar en de huiselijke feestjes kunnen beginnen.

Europacupwedstrijden worden niet altijd uitgezonden in deze tijd. Pas als het stadion is uitverkocht komt de mededeling via radio, dat de wedstrijden van Feyenoord en Ajax rechtstreeks op teevee te zien zijn. Dan kopen we gezamenlijk drank en hapjes in, komen met de buurparen op één adres bijeen, en beleven saamhorig de wedstrijden. Alhoewel, eensgezind? Ik ben de enige Feyenoorder in het gezelschap, de rest is Ajaxied. Dus kun je op je vingers natellen, dat er best discussies over voetbal wordt gevoerd!

Na afloop van de wedstrijd, gewonnen of verloren, volgt muziek en dans, soms tot in de kleine uurtjes.

 

Verjaardagen vieren we ook samen.

Zo komen we op een goede dag bij onze jarige piloot terecht, waar naast familie en buren ook vliegcollega’s aanwezig zijn. Een bond gezelschap, waar je een aardig feestje mee kunt bouwen.

Half weg deze avond, als de kelen al redelijk goed gesmeerd zijn, geven de militaire vrienden een demonstratie ‘overhemd uittrekken met het colbertjasje nog aan’. Een piloot bukt zich en strekt zijn armen naar achter. Zijn collega pakt hem in de kraag onder de jas bij zijn overhemd, slaakt in volle concentratie een diepe zucht en rukt het overhemd van zijn vriend in één armzwaai onder het colbertje vandaan, van het lichaam af.

We staan versteld.

“Hoe kan da nou?” vraag ik overdonderd aan de beroepsmilitair en kijk naar het overhemd. De man is het weer aan het aantrekken. Er mankeert niets aan.

“Eigenlijk simpel,” zegt een van de anderen. “Het is gewoon een kwestie van goed ontspannen. Iedereen kent dat wel.”

Natuurlijk kan het eigenlijk niet, maar de ingenomen alcohol beïnvloedt de goede werking van mijn hersenen en, wat eigenlijk nog frustrerender is, ook mijn nuchtere denkcellen. Ge wordt wat vrijmoediger, als het alcoholpercentage in je bloed stijgt. Ge kent dat wel.

“Jij kan dat ook, als sportman,” lacht de piloot, “als je jezelf maar goed ontspant en durft.”

Durven? Durven?

Durven maakt van de situatie een erezaak voor mij.

“Kom mar op.” Ik buk me en strek mijn armen naar achter.

Je mag je manchetknopen wel los maken, want dat houdt wel tegen,” adviseert mijn uitdager. ”En ook een paar knoopjes bovenaan je overhemd.”

Ik kom weer overeind, haal beide manchetknopen uit de mouwen, knoop mijn overhemd wat los en stel me weer gebukt en ontspannen op. Intussen is de aandacht van de gehele feestgroep op mij gericht. 

“Vooruit maar.” Ik knik.

De vlieger grijpt me in de kraag, haalt diep adem en scheurt met één ruk de bovenzijde van mijn overhemd af. Hij houdt het triomfantelijk omhoog.

“Jammer,” roept ie, “je hebt je niet goed ontspannen!”

Lachen, gieren, brullen. Iedereen ligt plat van het lachen. ‘Stommeling’, denk ik bij mezelf, ‘het kan toch nie, ge wist ut toch!”

Ik kom overeind en probeer met iedereen met de feestelingen mee te lachen, maar dat lukt niet helemaal.

“Potver Henk,” hoor ik Riet zeggen, “dat is een spiksplinternieuw overhemd!”

Weer gelach, maar nu kan ik de truc van de militairen wel waarderen. Ik had zelf beter moeten weten.

 

Nadat ik een paar deuren verder gauw een ander overhemd aantrek, kom ik terug op het feestje, waar mijn hemd nog steeds het middelpunt van gesprek is. Ik meng me met een vers glas bier tussen de lol hebbende vliegeniers.

“Luister us manne,” vraag ik hun aandacht, “as slachtoffer maag ik toch wel wéte, wa dè truukske nou eigelijk is om de bloes heel te houwe?”

De mannen knikken.

“ ‘t Is simpel,” legt de man, die de geslaagde demonstratie heeft gegeven, uit. “We zijn even in een andere kamer geweest, mijn overhemd uitgetrokken en dat los over mijn schouders gelegd. De mouwen van de bloes in de mouwen van het colbèrtje gestoken en de boorden onder de mouw uit laten komen. Daarna de halsboord netjes om mijn nek gelegd. Net alsof ik het overhemd gewoon aan heb. Met de knopen los kun je het dan in een ruk uit de jas trekken!”

 

Oké, ik ben weer een truc rijker en een overhemd armer!

En: er moet toch een clown op een feestje zijn om de sfeer te verhogen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Piet, Koffie!

Gisteren |(14-03-2018) hebben we afscheid genomen van een goede vriendin, Thea Kalishoek. Zeven jaar vocht ze optimistisch tegen een niet te overwinnen ziekte. Optimisme en humor maakte voor haar deze moeilijke periode leefbaar. Vijfenzestig jaar is te jong om afscheid te nemen.

Ter ere van haar onderstaand waargebeurd verhaal (verkort) uit mijn boek "De spuigaten uit".

 

Hoofdstuk 6: Piet, koffie!

 

We leven in het jaar 1993.

Vier weken vakantie liggen voor ons en het zal volgens de weerwetenschappers een hete en droge zomer worden. De hoofdrede dus om in ons eigen landje te blijven. Waarom zou je de zon op gaan zoeken, als hij al in je achtertuintje schijnt?

Sinds we een bootje hebben, gaan we eigenlijk altijd met de boot in Nederland op vakantie. En we hebben intussen ontdekt, dat er verschrikkelijk veel moois te zien is in ons eigen landje! Mensen vliegen de hele wereld rond, maar kennen soms hun eigen vaderland niet eens!

Bovendien is het zo, dat als je vier weken gaat varen het weer over ’t algemeen ook wel goed is. Uiteraard valt er wel eens regen, maar op de mooi dagen ben je dat snel vergeten. We hebben het in ruim twintig jaren varen maar één keer meegemaakt, dat het veertien dagen achtereen regende. En dat was balen natuurlijk. Daar volgden echter twee weken goed weer op en de natte ellende lieten we snel achter ons. Altijd vooruit kijken!

We liggen intussen met onze ‘Dagaonogal 1’ in de haven van Hank, waar we een vaste ligplaats hebben gekregen.

Onze Bredase vrienden, Thea en Bob, hebben hier met hun Peerenboom de Thebo ook hun ligplaats. U kent ze nog wel van een eerdere beschreven gebeurtenis, van Het Plekkie van ’t Lege Bekkie.

We hebben afgesproken om samen een week of vier op vakantie te gaan. Bob heb ik al eerder uitgebreid aan u voorgesteld.

Zijn vrouw Thea wil ik nader introduceren. Zij is een nuchtere meid, heeft gevoel voor humor en kan af en toe plat uit de hoek komen met haar Bredaas-Rotterdams dialect. Geboren Bredase en getrouwd met een vent uit Rotjeknor geeft ook een extra tintje aan haar droge komische uitingen. Een vrouw uit duizenden, maar ze zal ook wel haar minpuntjes hebben.

Al kan ik er niet zo gauw opkomen.

 

Op een zonnige hete zomerdag vertrekken we vanuit jachthaven Vissershang richting rivier de Linge. We varen de Biesbosch uit langs Werkendam, gaan de Merwede op en duiken Gorkum in via de kleine sluis bij de Lingehaven. Daar overnachten we.

Als we hier na een zwoele nacht ontwaken, is het opnieuw erg warm. Het KNMI in De Bilt heeft een kleine hittegolf en tropische warmte voorspeld en deze keer hebben ze eens gelijk, die weermannen. Want het kwik stijgt tot boven de dertig graden en er is geen wolkje aan de hemel te bekennen.

Het is dorstig weer dus.

Daarom ook vertrekken de Thebo en de Dagaonogal ’s morgens op tijd uit de Lingehaven van Gorkum om in de nog wat koelere ochtenduren te varen en de grote hitte voor te blijven. Gorkum zal op de terugweg weer worden aangedaan en dan gaan we een paar dagen nemen om de stad te verkennen.

We draaien bij Arkel met de Linge mee richting Geldermalsen en meren aan tegenover het dorpje Heukelum, nog zeker twee kilometer voor de stad van glasblazers en kristal: Leerdam.

De walkant is een mooie speelweide, die ook gebruikt kan worden door automobilisten, want er ligt een ruime parkeerplaats bij. We bevinden ons hier op het grondgebied van het dorp Oosterwijk. Het mag zich dorp noemen, omdat het een eigen kerk heeft, maar eigenlijk verdient het die naam niet met die paar schamele huizen, die er staan.

Het hoort bij de gemeente Leerdam.

De bomen staan een kleine honderd meter van de walkant, te ver voor het botenvolk om van hun schaduw te genieten. De parasols worden dus open geklapt en op de wal vast gestoken in de grasgrond vlakbij de boten en zo proberen we voor onszelf een stukje schaduw te creëren. Daarna volgen de tuinstoelen en tafels, die onder de parasols worden opgesteld.

Het is heerlijk zo.

De rust en de warmte maken ons aan het doezelen.

 

“Piet, hier krijde koffie!”

Het is de volgende ochtend en ik hoor die harde schreeuw over de speelweide gaan.

Toon Kortooms heeft me in zijn verhaal net meegesleept naar de landelijke sfeer in de Peel. Ik zit namelijk lekker met de benen op de bank in de boot verdiept in “Mijn kinderen eten turf” en de schrijver laat me met zijn smeuïge teksten af en toe hardop lachen.

Ik kijk op uit mijn boek.

De harde kreet van de vrouw op de wal doet me opschrikken en mijn aandacht verplaatst zich onmiddellijk van de Peel naar het tafereeltje op de kant.

Ik zie Thea in gesprek met een voor ons oudere vrouw. Ze is groot van bouw, heeft een geplooide rok aan, die tot ver over haar knieën valt, en een luchtig bloesje.

Samen met haar man, vermoeden wij, is ze hier en hun boot ligt enkele tientallen meters voor ons aangemeerd. Het vaartuig ziet er prima verzorgd uit, maar het lijkt er wel op, of ze hun hele huishouding mee het water op hebben gesleept. Naast allerlei werktuigjes en houten planken staan er ook twee bromfietsen op hun achterdek. Is dit nou hun vaste woonboot, of zijn ze toch gewoon op vakantie? Om dit te weten te komen hoeven we geen vragen te stellen: het antwoord komt in het komende half uur vanzelf bij een bakske koffie!

 

Thea heeft in een vlaag van enthousiasme en gastvrijheid dus aan de vrouw gevraagd:

“Luste ok een bakske?”

De schreeuw: “Piet, hier krijde koffie!” geeft meten antwoord op deze vraag en ook twee nieuwe vrienden er bij.

“Breng stoele mee!” roept de vrouw er nog achter aan.

Intussen is ze zelf al gaan zitten in een van onze klapstoeltjes, die natuurlijk uitnodigend onder onze parasol staan.

“De koffie is klaar,” roept Thea nog overbodig richting onze boot.

We zijn gewend dat er beurtelings voor een pot koffie gezorgd wordt en deze keer is Thea aan de beurt het potje te zetten. Niet dat we hiervoor strenge regels hebben, maar het is een niet beschreven afspraak.

Dus Riet en ik lopen via de loopplank de wal op om aan te schuiven bij dit koffiefeestje.

Piet is intussen komen aanlopen met twee stoelen en de vrouw staat op en neemt ‘n klapzetel van hem over, zodat wij in onze eigen tuinstoelen kunnen neer vallen. En zo scharen we ons met zessen gezellig om de koffiepot.

Piet is een korte, maar brede vent. Het lijkt er op, dat iemand hem van bovenuit een beetje in elkaar gedrukt heeft, want een nek heeft hij niet: zijn hoofd staat direct op zijn schouders. Onder zijn kalend hoofd, dat bedekt is met een pet, zit een vriendelijk boerenrood gezicht met een brede grijns erop, die hij waarschijnlijk bij zijn geboorte cadeau heeft gekregen. Grijnzend luistert hij naar ons gesprek, maar mengt er zichzelf niet in.

Aan gespreksstof echter geen gebrek.

Want al voor onze eerste slok koffie genomen is en van het bijbehorende koekje is geproefd, vertelt de vrouw ons uitgebreid, dat zij en haar Piet uit Hardinxveld-Giessendam komen; eigenlijk uit Giessendam. Dat ze kinderen hebben, die getrouwd zijn en dat ze nu lekker op vakantie zijn. Zelf hebben ze de AOW-leeftijd al bereikt en zijn daarom al een paar maanden onderweg om van de zomer te genieten.

Dat ‘onderweg’ blijkt dan het gehucht Oosterwijk, waar ze de gehele zomertijd aangemeerd liggen.

“Piet ken hier lekker aan de boot klussen en ik rij af en toe naar huis om te kijken, dat daar alles nog goed gaat!” besluit ze haar verhaal.

Piet zegt niks en luistert.

Hij knikt af en toe ja of nee en maakt zijn grijns wat groter als er gelachen moet worden.

“Oew bakske wordt koud,” wijs ik naar haar kopje koffie. Door haar lange verhaal heeft ze ’t bakske leut bijna vergeten, maar door mijn opmerking begint ze er  toch van te drinken. Daarmee houdt het praten dan even op, wat de achterliggende bedoeling is van mijn opmerking!

Het helpt echter maar even.

“En vanavond mot ik effe op de brommer naar huis om de ramen dicht te gaon doen!”

We kijken elkaar aan. De ramen dicht doen?

Staan die dan al twee maanden open? Gelukkig, dat het nou mooi weer is, maar een paar weken terug gutste de regen naar beneden! Dan moet het binnen toch wel nat zijn geworden!

“Neije, die he’k vanmorgen even open wezen zetten om het huis wat door te laten luchten. Anders wordt het zo warm en muf binnen!” is de verklaring van de vrouw uit Hardinxveld-Giessendam, feitelijk Giessendam.

We kijken elkaar vragend en tevens geamuseerd aan, Bob en ik.

’s Morgens even dertig kilometer rijden op die oude Mobylette om de ramen thuis open te zetten en weer evenzovele kilometers terug. Dan ’s avonds nog eens zestig kilometers op de brommer naar Giessendam en terug om ze te sluiten!

Ge moet er maar opkomen!

Dan ben je op vakantie!

Het blijft nog de hele week gloeiend heet, dus dan kunde elke dag op en neer blijven rètteréren. Ge bent elke keer een halve dag onderweg om de ramen thuis open en dicht te doen!

“Kunne de kinders de raomen niet even open en dicht zetten?” probeert Thea nog de vrouw op een goed idee te brengen.

Maar nee, dat kan niet. Haar kinderen hebben ’t veel te druk en bovendien: ze doen misschien de deuren niet goed op slot. Ze zou er niet van kunnen slapen!

Oké, we doen nog een rondje koffie en praten wat na over het huis luchten en zo en dan gaat ieder weer naar zijn eigen boot om de lunch te bereiden.

De voormiddag is weer prachtig voorbij gegaan!

De middag brengen we door met boeken lezen en dutjes doen, want de zon doet verschrikkelijk goed zijn best en elke beweging brengt zweet voort, zodat we zo min mogelijk bewegen.

Tegen de avond horen we een brommer starten. We gaan uit de boot hangen en zien, dat de Giessendamse vrouw haar helm om het hoofd heeft gesnoerd en op de Mobylette is gestapt.

`Effe de ramen dicht doen,` roept ze nog, terwijl ze als groet haar hand omhoog steekt en de speelweide over snort!

 

“Luste ok ’n bakske!” en “Piet, hier krijde koffie!” zijn kreten gebleven, die we na twintig jaar nog altijd herhalen, maar ook “Effe de ramen dicht doen!”

En we kunnen er nog steeds om lachen.

 

 

© Henk M. van Oosterwijk

De rooie step

Raymond is een ondernemend manneke.

We wonen al drie jaar in de Colijnstraat op de Rijen en het is tijd, dat hij naar de kleuterschool gaat. Hiervoor kiezen we “De Ark” uit, gelegen aan de Rembrandtstraat. Elke dag fietst Riet door de redelijke verkeersdrukte viermaal op en neer met Raymond in het achterste kinderstoeltje en Susanne, twee jaar tellend, in het stuurstoeltje naar de school. Behalve op de woensdag natuurlijk, want dan hoeft ze slechts tweemaal te rijden. Onze zoon kijkt duidelijk goed om zich heen en leert zo de omgeving en de weg kennen

Op een dag, als hij van school al thuis is, ontsnapt hij even aan de aandacht van zijn moeder. Zij denkt dat haar kinderen in de tuin spelen. Met zijn tweejarig zusje Susanne aan de hand wandelt Raymond naar het Rijense gemeentehuis, dat ze elke dag met de fiets passerenm. De trappen van het raadhuis hebben een grote aantrekkingskracht op de jongen en hij vindt het fijn om er met zijn zusje te spelen.

Als Riet ontdekt, dat beide kinderen uit de tuin verdwenen zijn, gaat ze naarstig naar de kleintjes zoeken, maar kan ze nergens in de omgeving vinden. Tot het moment dat de jonge avonturier parmantig wandelend met zijn zusje door de Schaepmanstraat ongedeerd huiswaarts keert.

 

Dat hij ondernemend is, bewijst hij opnieuw, als hij mij op een dag komt vertellen, dat hij hem extra goed geholpen heeft.

“Ik pappa helpen,” verklaart hij trots en neemt mij aan de hand mee naar de garage. Daar wijst hij naar een volle bak ‘Breda bier’, die ik daar als reservevoorraad heb neergezet.

“Pappa helpen,” benadrukt Raymond nog eens.

Ontzet kijk ik naar de vierentwintig flesjes, waarvan hij alvast netjes de kroondoppen heeft afgedaan! De flesopener ligt nog naast de bak.

Wat moet ik er mee? Ik kan ze moeilijk in mijn eentje gaan zitten leegmaken! Alhoewel, er zijn wel eens momenten geweest, dat ik een bak bier best aankon.

 

Het grootste drama moet nog komen.

Als ik op een avond thuis kom, vertelt Riet mij in de keuken de laatste streek van onze avontuurlijke zoon.

“De buurjongen is vandaag jarig,” legt ze uit, “en de buurvrouw is helemaal van streek!”

Ik kijk haar vragend en ongerust aan.

“Jaorig? Hoezo van streek?”

“Nou,” gaat mijn vrouw verder, ”de buurjongen heeft een mooie rooie autoped van zijn ouders gekregen en is daar samen met Raymond op gaan steppen.”

“Nou, da’s toch gin ramp,” onderbreek ik haar.

“Laat me nou toch eens uitpraten,” reageert Riet een beetje fel. “Hij heeft dat stepke meegenomen naar onze garage, een pot verf geopend met een schroevendraaier en het ding helemaal blauw geschilderd! En nou is de buurvrouw over de rooie.”

“Blauw?”

Ik schiet in de lach.

“Blauw?” herhaal ik nog eens. Ik kan er niets aan doen, maar ik val weg in een schaterlach.

“Ja, lachte gij er maar mee,” zegt Riet verwijtend, “maar de buurvrouw zit er toch mooi mee.”

“Oké, rustig maar. Raymond!”

Mijn zoon komt de keuken binnen lopen. Met de uitroep ‘pappa” springt hij in mijn armen.

“Luister eens, Raymond.” Ik houd hem op mijn arm geklemd, “wa hedde gij meej da stepke van de buurjongen gedaon.”

“Geverfd pappa,” antwoordt hij trots, “blauw.”

“Mar da’s un nieuw stepke, jonge. Da gaode toch nie opnieuw schildere.”

“ ‘t Was rooi, pappa, da’s toch nie mooi.”

Ja, wat moet je daar nou tegenin brengen?

“Niet lachen, Henk,” commandeert Riet.

“Oké.” Ik onderdruk mijn lach en zet Raymond op de grond. “Die step is nie van oe eige, Raymonneke, daor maade niks meej doen. We gaon us bij de bure kijke. Riet, hedde nog nun kwatta liggen?”

 

De buurman is ook al thuis van zijn werk en staat, op het moment dat ik de poort open, met vrouw en zoon naar de blauwe autoped te kijken.

“Dag buurman,” groet ik hem en val maar meteen met de oplossing in huis, wijzend op het stepje. “Dat blauwverven is niet echt goed gelukt. Ik betaol wel nun nieuwe step. Dan nim ik dun deze wel meej veur onszelf.”

“Bende gek, man,” reageert de buurman, die de situatie iets gemakkelijker op neemt dan zijn vrouw. “Jullie hebben toch al een step. Ik nim  um effe meej naor mijn werk. Un bietje schuren en overspuite en ‘t is wir nun nieuwe!”

En zo wordt de zaak afgedaan.

Hoewel Raymond kijkt, alsof hij liever zelf het snoepgoed wil opeten, overhandigt hij toch de meegebrachte kwatta aan de jarige Job. Die staat er een beetje beteuterd bij, maar fleurt meteen op bij het zien van de reep chocolade.

 

Alles is weer opgelost.

Een dag later stept de buurjongen weer trots met een rode autoped over het trottoir. Raymond rijdt nooit meer op dat ding van zijn vriend.

Hij vindt rooi niet mooi!

© Henk M. van Oosterwijk

Het trapje en de gebroken hand

Als lid van watersportvereniging Oostkil zijn we uitgenodigd voor een barbecue. Deze wordt jaarlijks begin september gehouden in de Palingsloot gelegen aan polder De Plomp in de Biesbosch.

Daar staat een niet bewoonde, maar nog wel in gebruik zijnde boerderij, waarvan we de schuur mogen gebruiken als feestzaal. Door een werkploeg worden de daar nog aanwezige landbouwwerktuigen in het achterste gedeelte van de opslagruimte gezet. Er blijft dan een ruime, wel zanderige bodem over met in het midden een stukje betonvloer, dat als dansvloer wordt gebruikt.

Deze ruimte wordt versierd met kleurige lampen slierten, die tevens in de avond voor voldoende licht zorgen.

Buiten worden twee benzine gestookte aggregaatjes, geleend van leden, weggezet, die voor de stroom zorgen van de verlichting, maar tevens ook voor de bierkoeler. Niet onbelangrijk dus.

Het is 1991.

 

De vereniging zorgt voor de fris- en sterke dranken en de vaten bier. Zij stellen ook twee grote barbecues buiten op beschermd door een hoog opgespannen dekzeil, wat eventuele regen moet opvangen. De leden zelf zorgen voor hun vlees.

Op de stroom wordt ook nog een disco aangesloten.

Alle ingrediënten zijn dus aanwezig om een gezellig feestje te bouwen.

Dat doen dus.

 

Als ik die zaterdagmiddag met onze ‘Dagaonogal’ de Palingsloot invaar, is er alleen nog plaats om tegen een schuine keistenen wal aan te leggen. Dat is geen probleem.

Ik gooi het anker uit, laat de boot zachtjes tegen de keien aan glijden, zodat Riet van de boot kan stappen met de landvasten (touwen) in de hand. Ik trek ons scheepje iets van de wal af en leg het ankertouw vast. Riet slaat op de kant twee aluminium pinnen de grond in en bevestigd daaraan de landvasten.

Daarna leg ik de loopplank uit en bevestig die aan de wal door een pin tussen de keien vast te slaan.

Ons bootje ligt.

 

“Riet,” zeg ik even later tegen mijn vrouw, nadat ik de schuine keienwal heb bekeken, “we motte twee meter over die kaaie klauteren. Ik probeer daor un trapke van die stene te maoken. As we vannacht terugkome, zulle we’r wel un paor op hebbe. Dan valle we nie zo makkelijk.”

En ik ga aan het werk. Na een half uurtje heb ik van de keien toch een mooi trapje gevormd, zodat we vannacht zonder ongelukken de loopplank van de boot zullen kunnen bereiken.

 

Het feest is gezellig.

De barbecue brandt tot het laatste vlees is weggewerkt; de disco strooit veel Hollands talige muziek de feestschuur in en de wijn en het bier maakt de beentjes los. Er wordt volop gedanst en gezongen.

En gedronken.

Als we die nacht rond twee uur de boot opzoeken, heb ik in de linkerhand een lege koelbox en in de andere een halve fles witte wijn van Riet. Het is zonde om de wijn weg te gooien, die smaakt morgen ook nog wel.

Riet gaat als eerste mijn kunstig gemaakt trapje af, daarna volg ik. Alles gaat prima en ik kom zonder ongelukken bij de loopplank. Staande op de plank reik ik Riet, die op de voorplecht staat, de koelbox aan. Nu kan ik me aan de reling van de boot vasthouden om er overheen te stappen.

Ik ben aan boord en kijk nog eens om naar dat mooie trapje. Dan wil ik via het gangboord naar de stuurhut lopen, stap met een voet in een eindje touw, struikel hierdoor en duikel overboord.

Riet heeft niets gezien, maar hoort wel een harde vloek en een plons. Verbaasd kijkt ze om zich heen, maar ziet me uiteraard niet.

“Henk, waor bende?” Ze spreek ook al aardig Brabants.

“Hier!” roep ik met een benauwde stem.

“Waor? Ik zie oe nie.”

Riet kan me ook niet zien, vanwaar zij staat.

“Hier, godver. Schiet op, help me, waant ik verzuip drèk.”

Riet loopt op de voorplecht naar bakboord en kijkt over de reling in het donkere water. Daar ziet ze me hangen: met mijn rechterbeen omhoog in een touw verstrengeld, mijn linkerhand steunend op de rivierbodem en mijn mond net boven water houdend. In mijn rechterhand houd ik de fles wijn omhoog. Ze schiet in een enorme lach, als ze mij zo ziet hangen.

“Hoe krijgd’t vur mekaor,” schatert ze.

“Lach verdomme nie, mar môkt dè touw los,” snauw ik tegen haar. “Ik verzuip.”

Lachend ontwart Riet het eindje touw en ik plons nu helemaal in het water. Drijfnat klauter ik tegen de stenen op naar de loopplank en klim weer aan boord. Mopperend loop ik over het gangboord naar de stuurhut.

“Hier blijve staon,” commandeert Riet nog steeds lachend. “Ge bent zeiknat. Ik pak wel effe droge klere.”

Ik droog me af en trek andere kleding aan. Riet staat intussen de fles wijn te bestuderen.

“Die wijn kunne we wel weggooie,” legt ze grinnikend uit. “Die halve fles is wir hillemaol vol!”

Ze kiept de inhoud van de fles overboord.

“Hedde oew eige zeer gedaon?” vraagt ze nog bezorgd. Ik schud mijn hoofd.

“Alleen mijn linker haand doet wa zeer.”

Ze neemt de hand voorzichtig in haar handen.

“Niks aon te zien,” zegt ze en vervolgt glimlachend: “Het trapke heej toch goed zun dienst gedaon!”

 

Twee weken lang loop ik met pijn in mijn hand en beluit ik toch maar naar de huisarts te gaan. Die stuurt me meteen door naar het ziekenhuis voor een foto. Daar wordt de hand gelijk in het gips gezet, want het bot aan de pinkzijde, ik meen de ellepijp, is gebroken.

“Daar gaat mijn biljartkampioenschap,” is mijn eerste gedachte. Over twee dagen moet ik vier dagen lang biljarten voor de driebandentitel in poule 2 van de Rijense Biljart Federatie.

Het valt echter geheel anders uit. Ik doe toch mee aan de driebanden titelstrijd en heb nog nooit zo’n hoog algemeen gemiddelde gespeeld en wordt uiteindelijk tweede. De rede?

Nog nooit heb zo’n vaste voorhand gehad!

© Henk M. van Oosterwijk 

Naschrift:

De boerderij in de Biesbosch is een tiental jaren geleden gesloopt en de polder De Plomp stroomt bij hoogwater vol in het kader van “Ruimte voor de rivieren”. Zo worden elders overstromingen voorkomen. Iets verder de Palingsloot in staat nog de gerenoveerde ‘Zwarte schuur’, hoog genoeg om droog te blijven.

 

 

Er brandde één kachel

Wat was vroeger het leven toch eenvoudig.

Als ik vroeger zeg, ga ik terug naar de begin jaren vijftig in de 20e eeuw. Mijn ouders betrokken een nieuwgebouwd huis in de Laagstraat in Rijen, eigendom van mijn grootouders. Het pand was hartstikke nieuw. Wij waren toen goedkoop in het gebruik van energie, iets wat bij die tijd hoorde: zuinig zijn met alles. Vier flesjes bier en een halve liter jenever op de kelderbank voor eventueel bezoek en een fles prik voor ons op de zondag.

Soms heb ik heimwee naar die tijd, die levenswijze half weg de vorige eeuw.

 

Water kwam uit slechts één kraan: de keukenkraan boven de granieten gootsteen. Alleen koud water, wel te verstaan. Als er warmwater nodig was, werd dat in een fluitketel of pan op de keukenkachel warm gemaakt en dat gebeurde alleen maar voor de huishouding. Om soep te maken of aardappels te koken; maar ook om de kuip van ons houten wasmachine te vullen.

Eens, eind jaren ’50, trapte mijn vader samen met veel buurtgenoten, in het verkooppraatje van een handelaar, die de deuren langs ging met een elektrisch doorstroomapparaatje. Het was een 220 volt geisertje van twintig centimeter hoog – een beetje eivormig, dat in plaats van de koudwaterkraan in de keuken op de waterleiding werd geschroefd. Het duurde enkele weken en het apparaatje gaf de geest. En zo geschiedde bij al onze buren. Telefoneren en brieven schrijven naar de handige handelaar hielp geen zier; het telefoonnummer bestond niet en de brieven bleven onbeantwoord!

Ook toen kon dat gebeuren!

Maar goed, onszelf wassen werd opnieuw gewoon gedaan met koud water, of het nu twintig graden boven nul of eronder was! Dat gebeurde dus aan de gootsteen in de keuken en eenmaal per week in een zinken teil in de bijkeuken. Water werd dus niet zoveel gebruikt en kostte ook maar een paar centen per kubieke meter.

 

In de kelder stond een gasmeter opgesteld met een gasleiding naar slechts één gasaansluitpunt: een tweepits groen geëmailleerd gasstelletje, dat ook weer op dat granieten aanrechtblad stond. Het werd alleen gebruikt in de zomer, wanneer het te warm was om de kachel in de keuken te stoken, want het toenmalige stadsgas was veel duurder dan het in de jaren ’60 oprukkende aardgas uit Groningen.

 

Het meeste energieverbruik zat dus in het stoken van kachels.

Daarvoor ging ik een paar keer met ons moeder in augustus naar het bos. Niet om hout te sprokkelen, maar om mastappels (dennenappels) te rapen. Als in de keuken de kleine plattebuiskachel ’s morgens vroeg werd aangestoken, vulden we de vuurpot eerst met een oude krant en daarna met mastappels. Soms ook ging er nog een scheut petroleum bij om de kachel snel brandend te maken. Als die dennenappels goed branden werd met de kolenkit de pot verder gevuld met antracietkolen. Soms kocht mijn vader eierkolen – samengeperst kolengruis in een ronde vorm – of van die langwerpige kolenbriketten, eveneens samengeperst kolengruis. De eierkolen en briketten werden meer in de avond gebruikt, omdat ze lang doorgloeiden en dus lang voor warmte in huis bleven zorgen.

Verder werd alles wat brandbaar was in de keukenkachel gestopt, zodat er weinig afval overbleef. Ook oude schoenen, toen nog geheel van leer, zowel het boventuig als de zolen en hakken. De spijkertjes waren in de as terug te vinden.

Een kolenhok, gemetseld in de bijkeuken, werd door kolenboeren als De Hoon, Heijnen of Willebrords voor de winter volgestort met een mud (70kg) of zeven, acht antraciet, meestal genoeg om de winter door te komen.

 

De keukenkachel was de hoofdverwarming in ons huis. Ons hele gezinsleven speelde zich grotendeels af in de keuken: koken, eten en radioluisteren. Populair in die jaren was het programma ‘De Bonte Dinsdagavondtrein’ met artiesten zoals Snip en Snap, Willy Alberti, Toon Hermans, Rudi Carrell, accordeontrio The Three Jacksons, Bob Scholte en Bobbejaan Schoepen. Dat was lachen en muziek, ontspanning van de hoogste plank!

De kolenhaard in de huiskamer werd alleen aangestoken, als er ’s winters in het weekeinde bezoek kwam. Omdat het steeds aansteken met papier, mastappels en hout zo arbeidsintensief was, besloten mijn ouders hier een oliehaard, geleverd door de firma Dekkers, te plaatsen met een tweehonderd liter tankje op een stellage naast het huis. Deze haard verwarmde zowel huis- als voorkamer, die gescheiden waren door schuifdeuren. De voorkamer, die wel een schoorsteen had, maar geen kachel, was gevuld met salontafel en vier fauteuils; alleen hoog bezoek werd hier toegelaten. Als er bijzondere gasten werden verwacht, dan schoof ons moeder de deuren tijdig open, zodat de warmte uit de huiskamer naar de voorkamer kon trekken.

 

De slaapkamers op de eerste verdieping waren niet verwarmd. Als ‘Vadertje Winter’ flink te keer ging en de temperaturen ver beneden nul kwamen, werd de gangdeur ’s avonds een tijdje opengezet.

“Dan kan de wèèrmte un bietje naor boven trekke,” legde ons moeder uit.

Maar ja, soms vroor het tot vijftien graden of erger onder nul! De ijsbloemen stonden dan op de ruiten!

“Ge slôpt ut lekkerst mééj bevrore ore,” zei ons vader altijd, maar hij zorgde wel voor genoeg wollen dekens, een dikke sprei en een breed zwaar kussen op het voeteind van het bed om voor ons de kou tegen te houden. En die oren trokken we ook onder de dekens!

 

Dan de elektriciteit.

De benedenverdieping bestond uit een voorkamer, zitkamer, entreehal, woonkeuken, bijkeuken, toilet en kelder. De kelder deed dienst als ‘koelkast’ en was tevens voorzien van een spekkuip, een aardappelhoek en banken om conserven of wekflessen op te zetten. Allemaal voorzieningen om etend de winter door te komen.

Alle ruimtes hadden één lichtpunt met wandschakelaar. De voor- en zitkamer, en de keuken en bijkeuken waren voorzien van elk één stopcontact. Op de verdieping waren drie slaapkamers, maar slecht één stopcontact op de overloop.

Buiten de lampen werd er weinig stroom verbruikt. In de keuken stond een radio voor het nieuws en de arbeidsvitaminen (een populair muziekprogramma, dat er elke ochtend op de werkdag was tussen tien en twaalf uur. Pas toen ik een jaar of vijftien was (1958) kocht moeder een kofferplatenspeler, waar we 45- en 33-toeren platen op konden draaien en ik naar Elvis Presley kon luisteren.

 

In de bijkeuken werd, na enkele jaren, een wasmachine geplaatst. Het was een houten kuip met elektromotor, die op vernufte wijze drie houten armen heen en weer liet zwaaien tussen het wasgoed. Op de kant van de kuip stond een wringer om, na het spoelen, het water uit het wasgoed te persen.

 In het begin moest moeder een teiltje water op de kachel zetten om het warme water in de kuip te gooien. Later kocht vader een elektrisch dompelelement, dat los in de kuip werd gezet om het water te verwarmen. Als moeder dacht de goede temperatuur te hebben bereikt, werd het element uit de kuip gehaald en de wasmachinemotor ingeschakeld.

Dan had moeder nog een elektrisch strijkijzer en een stofzuiger.

Dat was het eigenlijk.

Later kwam er nog een stikmachine bij, waarop ons moeder thuis schoenen en tassen in elkaar naaide. Onze eigen naaimachine was overigens nog met zo’n trapplateau, dus voetaandrijving.

 

Geen telefoon, geen telvisie, geen computer en bedenk er zelf nog maar een stapel apparaten bij. We hadden het allemaal niet nodig en we leefden toch gelukkig met elkaar.

Tjonge, ik zou zo weer terug in die tijd willen stappen! Ik wil niet zeggen, dat het toen allemaal beter was dan nu. Maar wel simpeler.

 

© Henk M. van Oosterwijk