Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * Henk van Oosterwijk schreef vier boeken. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Sneeuwwitje

                                                                                      ( Henk’s leeshoek 3-2-2015)

Het geschiedt in de wachtkamer bij de huisarts.

Ik heb al enkele weken last van een hardnekkige hoest en na lang aandringen van mijn vrouw maak ik een afspraak met de huisarts. Een stomme regel van deze dokterspraktijk is, dat je alleen ’s morgens tussen half negen en twaalf uur kan bellen. Voor de afspraak dus, spoedgevallen kunnen gelukkig altijd en ook via een speciaal telefoonnummer gemeld worden.

Ik dus om half negen aan het bellen.

Na tig keer draaien krijg ik eindelijk tegen negen uur de doktersassistente aan de lijn en om half elf zit ik in de ruime wachtkamer van de huisartsenpraktijk wat verveeld om me heen te kijken. Lezen van de op tafel liggende bladen en kranten is geen optie; ik heb de leesbril thuis laten liggen.

Wat doe je dan?

Rondkijken en de collega-patiënten observeren.

Schuin tegenover me zit een moeder – neem ik aan – met haar dochtertje. Ik schat het meisje op een jaar of acht. De vrouw bladert ongeïnteresseerd door een programmablaadje van een of ander theater. Het meisje kijkt met haar mee naar de mooie gekleurde plaatjes in het boekje.

Plots slaat het kind haar hand op het blad.

“Is dat Sneeuwwitje?”

Ze kijkt haar moeder blij vragend aan.

“Ja, schat, dat is Sneeuwwitje.”

Meer uitleg komt er niet, maar de interesse van de dochter is gewekt en zij vraagt door.

“Komt Sneeuwwitje hier in het theater?”

En zonder een antwoord af te wachten kijkt ze haar moeder hoopvol aan en gaat verder:

“Oh mam, gaan we daar naar toe? Ik wil er zo graag naar toe!”

De moeder denkt even na, terwijl ze de advertentie nog eens goed leest. Waarschijnlijk voor de data, maar misschien ook voor de entreeprijs.

“Dat kan niet, schatje, want de voorstelling is op één maart en dan ben jij jarig. Dan hebben we toch een feestje met al je vriendjes bij ons thuis.”

Het kind trekt haar hand terug van het theaterblad en legt beide handjes teleurgesteld in haar schoot. Ze kijkt haar moeder smekend aan met en blik die – voor mij als opa – niet te weerstaan is.

“Mama, ik wil zo graag naar Sneeuwwitje. Mag het, mama?”

Ik kan me niet langer inhouden.

“Je kunt toch op je verjaardag al je vriendjes uitnodigen om mee naar Sneeuwwitje te gaan!”

Het is er uit, voordat ik het weet.

De dodende blik van de moeder die me rechtstreeks treft, doet me begrijpen dat ik iets verschrikkelijks heb gezegd. Mijn verontschuldigend gezicht gericht tot de moeder en mijn hulpeloze schouderophaling naar het kind toe maakt deze netelige situatie alleen maar erger.

“Meneer van Oosterwijk!”

De stem van de huisarts redt me net op tijd uit deze bedoening. Ik sta vlug op en zonder nog iemand aan te kijken loop ik op de dokter toe en schudt hem de hand. Samen verdwijnen wij in zijn kantoor.

‘Gered door de gong’, heet dat in boks termen.

Bij het verlaten van de artsenpraktijk kom ik gelukkig moeder en dochter niet meer tegen.

Wat kan een mens soms impulsief en dom zijn!

                                                                                 © Henk van Oosterwijk

 

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

14-05-2018:  Sneeuwwitje

08-05-2018:  Pap nooit met vreemden aan

05-04-2018:  Keerpunt

27-03-2018:  Bartels Rietje

24-03-2018:  Nog twee gedichten uit 1961

22-03-2018:  Zoekend (gedicht uit 1961)

19-03-2018:  De truc

15-03-2018:  Piet, koffie!

06-03-2018:  De rooie step

02-03-2018:  Het trapje en de gebroken hans

25-02-2018:  Toen zag ik Riet + Probleem

20-02-2018:  Kennismaking met een hoogstandje (2)

05-02-2018:  Hofke in't zaod

29-01-2018:  Kennismaking met een hoogstandje

08-01-2018:  Er brandde één kachel

16-12-2017:  Raok me us aon

08-11-2017:  Blote meid

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

 

Pap nooit met vreemden aan!

(Henk’s leeshoek, Facebook, 8 decmber 2014.)

 

Het is een warme zomerse vrijdag in 1998.

Het is de dag na Hemelvaartsdag en we hebben vierdagen voor ons zelf. Onze vier plezierjachtjes, de Don Pedro, de Christa, d Thebo en de Dagaonogal, liggen aangemeerd in het Middelgat van de Plomp, een waterstroompje in de Brabantse Biesbosch. Het watergebied staat in volle bloei en de geur van de vele soorten wilgen en planten legt een deken van rust over de plezierjachten.

Onze vrouwen verstoren deze rust met de opmerking, dat het noodzakelijk is om nu de proviand aan te vullen, zodat we het weekend door kunnen komen. Thea en Bob van de Thebo hebben nog voldoende, maar Christ, Peter en ik worden er op uit gestuurd om de nodige boodschappen te gaan doen. Met de volgbootjes, want de dames blijven zelf graag in de Brabantse zomerzon liggen.

Peter, schipper van de Don Pedro, start de buitenboordmotor van zijn volgboot Pionier 12, terwijl Christ met zijn boodschappenlijstje bij hem in het bootje stapt. Ik trek eveneens de motor aan van mijn roeibootje Okwa en we varen via de Sloot van Sint Jan, langs de griendvelden, het Spijkerboor over en de Oostkil in naar jachthaven Vissershang. Hier staat mijn auto geparkeerd en daarmee rijden we naar het dorpje Hank, dat bijna drie kilometer van de haven verwijderd ligt,  om bij Super de Boer onze inkopen te doen. Na de boodschappen gaan we weer terug naar de jachthaven.

 

“Zullen we bij Joke ’s nog even ‘n pilske pakken?”

Wie het zegt: ik weet het niet. We kunnen het alle drie zijn. Gezamenlijk lopen we naar het houten gebouwtje achter de dijk, waar Joke zijn café-restaurant runt en gaan naar binnen. Er is nog net voor drie man plaats op de hoek van de bar. We gaan zitten en bestellen drie biertjes bij kastelein Joke. Voor alle duidelijkheid: Joke is een man, hij heet eigenlijk Jo, maar door zijn korte lengte en tenger figuur wordt hij Joke genoemd. Logisch, niewaar?

“Zet het maar op één rekening,” wordt door een van ons tegen de café-eigenaar geroepen.

Naast ons aan de bar zitten twee paartjes, die uit Sliedrecht komen, maar momenteel met hun boot in het Noordergat van de Plomp aangemeerd liggen. Daar komen we achter, als we met hen in een vrolijk gesprek geraken. Als de glazen leeggedronken zijn hebben zij ons tweede biertje al laten aanrukken. Het is een gezellig samenzijn met de Sliedrechters en bovendien is het dorstig weer. En wij voelen ons moreel verplicht om weer een pilsje terug te geven, dus wordt volgende rondje besteld.

Dat gaat zo even heen en weer, om de beurt wordt een cirkelend vingertje naar de kastelein op gestoken ten teken dat we opnieuw zeven biertjes lusten. Joke tapt ze wel!

Als er na een tijdje, schatten we, zeven rondjes zijn door gekomen, vraagt Christ om de rekening, na overleg met Peter en mij natuurlijk, maar de nieuwe vrienden proberen ons om te praten.

“Pak nog een laatste biertje, jongens, van ons,” wordt er lachend gezegd, “die boten van jullie liggen er over een uur ook nog wel!”

Normaal zijn wij drie eigenwijze niet te vermurwen mannen, maar nu blijkt het niet moeilijk ons om te praten. Nou de leste dan!

Na een keer of vier, vijf vermoed ik, de leste te nemen rekenen we eindelijk af en lopen richting mijn auto om de boodschappen er uit te halen. Peter en Christ nemen hun spullen mee naar hun vaartuigje en ik pak mijn tas en een tree blikjes bier, sluit de wagen af en ga richting mijn bootje aan steiger 5. Ik zet de boodschappentas en het bier op de vlonder en stap in de roeiboot.

Even lijk ik mijn evenwicht te verliezen, maar alles gaat goed. Ik pak de tas van de steiger en til die in de boot. Nu nog het treetje bier. Ik draag het op één hand, terwijl ik de andere hand aan de steiger vasthoud om te voorkomen, dat mijn bootje zich daarvan verwijdert. Zo richt ik me op, verlies door het schommelen van het bootje en misschien wel de ingenomen biertjes bijna het evenwicht en laat het bier los om niet zelf in het water te vallen.

Plons!

De vierentwintig aaneen verpakte blikjes schuiven over de rand van de boot en verdwijnen meteen in en onder water.

“Tabé,” mompel ik in mezelf en kijk niet meer naar het bier om. Dat ligt naar mijn troebele mening op de rivierbodem en kan ik dus wel afschrijven! Met een ruk aan het startkoordje wordt de motor gestart, de lijn wordt losgemaakt en het bootje verwijdert zich van de steiger. Rustig vaar ik de haven uit achter Peter en Christ aan, wat mismoedig denkend aan dat kostelijk bier dat ongebruikt op de havenbodem ligt.

 

We varen weer de Sloot van Sint Jan door. Als we in het Middelgat van de Plomp bij de boten arriveren, hoeven we ons verhaal niet te vertellen. De vrouwen zien al wel aan onze manier van handelen, wat er aan de hand is. Peter legt zijn Pioneer tegen de Don Pedro aan en gaat staan om zijn vrouw Ria de gedane boodschappen te overhandigen. Christ stapt intussen uit het bootje, waardoor het vervaarlijk naar één kant helt en Peter overboord slaat. Met een zware plons gaat hij het water in, zijn totale boodschappenlijst met zich meenemend. De gehele supermarkt, brood in plastic, pakken melk (want daar zit nog een beetje lucht boven in) en noem maar op, drijft in de plomp.

Peter wordt spartelend door Ria en Christ uit het water de boot in geholpen.

Gelukkig zit ik met mijn vaartuigje een eindje achter hen, zodat ik de drijvende broden en al wat boven op het water blijft, kan redden. Een stuk of twintig blikjes frisdrank verdwijnen echter naar de bodem van de Plomp!

Het is het middagje wel!

Onze geliefde echtgenotes hebben een stevige maaltijd voor ons bereid, hoewel ze mopperend beweren, dat we het eten niet verdiend hebben. We bekomen een beetje van al onze beslommeringen en een dutje daarna doet ook wonderen.

Als we allemaal weer wat ontnuchterd zijn en achter in onze boten zitten met een glaasje fris, gaat Peter proberen met een magneet zijn blikjes drank van de rivierbodem op te vissen.

“Onmogelijk,” beweren Christ en ik. “De blikjes zijn van een tinlegering en een magneet pakt er niet op!”

Met luid gejuich haalt Peter, ondanks onze bedenkingen, het eerste blikje boven water. Dus die zijn ook al niet van tin of aluminium!

Hij blijft stug doorgaan met deze vismethode en uiteindelijk heeft hij zeventien van de twintig blikjes naar boven gehaald.

Ik echter ben mijn bier kwijt, ben daar spijtig over hoewel ons Riet het een juiste straf vindt.

Het is niet zo’n ramp, bedenk ik, want die avond heb ik toch weinig dorst meer. Ik ben redelijk verzadigd en we gaan vroeg slapen deze avond!

 

De morgen hierna varen onze dames, Riet en Ria, met een van de volgbootjes naar de haven en willen wel eens zien, waar die vierentwintig blikjes bier van mij gebleven zijn.

Anderhalf uur later komen ze triomfantelijk terug: met het treetje bier!

De door mij verloren drank lag vlak langs de kade op nog geen halve meter diepte op de bodem naast de steiger! Je kon het treetje zo pakken!

Gelukkig heeft niemand het zien liggen of wel gezien en met het idee, dat de eigenaar in de buurt is, maar laten liggen.

Zo bleef de schade van dit onfortuinlijke avontuur toch beperkt.

Wat is nu de moraal van dit verhaal?

Pap nooit met vreemden aan!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Keerpunt

Het is 1961, vertelt me de kalender.

De periode, dat ik bij de PCGD (Post- Check- en Girodienst) in Den Haag werk. Riet en ik hebben al ruim een jaar verkering ondanks dat mijn ouders hier tegen zijn. (zie eerdere verhalen)

’s Maandags neem ik de trein van vijf over zes naar Den Haag en op vrijdagavond tussen acht en negen uur keer ik weer terug in mijn woonplaats Rijen. Soms werk ik ook op zaterdag, aan het eind van de maand als er vele overschrijvingen zijn op de girorekeningen. In het weekeinde breng ik zoveel mogelijk uren door met Riet.

 

Nu is het dinsdag, de dag na Pasen, als mijn wekker om vijf uur afloopt. Het was een korte nacht, want pas rond twaalf uur heb ik Riet op het Marktveld thuisbezorgd. Nog slaperig loop ik naar beneden, waar mijn moeder al bezig is met het ontbijt en het vullen van mijn broodtrommel voor de lunch. Ik ben een gezonde jongen, dus dat wordt een vol trommeltje.

Na een ‘goeie mèrige’ schuif ik aan tafel. Moeder doet zwijgend haar werk. Een aparte situatie, want meestal heeft ze volop te vertellen. Ik bedenk, dat er wel een preek aan zit te komen. Terwijl ik mijn ontbijt weg aan het werken ben, komt ze los.

 

“Henk, het is toch eigeluk beter, da ge nimmer meej da mèske optrekt.”

Het is geen verrassing voor mij, deze woorden, maar het is toch al lang geleden, dat ze iets opmerkte over de relatie tussen Riet en mij.

“Ge zijt toch nog veulste jong. Nog gin achttien. As er wa fout gaot meej jullie, dan kunde heur nie eens onderhouwe. Ge verdient daorveur vuste weinig.”

Ze houdt even op en grijpt naar haar rug. Ze heeft de laatste week nogal rugpijn, waarschijnlijk een hernia, en ze zal deze dag naar de dokter gaan. Ik kijk haar met gemeende medelijden aan, want de pijn schijnt erger te zijn dan met de paasdagen.

Ik reageer echter niet op haar uitingen.

Mijn hersenen verwerken intussen haar woorden.

Niet meer met Riet omgaan? Te jong? Iets fout gaan? Nee, ik kan niet van mijn vriendin scheiden. Ik hou van haar en verder denk ik niet. Waarom begrijpt ze dat niet.

Bij deze gedachten rollen de tranen over mijn gezicht. Het is een tijd geleden, dat ik gehuild heb. Zo lang, dat ik het me niet meer kan herinneren.

Moeder ziet mijn tranen van verdriet en er valt een korte stilte tussen ons. Dan kijkt ze me weer aan.

“Ut kan best un aordig mèske zijn,” gaat ze rustig verder, “mar ge mot oeweige nie zo vruug vastlegge. Ik vein ut best, dè ge heur somweile ziet, mar gaot un bietje meer meej oew kameraoden op stap. Leg ut heur uit en as ze iets om oe gift, begrèp ze mijn. Doe ut un paor jaor kalm aon.”

Nog steeds staan mijn ogen vol tranen, omdat ik haar zo graag kennis wil laten maken met mijn Rietje. Maar ik zwijg, onder de indruk van haar kalme woorden. Meestal worden zulke discussies wel met stemvereffening gehouden.

Bijna geef ik ze gelijk, maar kan geen woord uitbrengen. Tranen rollen opnieuw over mijn wangen en zoeken een weg naar mijn kin.

Het doet moeder waarschijnlijk toch pijn, dat ik huil.

Intussen is het tijd voor mij om op te stappen om de trein nog tijdig te halen. Zonder iets te zeggen trek ik mijn jas aan, neem de aktetas met de broodtrommel en wat kleren onder de arm en loop naar de deur.

Voor ik de deur dicht trek en houdoe roep, zegt moeder zacht tegen me: “Ge doet mar wa ge wil, Henk. Ik bemoei me er nimmer meej.”

Ze is gebroken door mijn tranen.

 

Normaal slaap ik in de trein, totdat ik van de drukte rond Rotterdam wakker wordt. Maar nu laten de woorden van ons moeder mij niet los.

Uitmaken? Vrienden blijven?

Dat traject hebben we al doorlopen, maar Riet en ik vielen bij elkaar in de armen, bij de ontmoeting tijdens de voorbije Rijense kermis. Er waren toen geen verwijten, geen discussies, geen excuses. Gewoon van elkaar houden en verder gaan.

Nee, dat doen we niet weer een keer.

De dag kruipt langzaam voorbij op het saaie girokantoor, maar eindelijk kan ik om vijf uur mijn fiets opzoeken en naar de Hoogbuurlostraat trappen.

’s Avonds na het verorberen van het lekkere warme eten, dat mevrouw Menting ons, drie ambtenaren, voorschotelt, schrijf ik meteen een brief aan Riet, waarin ik haar het ochtendgebeuren vertel. Daarin maak ik ook meteen afspraken voor het weekend, want mijn besluit staat vast: ik verbreek de verkering met Riet niet!

 

In het weekend na Pasen gaat het leven zijn gewone gang. Ma praat niet meer over Riet, ik uiteraard ook niet en mijn meisje gaat met de spelersbus van voetbalclub RAC mee naar Hulst. Een dag reizen, een wedstrijdje en tweemaal de veerboot Kruiningen-Berkpolder. We genieten samen, Riet en ik.

 

Na die voetbalzondag, op 10 april 1961, stuurt Riet mij haar zoveelste liefdebrief. Hierin vermeldt ze een opmerkelijk feit:

“Zeg Drikske (zo noemt ze mij dikwijls), ik kwam vanmorgen je vader tegen en hij knikte me eens vriendelijk gedag! Leuk hè. Dat heeft hij nog niet vaak gedaan!”

Er krult een glimlach op mijn gezicht. Er is tussen mijn ouders weer gesproken over mijn relatie met Riet en vermoedelijk in positieve zin.

 

Drie weken later, op een zondag morgen, zegt moeder plots tegen me: “Henk, gaod oew Riet us haole om ze vur te stelle!”

Ik ben totaal verbluft, maar een heerlijk gevoel verovert mijn lichaam. Ik ga Riet bij ons binnenhalen. Mijn ouders zullen haar leren kennen!

Eindelijk!

 

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Bartels Rietje

Vandaag (27-03-2018) is het precies een half jaar geleden, dat mijn vrouw Riet overleed. Dan moet ik onderstaande toch even van me af schrijven. Het begin van deze herinnering is het laatste stukje uit mijn verhaal ‘Toen zag ik Riet’. (zie acht verhalen hieronder).

 Het gebeurde in 1960.

 

Na de film loop ik weer met haar naar huis en nu blijft het niet bij praten. We steken samen het plein over en trekken ons terug in een portiek van de gymzaal, waar het licht van de lantaarnpaal wordt tegengehouden door een muurtje.

Hier valt onze eerste kus.

Het is zalig.

Terwijl ik verzink in een overweldigend gevoel, hoor ik Riet zachtjes tegen me zeggen: “Meen je het?” “

Meen je het? Natuurlijk meen ik het; ik ben smoorverliefd!

“Natuurlijk!” fluister ik in haar oor, alleen de woorden ‘ik hou van jou’ komen nog niet over mijn lippen.

Ik kus haar nog eens extra en bedenk daarbij, dat het niet de eerste keer is, dat ik een zeer goed gevoel heb bij het kussen van een meisje.

‘Deze is echt speciaal,’ denk ik in me zelf.

 

***

 

“Hoe heet je eigenlijk? Je achternaam bedoel ik.”

“Stoops,” antwoordt ze, en meteen daarachter: “Ik heb in de Achterhoek gewoond bij het gezin Kolkman. Daar noemden ze mij Bartels Rietje. Niemand zei Kolkman, maar Bartels.”

 

Pas achtenvijftig jaar later, in 2017, begrijp ik de betekenis van deze laatste woorden. Ze wilde graag Bartels Rietje genoemd worden. Dat besef verrast me in de Achterhoek. Ik zit samen met mijn dochter Susanne in Zieuwent op de 60-jarige bruiloft van Annie en Bartels Anton, Anton Kolkman dus. Riet is net een maand hiervoor overleden.

Het toeval wil, dat we aanschuiven bij de oude buurt van de Zieuwentseweg, waar Riet opgroeide. Er blijken een achttal ex-buren van haar aan onze tafel te zitten.

“Kent u Bartels Rietje?” is na een korte kennismaking mijn vraag aan onze tafelgenoten. “Ze is mijn vrouw en in september overleden.”

De oud-buren kijken elkaar aan?

“Gecondoleerd,” klinkt het van verschillende kanten. “Bartels Rietje? Wel Bartels Riek, maar Bartels Rietje?”

Ik begrijp deze reactie niet en leg uit: “Ze was in de jaren na de oorlog als pleegkind bij de familie Kolkman.”

“Ooooh, Rietje Stoops!” reageert een oude man, “ja Rietje Stoops! Da was me dur eentje!”

Dan komen de verhalen los. Rietje was een vrijbuitster, die dikwijls de hort op was en door Bartels Jan gezocht moest worden. Bijna alle buren hebben een glimlach op hun gezicht. Ze hebben goede herinneringen aan Riet en dat doet me goed.

Maar een ding dwingt me toch tot nadenken: waarom reageerden ze niet op de naam ‘Bartels Rietje’? Mijn vrouw heeft me die naam genoemd vanaf het eerste moment, dat ik haar kuste.

Ik kan maar tot een conclusie komen: Het zwervende leven, dat Riet heeft gekend tot ze mij ontmoette, moet haar toch eenzaamheid gebracht hebben. Op tweejarige leeftijd naar een klooster, daarna pleeggezin en weer twee kloosters. Van Rotterdam naar Baexem, Zieuwent, Keijenborg, Rijsbergen. ‘Gestichten’ noemde ze het zelf. Ze zocht aansluiting, wilde ergens bij horen. Zoals haar pleegbroers en zusters in het gezin Kolkman. Zoals Bartels Anton, Bartels Jan, Bartels Riek en Bartels Marietje, wilde zij Bartels Rietje heten.

Ze wilde een zijn met de familie, omdat haar eigen twaalf broertjes en zusjes over geheel Nederland waren verspreid. Toch bleef ze in Zieuwent ‘Rietje Stoops’.

 

Dat ze erbij wilde horen blijkt nog eens extra uit haar liefdesbrieven, die ik vorige week weer las. Letterlijk schrijft ze op 3 mei 1961, een dag nadat ze kennis gemaakt heeft met mijn ouders:

‘Een thuis hebben is het heerlijkste wat er bestaat. En het is voor mij al een heel tijdje geleden dat ik dat nog bezat. Het was bij jullie hartstikke leuk en gezellig.”

Ze zocht een warm nest!

 

Nou, dat heeft ze gevonden, beter gezegd: gemaakt. Niet gekregen, maar zelfgecreëerd.

Ze hoort erbij!

Als een trotse koningin keek ze rond, wanneer onze kinderen en kleinkinderen allemaal tezamen waren. Ze genoot van de Kerstdiners, de gezamenlijke vakanties en op Sinterklaas surprise-avond. Ze was fier op haar kroost, die tot tien personen uitgroeide. Zorgen voor, dat stond boven aan haar lijstje. Wat ze zelf in haar jeugd ontbeerde, heeft ze dubbel teruggegeven aan kinderen en kleinkinderen.

Graag had ze meegemaakt, dat de kleinkinderen uitvlogen en haar nest nog groter zou groeien.

Helaas overleed ze op woensdag 27 september 2017 op 74-jarige leeftijd.

Voor mij blijft ze altijd “Bartels Rietje”.

© Henk M. van Oosterwijk

Twee gedichten uit 1961

Op 21 februari 1961 stuurde ik vanuit Den Haag een brief naar Riet met het volgende gedicht.

 

Riet Stoops

 

Raar geruis rolt door mijn aderen

Iedere hartslag gaat sneller slaan

Elke spier spant kracht vergarend

Telkens kom je voor me staan

 

Starend in de duisternis

Tellend dag voor dag

Oogst ik na vurig verlangen

Overgelukkig je zachte lach

Parelblauwe ogen die in de mijne rusten

Sussen mijn gevoel en liefdevolle lusten

                             © Henk M. van Oosterwijk

 

Deze vond ik in een brief van Riet aan mij, geschreven op 4 april 1961.

 

Dan nog een keer

 

Ik hou van een blonde jongen

Ik hou zo veel van hem

Kijk maar naar zijn ogen

Luister maar naar zijn stem

Kom bij me zitten, ik voel me zo alleen

Leg dan je armen maar om me heen

Leg dan je lippen maar op de mijne neer

En als je van me houdt dan nog een keer

                                               © Riet Stoops

 

Zoekend

Dit gedicht schreef ik op 7 februari 1961. Ik werkte in Den Haag en was alleen in de weekeindes thuis.

Het gedicht staat in een van mijn liefdes brieven gericht aan Riet, mijn latere vrouw.

Weet u, wat een jongen van bijna 18 hiermee bedoelde?

 

Zoekend

 

Slepen, draven, woelend graven

In ’s mensdom onbekende grond

Laag voor laag met inzicht schaven

Bloed en zweet ligt waar ik stond

Waar bent gij dat geluk mag heten

Waart gij waar ‘k me reeds bevond

 

Beven, rillen, gissend gillen

Haastig bang voor donkere natuur

Wroeten door de aardse schillen

Dichter naderen het doodse uur

Waar bent gij, vrucht van de mensheid

Bent gij waarnaar ik smachtend stuur

 

Hier ben ik, gij tast in ’t duister

Kom, stap voluit in het licht

Open d’ ogen zacht en fluister

’n Hard woord is slecht gericht

Hier ben ik voor wie ge doolde

Gewoon, voor je zoekend aangezicht

 

© Henk M. van Oosterwijk

De truc

We hebben een gezellige galerij op de vijfde verdieping. We betrekken in 1969 een flat in de Bredase Lelystraat, waar we twee jaar lang zullen verblijven. Reden, dat we daarnaar toe zijn gegaan, is verandering van werkgever. Aangezien we in Rijen een woning van de baas bewoonden, worden we gedwongen een nieuw onderkomen te zoeken. Mijn nieuwe baas zorgt binnen twee maanden voor een spiksplinternieuwe flatwoning. Het waarom, dat we weer uit Breda zullen vertrekken, is de geboorte van onze zoon.

"Ik wil nie hebbe, da Raymond in een flat opgroeit," leg ik aan ons Riet uit, die zelf op de boerderij is grootgebracht. Dus kopen we dan een woning in de Colijnstraat op de Rijen, met tuin en speelruimte voor hem en de dochter, die op komst is.

 

Terug naar de vijfde etage.

Het is intussen het jaar 1970.

Aan onze galerij woont een gevarieerde gezelschap: jonge stelletjes, met en zonder kinderen, een wat ouder paar en een homo. Het zijn luitjes als een straaljagerpiloot gelegerd op Gilze-Rijen; een vertegenwoordiger in koffie en thee; een boekhouder, een bejaard gepensioneerd koppel, een homo met de toepasselijke naam Rechtop, (Ik verzin het niet) en ik als cv en sanitair technieker. Mijnheer Rechtop is overigens een leuke man, die vooral met onze vrouwen vrolijk meepraat over fleurige gordijntjes en leuke kleding.

"Het is echt een aardige man," legt Riet nog eens aan mij uit, " al is het een homo." 

Ja, we leven in 1970, het jaar dat het hoogste punt van de North Tower van het World Trade Center in New York wordt bereikt. De STER begint met TV-reclame en ‘stemplicht’ wordt ‘stemrecht’. De ‘Dolle Mina’s’ dringen het congres van gyneacologen binnen in hun actie voor ‘vrije abortus’.

En wat nog belangrijker is: Feyenoord wint als eerste Nederlandse club de Europa Cup 1.

Het is een heel andere wereld als 2018 dus.

 

Als Riet weer thuis is van het avontuur bij Philips (zie mijn verhaal ‘Hofke in ’t zaod’) krijgt ze steeds meer contact met de buren. Door de vrouwen komen ook de mannen tot elkaar en de huiselijke feestjes kunnen beginnen.

Europacupwedstrijden worden niet altijd uitgezonden in deze tijd. Pas als het stadion is uitverkocht komt de mededeling via radio, dat de wedstrijden van Feyenoord en Ajax rechtstreeks op teevee te zien zijn. Dan kopen we gezamenlijk drank en hapjes in, komen met de buurparen op één adres bijeen, en beleven saamhorig de wedstrijden. Alhoewel, eensgezind? Ik ben de enige Feyenoorder in het gezelschap, de rest is Ajaxied. Dus kun je op je vingers natellen, dat er best discussies over voetbal wordt gevoerd!

Na afloop van de wedstrijd, gewonnen of verloren, volgt muziek en dans, soms tot in de kleine uurtjes.

 

Verjaardagen vieren we ook samen.

Zo komen we op een goede dag bij onze jarige piloot terecht, waar naast familie en buren ook vliegcollega’s aanwezig zijn. Een bond gezelschap, waar je een aardig feestje mee kunt bouwen.

Half weg deze avond, als de kelen al redelijk goed gesmeerd zijn, geven de militaire vrienden een demonstratie ‘overhemd uittrekken met het colbertjasje nog aan’. Een piloot bukt zich en strekt zijn armen naar achter. Zijn collega pakt hem in de kraag onder de jas bij zijn overhemd, slaakt in volle concentratie een diepe zucht en rukt het overhemd van zijn vriend in één armzwaai onder het colbertje vandaan, van het lichaam af.

We staan versteld.

“Hoe kan da nou?” vraag ik overdonderd aan de beroepsmilitair en kijk naar het overhemd. De man is het weer aan het aantrekken. Er mankeert niets aan.

“Eigenlijk simpel,” zegt een van de anderen. “Het is gewoon een kwestie van goed ontspannen. Iedereen kent dat wel.”

Natuurlijk kan het eigenlijk niet, maar de ingenomen alcohol beïnvloedt de goede werking van mijn hersenen en, wat eigenlijk nog frustrerender is, ook mijn nuchtere denkcellen. Ge wordt wat vrijmoediger, als het alcoholpercentage in je bloed stijgt. Ge kent dat wel.

“Jij kan dat ook, als sportman,” lacht de piloot, “als je jezelf maar goed ontspant en durft.”

Durven? Durven?

Durven maakt van de situatie een erezaak voor mij.

“Kom mar op.” Ik buk me en strek mijn armen naar achter.

Je mag je manchetknopen wel los maken, want dat houdt wel tegen,” adviseert mijn uitdager. ”En ook een paar knoopjes bovenaan je overhemd.”

Ik kom weer overeind, haal beide manchetknopen uit de mouwen, knoop mijn overhemd wat los en stel me weer gebukt en ontspannen op. Intussen is de aandacht van de gehele feestgroep op mij gericht. 

“Vooruit maar.” Ik knik.

De vlieger grijpt me in de kraag, haalt diep adem en scheurt met één ruk de bovenzijde van mijn overhemd af. Hij houdt het triomfantelijk omhoog.

“Jammer,” roept ie, “je hebt je niet goed ontspannen!”

Lachen, gieren, brullen. Iedereen ligt plat van het lachen. ‘Stommeling’, denk ik bij mezelf, ‘het kan toch nie, ge wist ut toch!”

Ik kom overeind en probeer met iedereen met de feestelingen mee te lachen, maar dat lukt niet helemaal.

“Potver Henk,” hoor ik Riet zeggen, “dat is een spiksplinternieuw overhemd!”

Weer gelach, maar nu kan ik de truc van de militairen wel waarderen. Ik had zelf beter moeten weten.

 

Nadat ik een paar deuren verder gauw een ander overhemd aantrek, kom ik terug op het feestje, waar mijn hemd nog steeds het middelpunt van gesprek is. Ik meng me met een vers glas bier tussen de lol hebbende vliegeniers.

“Luister us manne,” vraag ik hun aandacht, “as slachtoffer maag ik toch wel wéte, wa dè truukske nou eigelijk is om de bloes heel te houwe?”

De mannen knikken.

“ ‘t Is simpel,” legt de man, die de geslaagde demonstratie heeft gegeven, uit. “We zijn even in een andere kamer geweest, mijn overhemd uitgetrokken en dat los over mijn schouders gelegd. De mouwen van de bloes in de mouwen van het colbèrtje gestoken en de boorden onder de mouw uit laten komen. Daarna de halsboord netjes om mijn nek gelegd. Net alsof ik het overhemd gewoon aan heb. Met de knopen los kun je het dan in een ruk uit de jas trekken!”

 

Oké, ik ben weer een truc rijker en een overhemd armer!

En: er moet toch een clown op een feestje zijn om de sfeer te verhogen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Piet, Koffie!

Gisteren |(14-03-2018) hebben we afscheid genomen van een goede vriendin, Thea Kalishoek. Zeven jaar vocht ze optimistisch tegen een niet te overwinnen ziekte. Optimisme en humor maakte voor haar deze moeilijke periode leefbaar. Vijfenzestig jaar is te jong om afscheid te nemen.

Ter ere van haar onderstaand waargebeurd verhaal (verkort) uit mijn boek "De spuigaten uit".

 

Hoofdstuk 6: Piet, koffie!

 

We leven in het jaar 1993.

Vier weken vakantie liggen voor ons en het zal volgens de weerwetenschappers een hete en droge zomer worden. De hoofdrede dus om in ons eigen landje te blijven. Waarom zou je de zon op gaan zoeken, als hij al in je achtertuintje schijnt?

Sinds we een bootje hebben, gaan we eigenlijk altijd met de boot in Nederland op vakantie. En we hebben intussen ontdekt, dat er verschrikkelijk veel moois te zien is in ons eigen landje! Mensen vliegen de hele wereld rond, maar kennen soms hun eigen vaderland niet eens!

Bovendien is het zo, dat als je vier weken gaat varen het weer over ’t algemeen ook wel goed is. Uiteraard valt er wel eens regen, maar op de mooi dagen ben je dat snel vergeten. We hebben het in ruim twintig jaren varen maar één keer meegemaakt, dat het veertien dagen achtereen regende. En dat was balen natuurlijk. Daar volgden echter twee weken goed weer op en de natte ellende lieten we snel achter ons. Altijd vooruit kijken!

We liggen intussen met onze ‘Dagaonogal 1’ in de haven van Hank, waar we een vaste ligplaats hebben gekregen.

Onze Bredase vrienden, Thea en Bob, hebben hier met hun Peerenboom de Thebo ook hun ligplaats. U kent ze nog wel van een eerdere beschreven gebeurtenis, van Het Plekkie van ’t Lege Bekkie.

We hebben afgesproken om samen een week of vier op vakantie te gaan. Bob heb ik al eerder uitgebreid aan u voorgesteld.

Zijn vrouw Thea wil ik nader introduceren. Zij is een nuchtere meid, heeft gevoel voor humor en kan af en toe plat uit de hoek komen met haar Bredaas-Rotterdams dialect. Geboren Bredase en getrouwd met een vent uit Rotjeknor geeft ook een extra tintje aan haar droge komische uitingen. Een vrouw uit duizenden, maar ze zal ook wel haar minpuntjes hebben.

Al kan ik er niet zo gauw opkomen.

 

Op een zonnige hete zomerdag vertrekken we vanuit jachthaven Vissershang richting rivier de Linge. We varen de Biesbosch uit langs Werkendam, gaan de Merwede op en duiken Gorkum in via de kleine sluis bij de Lingehaven. Daar overnachten we.

Als we hier na een zwoele nacht ontwaken, is het opnieuw erg warm. Het KNMI in De Bilt heeft een kleine hittegolf en tropische warmte voorspeld en deze keer hebben ze eens gelijk, die weermannen. Want het kwik stijgt tot boven de dertig graden en er is geen wolkje aan de hemel te bekennen.

Het is dorstig weer dus.

Daarom ook vertrekken de Thebo en de Dagaonogal ’s morgens op tijd uit de Lingehaven van Gorkum om in de nog wat koelere ochtenduren te varen en de grote hitte voor te blijven. Gorkum zal op de terugweg weer worden aangedaan en dan gaan we een paar dagen nemen om de stad te verkennen.

We draaien bij Arkel met de Linge mee richting Geldermalsen en meren aan tegenover het dorpje Heukelum, nog zeker twee kilometer voor de stad van glasblazers en kristal: Leerdam.

De walkant is een mooie speelweide, die ook gebruikt kan worden door automobilisten, want er ligt een ruime parkeerplaats bij. We bevinden ons hier op het grondgebied van het dorp Oosterwijk. Het mag zich dorp noemen, omdat het een eigen kerk heeft, maar eigenlijk verdient het die naam niet met die paar schamele huizen, die er staan.

Het hoort bij de gemeente Leerdam.

De bomen staan een kleine honderd meter van de walkant, te ver voor het botenvolk om van hun schaduw te genieten. De parasols worden dus open geklapt en op de wal vast gestoken in de grasgrond vlakbij de boten en zo proberen we voor onszelf een stukje schaduw te creëren. Daarna volgen de tuinstoelen en tafels, die onder de parasols worden opgesteld.

Het is heerlijk zo.

De rust en de warmte maken ons aan het doezelen.

 

“Piet, hier krijde koffie!”

Het is de volgende ochtend en ik hoor die harde schreeuw over de speelweide gaan.

Toon Kortooms heeft me in zijn verhaal net meegesleept naar de landelijke sfeer in de Peel. Ik zit namelijk lekker met de benen op de bank in de boot verdiept in “Mijn kinderen eten turf” en de schrijver laat me met zijn smeuïge teksten af en toe hardop lachen.

Ik kijk op uit mijn boek.

De harde kreet van de vrouw op de wal doet me opschrikken en mijn aandacht verplaatst zich onmiddellijk van de Peel naar het tafereeltje op de kant.

Ik zie Thea in gesprek met een voor ons oudere vrouw. Ze is groot van bouw, heeft een geplooide rok aan, die tot ver over haar knieën valt, en een luchtig bloesje.

Samen met haar man, vermoeden wij, is ze hier en hun boot ligt enkele tientallen meters voor ons aangemeerd. Het vaartuig ziet er prima verzorgd uit, maar het lijkt er wel op, of ze hun hele huishouding mee het water op hebben gesleept. Naast allerlei werktuigjes en houten planken staan er ook twee bromfietsen op hun achterdek. Is dit nou hun vaste woonboot, of zijn ze toch gewoon op vakantie? Om dit te weten te komen hoeven we geen vragen te stellen: het antwoord komt in het komende half uur vanzelf bij een bakske koffie!

 

Thea heeft in een vlaag van enthousiasme en gastvrijheid dus aan de vrouw gevraagd:

“Luste ok een bakske?”

De schreeuw: “Piet, hier krijde koffie!” geeft meten antwoord op deze vraag en ook twee nieuwe vrienden er bij.

“Breng stoele mee!” roept de vrouw er nog achter aan.

Intussen is ze zelf al gaan zitten in een van onze klapstoeltjes, die natuurlijk uitnodigend onder onze parasol staan.

“De koffie is klaar,” roept Thea nog overbodig richting onze boot.

We zijn gewend dat er beurtelings voor een pot koffie gezorgd wordt en deze keer is Thea aan de beurt het potje te zetten. Niet dat we hiervoor strenge regels hebben, maar het is een niet beschreven afspraak.

Dus Riet en ik lopen via de loopplank de wal op om aan te schuiven bij dit koffiefeestje.

Piet is intussen komen aanlopen met twee stoelen en de vrouw staat op en neemt ‘n klapzetel van hem over, zodat wij in onze eigen tuinstoelen kunnen neer vallen. En zo scharen we ons met zessen gezellig om de koffiepot.

Piet is een korte, maar brede vent. Het lijkt er op, dat iemand hem van bovenuit een beetje in elkaar gedrukt heeft, want een nek heeft hij niet: zijn hoofd staat direct op zijn schouders. Onder zijn kalend hoofd, dat bedekt is met een pet, zit een vriendelijk boerenrood gezicht met een brede grijns erop, die hij waarschijnlijk bij zijn geboorte cadeau heeft gekregen. Grijnzend luistert hij naar ons gesprek, maar mengt er zichzelf niet in.

Aan gespreksstof echter geen gebrek.

Want al voor onze eerste slok koffie genomen is en van het bijbehorende koekje is geproefd, vertelt de vrouw ons uitgebreid, dat zij en haar Piet uit Hardinxveld-Giessendam komen; eigenlijk uit Giessendam. Dat ze kinderen hebben, die getrouwd zijn en dat ze nu lekker op vakantie zijn. Zelf hebben ze de AOW-leeftijd al bereikt en zijn daarom al een paar maanden onderweg om van de zomer te genieten.

Dat ‘onderweg’ blijkt dan het gehucht Oosterwijk, waar ze de gehele zomertijd aangemeerd liggen.

“Piet ken hier lekker aan de boot klussen en ik rij af en toe naar huis om te kijken, dat daar alles nog goed gaat!” besluit ze haar verhaal.

Piet zegt niks en luistert.

Hij knikt af en toe ja of nee en maakt zijn grijns wat groter als er gelachen moet worden.

“Oew bakske wordt koud,” wijs ik naar haar kopje koffie. Door haar lange verhaal heeft ze ’t bakske leut bijna vergeten, maar door mijn opmerking begint ze er  toch van te drinken. Daarmee houdt het praten dan even op, wat de achterliggende bedoeling is van mijn opmerking!

Het helpt echter maar even.

“En vanavond mot ik effe op de brommer naar huis om de ramen dicht te gaon doen!”

We kijken elkaar aan. De ramen dicht doen?

Staan die dan al twee maanden open? Gelukkig, dat het nou mooi weer is, maar een paar weken terug gutste de regen naar beneden! Dan moet het binnen toch wel nat zijn geworden!

“Neije, die he’k vanmorgen even open wezen zetten om het huis wat door te laten luchten. Anders wordt het zo warm en muf binnen!” is de verklaring van de vrouw uit Hardinxveld-Giessendam, feitelijk Giessendam.

We kijken elkaar vragend en tevens geamuseerd aan, Bob en ik.

’s Morgens even dertig kilometer rijden op die oude Mobylette om de ramen thuis open te zetten en weer evenzovele kilometers terug. Dan ’s avonds nog eens zestig kilometers op de brommer naar Giessendam en terug om ze te sluiten!

Ge moet er maar opkomen!

Dan ben je op vakantie!

Het blijft nog de hele week gloeiend heet, dus dan kunde elke dag op en neer blijven rètteréren. Ge bent elke keer een halve dag onderweg om de ramen thuis open en dicht te doen!

“Kunne de kinders de raomen niet even open en dicht zetten?” probeert Thea nog de vrouw op een goed idee te brengen.

Maar nee, dat kan niet. Haar kinderen hebben ’t veel te druk en bovendien: ze doen misschien de deuren niet goed op slot. Ze zou er niet van kunnen slapen!

Oké, we doen nog een rondje koffie en praten wat na over het huis luchten en zo en dan gaat ieder weer naar zijn eigen boot om de lunch te bereiden.

De voormiddag is weer prachtig voorbij gegaan!

De middag brengen we door met boeken lezen en dutjes doen, want de zon doet verschrikkelijk goed zijn best en elke beweging brengt zweet voort, zodat we zo min mogelijk bewegen.

Tegen de avond horen we een brommer starten. We gaan uit de boot hangen en zien, dat de Giessendamse vrouw haar helm om het hoofd heeft gesnoerd en op de Mobylette is gestapt.

`Effe de ramen dicht doen,` roept ze nog, terwijl ze als groet haar hand omhoog steekt en de speelweide over snort!

 

“Luste ok ’n bakske!” en “Piet, hier krijde koffie!” zijn kreten gebleven, die we na twintig jaar nog altijd herhalen, maar ook “Effe de ramen dicht doen!”

En we kunnen er nog steeds om lachen.

 

 

© Henk M. van Oosterwijk

De rooie step

Raymond is een ondernemend manneke.

We wonen al drie jaar in de Colijnstraat op de Rijen en het is tijd, dat hij naar de kleuterschool gaat. Hiervoor kiezen we “De Ark” uit, gelegen aan de Rembrandtstraat. Elke dag fietst Riet door de redelijke verkeersdrukte viermaal op en neer met Raymond in het achterste kinderstoeltje en Susanne, twee jaar tellend, in het stuurstoeltje naar de school. Behalve op de woensdag natuurlijk, want dan hoeft ze slechts tweemaal te rijden. Onze zoon kijkt duidelijk goed om zich heen en leert zo de omgeving en de weg kennen

Op een dag, als hij van school al thuis is, ontsnapt hij even aan de aandacht van zijn moeder. Zij denkt dat haar kinderen in de tuin spelen. Met zijn tweejarig zusje Susanne aan de hand wandelt Raymond naar het Rijense gemeentehuis, dat ze elke dag met de fiets passerenm. De trappen van het raadhuis hebben een grote aantrekkingskracht op de jongen en hij vindt het fijn om er met zijn zusje te spelen.

Als Riet ontdekt, dat beide kinderen uit de tuin verdwenen zijn, gaat ze naarstig naar de kleintjes zoeken, maar kan ze nergens in de omgeving vinden. Tot het moment dat de jonge avonturier parmantig wandelend met zijn zusje door de Schaepmanstraat ongedeerd huiswaarts keert.

 

Dat hij ondernemend is, bewijst hij opnieuw, als hij mij op een dag komt vertellen, dat hij hem extra goed geholpen heeft.

“Ik pappa helpen,” verklaart hij trots en neemt mij aan de hand mee naar de garage. Daar wijst hij naar een volle bak ‘Breda bier’, die ik daar als reservevoorraad heb neergezet.

“Pappa helpen,” benadrukt Raymond nog eens.

Ontzet kijk ik naar de vierentwintig flesjes, waarvan hij alvast netjes de kroondoppen heeft afgedaan! De flesopener ligt nog naast de bak.

Wat moet ik er mee? Ik kan ze moeilijk in mijn eentje gaan zitten leegmaken! Alhoewel, er zijn wel eens momenten geweest, dat ik een bak bier best aankon.

 

Het grootste drama moet nog komen.

Als ik op een avond thuis kom, vertelt Riet mij in de keuken de laatste streek van onze avontuurlijke zoon.

“De buurjongen is vandaag jarig,” legt ze uit, “en de buurvrouw is helemaal van streek!”

Ik kijk haar vragend en ongerust aan.

“Jaorig? Hoezo van streek?”

“Nou,” gaat mijn vrouw verder, ”de buurjongen heeft een mooie rooie autoped van zijn ouders gekregen en is daar samen met Raymond op gaan steppen.”

“Nou, da’s toch gin ramp,” onderbreek ik haar.

“Laat me nou toch eens uitpraten,” reageert Riet een beetje fel. “Hij heeft dat stepke meegenomen naar onze garage, een pot verf geopend met een schroevendraaier en het ding helemaal blauw geschilderd! En nou is de buurvrouw over de rooie.”

“Blauw?”

Ik schiet in de lach.

“Blauw?” herhaal ik nog eens. Ik kan er niets aan doen, maar ik val weg in een schaterlach.

“Ja, lachte gij er maar mee,” zegt Riet verwijtend, “maar de buurvrouw zit er toch mooi mee.”

“Oké, rustig maar. Raymond!”

Mijn zoon komt de keuken binnen lopen. Met de uitroep ‘pappa” springt hij in mijn armen.

“Luister eens, Raymond.” Ik houd hem op mijn arm geklemd, “wa hedde gij meej da stepke van de buurjongen gedaon.”

“Geverfd pappa,” antwoordt hij trots, “blauw.”

“Mar da’s un nieuw stepke, jonge. Da gaode toch nie opnieuw schildere.”

“ ‘t Was rooi, pappa, da’s toch nie mooi.”

Ja, wat moet je daar nou tegenin brengen?

“Niet lachen, Henk,” commandeert Riet.

“Oké.” Ik onderdruk mijn lach en zet Raymond op de grond. “Die step is nie van oe eige, Raymonneke, daor maade niks meej doen. We gaon us bij de bure kijke. Riet, hedde nog nun kwatta liggen?”

 

De buurman is ook al thuis van zijn werk en staat, op het moment dat ik de poort open, met vrouw en zoon naar de blauwe autoped te kijken.

“Dag buurman,” groet ik hem en val maar meteen met de oplossing in huis, wijzend op het stepje. “Dat blauwverven is niet echt goed gelukt. Ik betaol wel nun nieuwe step. Dan nim ik dun deze wel meej veur onszelf.”

“Bende gek, man,” reageert de buurman, die de situatie iets gemakkelijker op neemt dan zijn vrouw. “Jullie hebben toch al een step. Ik nim  um effe meej naor mijn werk. Un bietje schuren en overspuite en ‘t is wir nun nieuwe!”

En zo wordt de zaak afgedaan.

Hoewel Raymond kijkt, alsof hij liever zelf het snoepgoed wil opeten, overhandigt hij toch de meegebrachte kwatta aan de jarige Job. Die staat er een beetje beteuterd bij, maar fleurt meteen op bij het zien van de reep chocolade.

 

Alles is weer opgelost.

Een dag later stept de buurjongen weer trots met een rode autoped over het trottoir. Raymond rijdt nooit meer op dat ding van zijn vriend.

Hij vindt rooi niet mooi!

© Henk M. van Oosterwijk

Het trapje en de gebroken hand

Als lid van watersportvereniging Oostkil zijn we uitgenodigd voor een barbecue. Deze wordt jaarlijks begin september gehouden in de Palingsloot gelegen aan polder De Plomp in de Biesbosch.

Daar staat een niet bewoonde, maar nog wel in gebruik zijnde boerderij, waarvan we de schuur mogen gebruiken als feestzaal. Door een werkploeg worden de daar nog aanwezige landbouwwerktuigen in het achterste gedeelte van de opslagruimte gezet. Er blijft dan een ruime, wel zanderige bodem over met in het midden een stukje betonvloer, dat als dansvloer wordt gebruikt.

Deze ruimte wordt versierd met kleurige lampen slierten, die tevens in de avond voor voldoende licht zorgen.

Buiten worden twee benzine gestookte aggregaatjes, geleend van leden, weggezet, die voor de stroom zorgen van de verlichting, maar tevens ook voor de bierkoeler. Niet onbelangrijk dus.

Het is 1991.

 

De vereniging zorgt voor de fris- en sterke dranken en de vaten bier. Zij stellen ook twee grote barbecues buiten op beschermd door een hoog opgespannen dekzeil, wat eventuele regen moet opvangen. De leden zelf zorgen voor hun vlees.

Op de stroom wordt ook nog een disco aangesloten.

Alle ingrediënten zijn dus aanwezig om een gezellig feestje te bouwen.

Dat doen dus.

 

Als ik die zaterdagmiddag met onze ‘Dagaonogal’ de Palingsloot invaar, is er alleen nog plaats om tegen een schuine keistenen wal aan te leggen. Dat is geen probleem.

Ik gooi het anker uit, laat de boot zachtjes tegen de keien aan glijden, zodat Riet van de boot kan stappen met de landvasten (touwen) in de hand. Ik trek ons scheepje iets van de wal af en leg het ankertouw vast. Riet slaat op de kant twee aluminium pinnen de grond in en bevestigd daaraan de landvasten.

Daarna leg ik de loopplank uit en bevestig die aan de wal door een pin tussen de keien vast te slaan.

Ons bootje ligt.

 

“Riet,” zeg ik even later tegen mijn vrouw, nadat ik de schuine keienwal heb bekeken, “we motte twee meter over die kaaie klauteren. Ik probeer daor un trapke van die stene te maoken. As we vannacht terugkome, zulle we’r wel un paor op hebbe. Dan valle we nie zo makkelijk.”

En ik ga aan het werk. Na een half uurtje heb ik van de keien toch een mooi trapje gevormd, zodat we vannacht zonder ongelukken de loopplank van de boot zullen kunnen bereiken.

 

Het feest is gezellig.

De barbecue brandt tot het laatste vlees is weggewerkt; de disco strooit veel Hollands talige muziek de feestschuur in en de wijn en het bier maakt de beentjes los. Er wordt volop gedanst en gezongen.

En gedronken.

Als we die nacht rond twee uur de boot opzoeken, heb ik in de linkerhand een lege koelbox en in de andere een halve fles witte wijn van Riet. Het is zonde om de wijn weg te gooien, die smaakt morgen ook nog wel.

Riet gaat als eerste mijn kunstig gemaakt trapje af, daarna volg ik. Alles gaat prima en ik kom zonder ongelukken bij de loopplank. Staande op de plank reik ik Riet, die op de voorplecht staat, de koelbox aan. Nu kan ik me aan de reling van de boot vasthouden om er overheen te stappen.

Ik ben aan boord en kijk nog eens om naar dat mooie trapje. Dan wil ik via het gangboord naar de stuurhut lopen, stap met een voet in een eindje touw, struikel hierdoor en duikel overboord.

Riet heeft niets gezien, maar hoort wel een harde vloek en een plons. Verbaasd kijkt ze om zich heen, maar ziet me uiteraard niet.

“Henk, waor bende?” Ze spreek ook al aardig Brabants.

“Hier!” roep ik met een benauwde stem.

“Waor? Ik zie oe nie.”

Riet kan me ook niet zien, vanwaar zij staat.

“Hier, godver. Schiet op, help me, waant ik verzuip drèk.”

Riet loopt op de voorplecht naar bakboord en kijkt over de reling in het donkere water. Daar ziet ze me hangen: met mijn rechterbeen omhoog in een touw verstrengeld, mijn linkerhand steunend op de rivierbodem en mijn mond net boven water houdend. In mijn rechterhand houd ik de fles wijn omhoog. Ze schiet in een enorme lach, als ze mij zo ziet hangen.

“Hoe krijgd’t vur mekaor,” schatert ze.

“Lach verdomme nie, mar môkt dè touw los,” snauw ik tegen haar. “Ik verzuip.”

Lachend ontwart Riet het eindje touw en ik plons nu helemaal in het water. Drijfnat klauter ik tegen de stenen op naar de loopplank en klim weer aan boord. Mopperend loop ik over het gangboord naar de stuurhut.

“Hier blijve staon,” commandeert Riet nog steeds lachend. “Ge bent zeiknat. Ik pak wel effe droge klere.”

Ik droog me af en trek andere kleding aan. Riet staat intussen de fles wijn te bestuderen.

“Die wijn kunne we wel weggooie,” legt ze grinnikend uit. “Die halve fles is wir hillemaol vol!”

Ze kiept de inhoud van de fles overboord.

“Hedde oew eige zeer gedaon?” vraagt ze nog bezorgd. Ik schud mijn hoofd.

“Alleen mijn linker haand doet wa zeer.”

Ze neemt de hand voorzichtig in haar handen.

“Niks aon te zien,” zegt ze en vervolgt glimlachend: “Het trapke heej toch goed zun dienst gedaon!”

 

Twee weken lang loop ik met pijn in mijn hand en beluit ik toch maar naar de huisarts te gaan. Die stuurt me meteen door naar het ziekenhuis voor een foto. Daar wordt de hand gelijk in het gips gezet, want het bot aan de pinkzijde, ik meen de ellepijp, is gebroken.

“Daar gaat mijn biljartkampioenschap,” is mijn eerste gedachte. Over twee dagen moet ik vier dagen lang biljarten voor de driebandentitel in poule 2 van de Rijense Biljart Federatie.

Het valt echter geheel anders uit. Ik doe toch mee aan de driebanden titelstrijd en heb nog nooit zo’n hoog algemeen gemiddelde gespeeld en wordt uiteindelijk tweede. De rede?

Nog nooit heb zo’n vaste voorhand gehad!

© Henk M. van Oosterwijk 

Naschrift:

De boerderij in de Biesbosch is een tiental jaren geleden gesloopt en de polder De Plomp stroomt bij hoogwater vol in het kader van “Ruimte voor de rivieren”. Zo worden elders overstromingen voorkomen. Iets verder de Palingsloot in staat nog de gerenoveerde ‘Zwarte schuur’, hoog genoeg om droog te blijven.

Toen zag ik Riet

Is veertien, vijftien of zestien jaar te jong om vaste verkering te hebben? Waarom denken wij, ouderen, dat kinderen en kleinkinderen altijd kind blijven? Hoe dikwijls horen we de opmerkingen: ‘Ze is pas zestien en al een vaste vriend. Ik snap het niet: ga eerst eens van je jeugd genieten op die leeftijd.’

Of het cliché: ‘Vrouwen? Ze delen je plezier, maar verdubbelen je uitgaven en vermenigvuldigen je leed!’

Zijn wij zwartkijkers geworden? Een stelletje ouwe negatievelingen met een slecht geheugen? Denk toch eens terug aan je eigen jeugd. Hoe vroeg waren jullie erbij?

Sommigen van ons dachten zelfs, dat ze erover zouden schieten en klampten zich aan het eerste beste meisje (of jongen) vast, die ze tegen kwamen. Weet je nog, dat wij als jongens tegen elkaar zeiden: “Als ze twee emmers water kunnen dragen, dan kunnen ze ook ………..” Vul het zelf maar aan! Wij wachtten ook niet tot ons dertigste!

 

Neem mij nou.

Ik ben een verlegen manneke van zestien, als ik Riet zie. Ik ben meteen verkocht. Ik besef dat zelf nog niet. Riet ziet mij helemaal niet zitten. Zij wil wel af van die rare snuiter, die elke keer in de polonaise aan haar schouders hangt!

Het is tijdens een carnavalsbal, begrijpt u, het Harmo-RAC-bal in zaal Tivoli. Riet woont pas op de Rijen, kent het uitgaansleven totaal niet en maakt voor de eerste keer een carnavalsbal mee.

Op aandringen van vriendinnen is ze meegegaan naar dit gesloten bal om ook eens lekkere te genieten. Maar niet van half dronken jongens, die aan haar schouders hangen! Ze heeft andere ideeën over romantiek en gezelligheid.

 

Wij zijn dus zestien en mogen in de kroeg al een biertje pakken. Thuis voordrinken is er helemaal niet bij, maar we lessen onze dorst toch wel. Met pils en donker bier proberen we een status van gezelligheid te creëren en dat lukt meestal wel.

Het is daarom geen wonder, dat die avond in Tivoli de liefde tussen Riet en mij niet ontbrandt: de vlam wordt gedoofd door alcohol.

Maar ik ben verliefd en dat meisje met haar lange blonde haren blijft maar in mijn kop hangen, al is die deze avond ietwat beneveld.

 

Twee weken na carnaval ontmoet ik haar op een zondagmiddag toevallig in cafetaria Den Bakker. We geraken aan de praat en nemen samen een ijsje op mijn kosten. Ik kom erachter, dat ze Riet heet en even later noemt ze mij ook bij de voornaam, Henk. Ze spreekt aardig Nederlands AB en dat probeer ik ook, alhoewel mijn Brabantse accent altijd te horen is. Onder het praten zie ik, dat ze haar portemonnee op de barkruk heeft liggen, waarschijnlijk omdat ze zelf het ijsje wilde betalen Met een snelle beweging steek ik die in mijn jaszak.

Een vijftal minuten later roept ze plots:

“Ik ben mijn portemonnee kwijt.”

Zenuwachtig zoekt ze in haar tas en jaszakken, maar vindt haar beurs natuurlijk niet.

“Waar bende zoal geweest,” vraag ik.

“Alleen bij Tivoli.”

“Dan gaon we daar eens kijken. Ik loop wel met je mee!”

Samen stappen we in een stevige pas naar zaal Tivoli, maar daar is niets gevonden, wat ik niet gek vindt.

“Laoten we hier maar wat drinken. Ik betaal wel,” zeg ik op een troostende toon. “Misschien brengt een eerlijke vinder de portemonnee naar het politiebureau en kunde die morgen ophalen.”

Riet legt er zich maar bij neer, maar is niet blij met deze situatie.

Uiteindelijk beken ik de diefstal en geef met een glimlach haar beurs terug. Ze is blij, maar geeft me een klap tegen de schouder.

“Rotjong,” lacht ze. “Doe dat nooit meer! Maar ik moet naar huis, want ik heb beloofd, dat ik vanavond zal koken.”

“Ik loop wel mee, als je het goed vindt,” antwoord ik. “Ik moet toch ongeveer die richting uit.”

Ik weet, dat ze op het Burgemeester Sweensplein als hulp in de huishouding inwoont. Het is wel een kleine omweg voor mij, maar ik heb het ervoor over!

 

Het is mijn vaste gewoonte om elke woensdagavond in het Patronaat aan de Tuinstraat naar een knokfilm te gaan kijken. In de midweek vertoont de familie Aarts altijd oorlogsfilms, wildwest of gewoon bijvoorbeeld Eddy Constatini als detective, die behoorlijke vuistslagen kan uitdelen. Tot mijn verrassing zit Riet ook in de zaal, enkele rijen voor me. Ze houdt blijkbaar ook van dit soort films.

Na afloop breng ik haar weer naar huis en nu blijft het niet bij praten. We steken samen het plein over en trekken ons terug in een portiek van de gymzaal, waar het licht van de lantaarnpaal wordt tegengehouden door een muurtje, zodat we onzichtbaar zijn.

Hier valt onze eerste kus.

Het is zalig.

Terwijl ik verzink in een overweldigend gevoel, hoor ik Riet zachtjes tegen me zeggen: “Meen je het?” “

Meen je het? Natuurlijk meen ik het; ik ben smoorverliefd!

“Natuurlijk!” fluister ik in haar oor, alleen de woorden ‘ik hou van jou’ komen nog niet over mijn lippen.

Ik kus haar nog eens extra en bedenk daarbij, dat het niet de eerste keer is, dat ik een zeer goed gevoel heb bij het kussen van een meisje.

‘Deze is echt speciaal,’ denk ik toch in me zelf.

(Voor vervolg: zie hieronder)

Probleem

Na deze woensdagavond en die eerste kus blijven we elkaar ontmoeten. In het weekeinde trekken we zoveel mogelijk met elkaar op en de woensdagavond is een vaste afspraak in de bioscoop.

Riet werkt nu al een half jaar in Rijen en heeft, voordat ze me kent, vele vriendinnen gemaakt. Haar hartsvriendin is Maja, bij wiens ouders ze warm is ontvangen. Natuurlijk trekt ze ook veel met de meisjes op, want ik heb mijn voetbalsport, waar ik nogal wat uurtjes in steek. Ik maak intussen op zestienjarige leeftijd zelfs mijn debuut in het eerste team van tweede klasser RAC (Rijen) in een bekerwedstrijd tegen eerste klasse voetbalclub TSC uit Oosterhout. Na het voetbal is mijn meisje nummer één.

 

Er ontstaat echter een probleem.

Mijn vrijer-escapades zijn ook ter ore gekomen bij mijn ouders en mijn moeder is hier niet zo blij mee. Wat zij uit de volksmond heeft vernomen over Riet, heeft ze me nooit vertelt, maar op een dag zegt ze tegen mij:

“Henk, da gedoe meej da mèske, da bij van Alphen werkt, moet mar us afgelôpe zijn.”

Ik kijk haar verrast aan. Hoe weet zij, dat ik verkering heb? Thuis heb ik daar nooit over gesproken, ook niet over mijn avonturen met de eerdere meisjes.

“Hoezo moeder,” reageer ik.

“Omda ik nie zukke goeie berichte over heur heb gekrege,” antwoordt ze overtuigend, “en omda ik het zeg.”

Dat laatste is dus een bevel.

Die minder goede berichten snap ik niet. Mijn Riet gaat met leuke vriendinnen om, komt bij fijne families in Rijen en is van onbesproken gedrag. Maar ja, ge bent hier in een dorp en er wordt uiteraard veel geroddeld. De voorgangster van Riet kende in Rijen een niet zo’n beste reputatie en was blond, net als Riet. De vergissing is gauw gemaakt.

“Al is de leugen nog zo traog; is ie ’t wèèrd, da’s de vraog”, zeg ik tegen ons moeder. Dit is een goed Brabants spreekwoord.

Ook dit gezegde verandert de situatie niet.

“Ge schaait d’r uit meej da mèdje,” is haar laatste woord.

 

We blijven elkaar toch zien, Riet en ik.

Maar als het tegen de zomervakanties loopt, besluiten we als vrienden uit elkaar te gaan. Het gezeur van mijn moeder en de stiekeme ontmoetingen om het Rijense volk op een verkeerd been te zetten maakt ons samenzijn niet echt leuk.

Dit besluit valt ons beide zwaar, maar we zien geen betere uitweg.

“Misschien komt het nog eens goed met je moeder,” spreekt Riet mij moed in, “als we maar vrienden blijven.”

Met een laatste kus en een zachte streling door haar lange blonde haren laat ik haar gaan.

 

Vrienden blijven!

Dat verpruts ik al snel. Niet dat ik meteen in een ander liefdesavontuur verzeild raak, zeker niet. Ik heb echt liefdesverdriet, maar ik maak een foutje, waardoor Riet een beetje boos op me wordt.

Het gebeurt in de Stationsstraat.

Ik loop daar in mijn eentje richting het centrum, als aan de overkant een leuk meisje op hoge hakken komt aangetrippeld.

Een beetje in gedachte loop ik haar voorbij.

“Wat een leuke griet. Blond kortgeknipt haar, mooi gezichtje,” denk ik nog. Ik kijk niet meer om.

Had ik dat maar wel gedaan, want aan de andere zijde van de straat is Riet stil blijven staan en kijkt verbaasd om hoe ik doorloop. Normaal gesproken kijk ik om. Je wilt toch ook even de kuiten en het strakke kontje van een meisje zien! Normaal wel ja, maar ik heb even geen interesse.

Wist ik, dat Riet haar lange blonde krullen door haar vriendin had laten afknippen. Maja is bezig haar papieren als kapster te halen en mijn Rietje ging met haar mee als model. Die korte kop met haar geeft ze een geheel ander aanzicht en daar kijk ik nu even niet doorheen.

Riet staat eerst wat beduusd en dan boos mij achterna te kijken.

“We zouden toch vrienden blijven,” schiet het door haar heen. “Nou, hij bekijkt het maar.”

Het gevolg is, dat ze me gaat mijden en daarbij komt nog de vakantietijd, waarin ik een aantal weken niet thuis ben. We zien elkaar niet meer.

 

Het is drie maanden later.

De derde zondag van oktober begint de kermis in Rijen. Ik houd van feesten, dus de Rijense kermis wordt door mij omarmd. Die eerste kermis dag dweil ik met mijn vrienden van kroeg naar kroeg en die zijn er in 1960 veel in Rijen. Halfweg de avond loop ik via de achterdeur bij Boerke Jacobs het café uit, al met de nodige biertjes op. Ik steek de achterplaats over richting het zaaltje De Doelen’, behorende tot het complex van het Boerke.’

Riet komt net de zaal uitlopen.

Wat er dan gebeurt is onuitsprekelijk.

We blijven allebei stil staan. Kijken elkaar aan zonder woorden. Dan vallen we in elkaars armen. Hier ontstaat de vurigste kus, die ik tot dan in mijn leven heb beleefd.

Het is goed.

Het voelt goed: Riet in mijn armen.

We kijken elkaar opnieuw aan. Er komen geen verwijten, geen excuses, geen discussies. Even staan we woordeloos aan elkaar geklemd.

“Iets drinken?” verbreek ik de stilte.

“Biertje,” antwoordt Riet glimlachend.

“Biertje,” zeg ik verbaasd, “je drinkt toch geen alcohol?”

“Sinds vanmiddag donker bier, het is toch kermis.”

We lopen de zaal in en ik haal een flesje donker bier en een tapke. We hebben beide het gevoel, alsof we pas gisteren uit elkaar waren gegaan. We praten overal over, behalve over de drie maanden, die we met elkaar gemist hebben.

Wat is het leven toch simpel als je echt van elkaar houdt.

 

Pas maanden later hoor ik het verhaal van Riet over de ontmoeting in de Stationsstraat, toen ik haar zonder te groeten voorbijliep. Het kan soms raar gaan in een mensenleven.

In zo’n situatie kan een rollend dubbeltje twee kanten opvallen. Bij ons viel het de goede kant op.

Henk M. van Oosterwijk 

Kennismaking met een hoogstandje (2)

"Mijn lievelings zusje Ida gaat trouwen op de zesentwintigste juli en wij zijn daarbij uitgenodigd!"

Met deze mededeling komt Riet met een blij gezicht bij me. Ze verheugt zich erop even terug te keren in de Achterhoek, waar ze in het plaatsje Zieuwent opgroeide.

"Zou je mee kunnen?" Ze kijkt me met een blijde lach en een hoopvol gezicht aan.

"Ik wil gère mee," zeg ik aarzelend, "mar ik mot ‘t wel irst thuis overleggen meej mijn ouwelui."

Ik wil de broers en zusjes van Riet echt eens leren kennen en een groot deel van de kinderen Stoops zal wel op deze bruiloft aanwezig zijn. Het is het jaar 1963 en we zijn beide twintig lentes jong. Een leeftijd, waarop je zelf toch wel beslissingen kan nemen, zou je denken. Niets is minder waar. ‘Zolang je thuis woont, zijn je ouders de baas,’ is een oude Brabantse regel.

 

"Daor komt niks van in!"

Moeder zegt het met een zeer beslissende toon in haar stem en daar is dan niets meer tegen in te brengen. Zij staat nog steeds argwanend tegenover de familie Stoops, want zoals u weet, is Riet niet bij haar eigen ouders opgegroeid.

Een week lang probeer ik ons moeder ervan te overtuigen, dat ik de familie van Riet moet leren kennen om over ze te kunnen oordelen. Het heeft geen nut; ze blijft bij haar beslissing.

 

Het is de donderdag 25 juli voor de bruiloft. Riet vertrekt alleen per trein naar Gelderland en vindt onderdak op een boerderij in Zieuwent.

Ik zit deze hele dag onrustig achter mijn tekentafel bij gebroeders Kin. Aan het eind van de werkdag neem ik een besluit.

 

"Ik gaoi mèrige naor de bruiloft van Riet's zus!"

We zitten met vieren aan de keukentafel ons avondmaal weg te werken: mijn ouders, broer Wim en ik.

Moeder kijkt me verbaasd aan.

"Daor zèn we toch over uitgesprôt!"

"Da klopt," reageer ik meteen, "dèrom gaoi ik drek naor 't station om te kijke, hoe ik mot reize en hoe laot de trein vertrekt. En daor valt nimmer over te praote! Ik ben van nun ouwer, dè’k hier zelf over kan beslisse."

Ik sta op van mijn stoel. Ons moeder wil nog wat zeggen, maar onze pa legt bezwerend zijn hand op haar arm.

"Lot um mar."

Meer zegt ie niet. Genoeg om een stroom van woorden tegen te houden. Mijn moeder komt er ook niet meer op terug. U moet geen verkeerde indruk krijgen van ons moeder, want ze was er altijd voor ons. Het is alleen bezorgdheid, die haar soms een stugge houding geeft. Maar nu berust ze in mijn besluit en later zal ze ook de familie aan haar borst sluiten.

 

Het is vrijdag 27 juli 1963.

Ik sta om vijf uur op en stap een goed uur later op de trein naar Arnhem. Daar stap ik over, volgens de gegevens van de Rijense spoorbeambte, richting Zutphen en pak daarna het boemeltreintje naar Groenlo. Achteraf had ik beter de bus van Arnhem naar Lichtenvoorde kunnen nemen, maar ja, de voorbereiding was van korte duur.

In ‘Grolle’ aangekomen kom ik erachter, dat er de eerste uren geen bus richting Lichtenvoorde gaat en zeker niet naar Zieuwent! Behulpzame Achterhoekers leggen mij uit, dat het binnen door ongeveer elf kilometer is naar het centrum van Zieuwent, want daar zal het trouwen wel in de kerk plaatsvinden. Ik heb geen trouwkaart, geen adres, geen telefoonnummer.

Dus ga ik maar lopen.

Met mijn voetbalconditie moet ik toch wel ver binnen de twee uur in Zieuwent kunnen zijn, bedenk ik.

Over de Lievelderweg stap ik vol goede moed richting Lichtenvoorde. Na een half uurtje lopen stopt een auto naast me. Achter het stuur zit een in overal geklede man. Hij draait het raampje van zijn wagen open en vraagt: “Kan ik je een lift geven?”

Ik leg hem uit, dat er vanuit Groenlo geen bus meer rijdt rond deze tijd en dat ik naar Zieuwent moet voor een bruiloft.

“Stap maar in,” zegt de boer, “ik moet naar Varseveld en kom langs Lichtevoorde. Ik kan je op de Zieuwentseweg afzetten, dan is het nog maar een paar kilometer.”

Nog geen tien minuten later zet hij me op de Zieuwentseweg af.

“Wat zijn de taxikosten?” Vraag ik hem, want dit scheelt me al een ruim uur lopen.

“Nee, niets. Heb maar een gezellige dag en een fijn bruilofsfeest!”

“Bedankt.” Roep ik door het raampje naar binnen.

De vriendelijke Achterhoeker rijdt door en ik begin weer te stappen. Langs een cafeetje en wat boerderijen.

Ik besef het op dit moment niet, maar ik passeer ook de boerderij, waar Riet een achttal jaren bij de familie Kolkman als pleegdochter heeft gewoond. In Zieuwent kent men de familie als ‘Bartels’ en zelfs mijn vrouw wordt ‘Bartels Rietje’ genoemd.

Ook ben ik niet op de hoogte, dat Riet tegenover dit oude pleegouderhuis de nacht heeft doorgebracht. Bij haar oude buren en schoolvriendinnetje.

Ik loop dus deze steeën voorbij. Nog twintig minuten, denk ik bij mezelf. Vermoedelijk kom ik op tijd voor de kerkdienst.

 

Riet is met nog enkele meiden opgehaald door een taxi en vertrekt daarmee richting de kerk in Zieuwent. In een flits ziet ze mij lopen, als de auto mij passeert.

“Stop!” roept ze hard. De chauffeur schrikt, remt af en zet de auto langs de kant. Hij draait zich naar de achterbank.

“Wat is er aan de hand?”

“Het kan bijna niet, maar ik denk dat daar mijn vriend Henk loopt. Die zit toch in Brabant!”

Vol ongeloof stapt ze uit en vliegt in mijn armen.

Het feest kan beginnen!

 

Het wordt een prachtig trouwfeest!

Na de huwelijksinzegening van Ida Stoops en Theo Immink begeven we ons naar feestzaal Bongers voor een koffietafel. Daar leer ik alle zes de broers, Bertus, Joop, John (Jan), Ruud, Fred en Frans, en vier van de zes zussen, Ida, Lenie, Tonny en Henny, van mijn vriendin kennen. Ze staan gezamenlijk op een foto, helaas is Riet er niet bij, want die is weer de hort op!

Een gezellige hecht lijkende familie, die uit alle hoeken van Nederland komt. Grathem Limburg, Amsterdam Noord-Holland, Rotterdam Zuid-Holland (de geboortestad van de hele ploeg), Zaandam Noord-Holland, Lichtenvoorde en Zieuwent Gelderland. De familieband is er, maar doordat de kinderen altijd gescheiden gehouden zijn van elkaar is die band erg rekbaar. Een familie, die elkaar ziet op deze speciale feestjes en daarnaast bijna geen ontmoetingen kent.

Die middag, tussen koffietafel en diner als de receptie van het bruidspaar plaatsvindt, hebben we elkaar veel te vertellen en hieruit zullen vele wederzijdse bezoeken volgen!

 

Het feestje 's avonds is ook geweldig en aan het einde van de avond, zeg maar middernacht, komt het hoogstandje.

Het Grolsch nat wordt door de Achterhoekse jonge generatie met vele deciliters ingenomen, niet uit de beugelfles maar gewoon uit de biertapkraan. Ik wil daar niet voor onderdoen en probeer hen te volgen.

Als Brabander moet je de eer als Bourgondiër hooghouden, niewaar? Eigenlijk moet je zelfs boven de Achterhoek uitstijgen.

Dat doe ik!

Terwijl de Achterhoekers, die een grote reputatie hebben betreffende hun Grolsch drinken, zich vast moeten klemmen aan de bar om te voorkomen dat ze neer storten, loop ik op mijn handen nog even voor de tapkast heen en weer!

Wat je toch allemaal wil bewijzen in je jeugdige overmoed!

 

Na deze ontmoeting is de familie Stoops bij mijn moeder van harte welkom en daar hebben ze ook veel gebruik van gemaakt.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Hofke in't zaod

“Hèdd’t hofke al in’t zaod staon?”

Dit is in de jaren ’60 van de vorige eeuw een algemeen gestelde vraag, als ge pasgetrouwd bent. Riet en ik zijn op 21 april van het jaar 1967 in het huwelijk getreden en betrekken een woonhuis in de Hoofdstraat naast bakker Speekenbrink op de Rijen.

In de sixties is het normaal, dat de vrouw al snel na de huwelijksvoltrekking zwanger wordt en meneer Pastoor weer een lid aan zijn Heilige Familie kan toevoegen. Zo gaat dat in het Roomse zuiden!

Bij ons lukt dat echter niet zomaar. De dokter heeft ons uitgelegd, dat we voorlopig niet op kinderen hoeven te rekenen. Dat doen we dan ook niet en genieten volop van het uitgaansleven.

 

Amper twee jaar na onze trouwdag verhuizen we naar een appartementje in Breda. Nadat onze woning is ingericht, besluit Riet om werk te zoeken. Thuis zitten is ook maar eenzaam in zo’n stad als Breda, waar je bijna niemand kent en een extra centje kunnen we na de verhuizing wel gebruiken.

Ze vindt vlakbij onze woning bij een vestiging van Philips een baantje. Na een medische keuring kan ze in de loop van maart meteen aan de slag.

 

Nog geen maand aan het werk wordt ze voor een gesprek bij personeelscheffin geroepen. De afspraak is op de 21e april, onze trouwdatum. Hoe toevallig kan dit samenvallen!

Een beetje zenuwachtig is Riet wel. Zal ze een vaste aanstelling krijgen? We weten het niet.

“Gaat u zitten, mevrouw van Oosterwijk,” begint de dame van personeelszaken. “Mag ik u feliciteren?”

Ze steekt haar hand uit en schudt die van Riet, die verbaasd vraagt:

“Oh, dank je wel. Leuk dat jullie aan onze trouwdag denken!”

“Trouwdag?”

De dame achter het bureau kijkt haar niet begrijpend aan.

“Ja, onze trouwdag,” legt Riet uit. “Mijn man Henk en ik zijn vandaag twee jaar getrouwd!”

De personeelsdame weet even geen woorden te vinden om het werkelijke nieuws hier te vertellen. Hoe moet ze dit aanpakken?

“U bent zwanger, dat weet u toch?” flapt ze er dan uit.

Zeker twintig seconden blijft het stil in het kleine kantoor, en dat is in deze situatie erg lang. Dan dringen de woorden van personeelszaken pas goed tot Riet door.

Zwanger? In verwachting? Ik? Wij?

Dan verschijnt er een brede lach op haar gezicht.

“Zwanger? Is het echt waar? Dat kan toch niet! Ik kan het niet geloven!”

De personeelsdame kijkt haar een beetje wantrouwend aan en vertelt dan over de medische keuring, die Riet heeft ondergaan. Na die keuring is de bedrijfsarts op vakantie gegaan. Pas nu blijkt hij de resultaten van het onderzoek te hebben bekeken en daarin wordt gesproken over een zwangerschap.

“Oh, maar dat is geweldig,” roept Riet uit. “Wat zal Henk blij zijn!”

De bureaudame kijkt wat bedrukt, glimlacht dan, maar weet niet goed, hoe ze deze situatie moet aanpakken.

“Ik zie dat je blij bent, mevrouw van Oosterwijk,” gaat ze aarzelend verder, “maar er kleven ook andere zaken aan deze uitslag. Als dit rapport eerder bekend was geweest, hadden wij u geen baan aangeboden.”

In de blijdschap over haar zwangerschap ontgaat Riet de dreiging, die in deze woorden liggen.

“Maar ik ben aangenomen, ik ben aan het werk, en ik ben zwanger!”

De cheffin trekt nog een ernstiger gezicht, nu zonder glimlach.

“Sorry, maar ik moet u toch uw ontslag geven,” zegt ze met echt gemeende spijt in haar stem. “Zwangere vrouwen worden volgens de regels van de wet niet aangenomen, maar als ze in dienst zijn en zij geraken in verwachting, worden ze meteen ontslagen. Dat is de wet, ik kan daar ook niets aan doen.”

Ze haalt verontschuldigend haar schouders op. Wet is wet. Zij wil het liever ook anders.

 

Nu (2018) is dit compleet anders: zwangere vrouwen werken gewoon door, presenteren programma’s op teevee en staan zelfs daar ook het weer uit te leggen! Mooi toch?!

 

Die avond vertelt Riet de hele geschiedenis aan mij. Ze weet niet, of ze nu blij moet zijn of teleurgesteld. Het werk bij Philips doet ze met plezier en dat laat ze niet graag schieten. Echter zwanger zijn is een zegening, vooral omdat wij daar nog niet op gerekend hebben!

“Nie druk maoke,” probeer ik haar op te beuren. Zelf ben ik door het dolle heen: vader worden is toch prachtig! Wat maakt mij die Philips en dat salaris uit!

“ ‘t Is toch schôon, dè we nun zeun of dochter krijge,” probeer ik haar op te vrolijken.

“Ja, maar ik verdien nu lekker en daar kunnen we van alles van doen,” brengt Riet nog als zwak tegenargument. “En ik zit nu niet alleen thuis overdag.”

“Meej da geld komt alles wel goed,” sus ik, “desnoods maok ik wa meer uurkes of schrijf wa meer veur De Stem. En straks bende toch meej tweeje thuis!”

Natuurlijk krijgt nu terecht de zwangerschap en blijdschap de overhand boven het baanverlies.

 

Wat we niet verwachten, meldt zich op een dag vanzelf aan: uitkeringsinstanties van een of andere verzekering. Riet is intussen ontslagen en zit thuis.

Ze krijgt bezoek van twee heren, die haar allerlei vragen komen stellen. Vooral over haar laatste menstruatie!

En waarom? We weten het niet in onze oprechtheid en onwetendheid! Daarom bel ik een van die heren de volgende dag op met de vraag, wat voor streken het allemaal zijn om mijn vrouw thuis lastig te vallen over zaken, waar niemand iets mee te maken heeft!

“Mijnheer,” klinkt het aan de andere zijde van de telefoon, “wij hebben opdracht om te onder zoeken, of uw vrouw uitkeringsgerechtigd is.”

“Uitkeringsgerechtigd?” antwoord ik verbaasd, “ze krijgt geen ww, als u dat bedoelt.”

“Nee meneer,” verklaart de verzekeringsman, “volgens de wet heeft ze daar ook geen recht op. Maar bij de geboorte van uw kind heeft ze wettelijk wel recht op twaalf weken uitkering van tachtig procent van haar loon bij Philips! Vandaar ons bezoek.”

Ik ben verrast. Dat wist ik niet! Oké, een meevallertje dus.

“Prima,” spreek ik door de telefoon, “maar bij een volgend bezoek van u wil ik er graag bij zijn.”

 

Zo geschiedt.

Nog twee keer worden we door de verzekeringslieden bezocht met opnieuw bijna dezelfde vragen als tijdens hun eerste bezoek. Nu met mij erbij natuurlijk. Ik heb het vermoeden, dat ze ons van fraude en gesjoemel met data verdenken. Later kom ik erachter, dat Riet op een sollicitatieformulier heeft aangegeven niet zwanger te zijn.

Maar we wisten het ook niet!

Als goede verzekeraar is men zuinig met uitbetalen. Dus gaan ze ervan uit, dat wij bewust bij Philips gesolliciteerd hebben om de uitkering te kunnen vangen!

Voor ons is de mededeling van de personeelsdame echter een blijde verrassing, een surprise die ons gehele leven zal veranderen!

 

Zo wordt in december 1969 onze zoon geboren: Raymond en ruim een jaar later staat “’t hofke wir in’t zaod”. Dochter Susanne is aangekondigd!

Met Raymond komt er een uitkering binnen van twaalf weken Philipsloon.

Een leuk bedrag, dat best te pas komt bij onze gezinsuitbreiding!

© Henk M. van Oosterwijk

 

Kennismaking met een hoogstandje

Ik ben in mijn achttiende levensjaar.

Het is al héél lang geleden,1961.

Ruim een jaar hiervoor leerde ik Riet kennen. Ze werd in Rotterdam geboren, maar door haar ouders in de Tweede Wereldoorlog verlaten. Via een zwerftocht, begeleid door de Rotterdamse Kinderbescherming, langs de nonnen in Baexem (Limburg) naar een pleeggezin in Zieuwent (Gelderland, Achterhoek), waar ze op haar manier gelukkig was. Ze was toen vijf jaar. Na de lagere school verhuisde ze opnieuw naar een klooster annex bejaardenhuis in Keijenborg, ook in de Achterhoek, waar ze huishoudschool onderricht kreeg, maar vooral in het bejaardentehuis moest werken. Na één jaar werd ze weer overgeplaatst naar een ander klooster, in Rijsbergen; steeds bij de Zusters van Bethanië. Het waren Diaconessen. Toen ze zestien was, werd ze als intern dienstmeisje bij de gemeentesecretaris in Rijen te werk gesteld en moest ze haar eigen kostje bijeenscharrelen.

Riet had lang blond haar, een mooi gezichtje, groen/blauwe ogen en goed figuur. Vanaf het eerste moment, dat ik haar zag, was ik verliefd op haar. U zult denken: alweer! Maar deze keer was het goed raak!

De hele achtergrond en opvoeding van Riet deed mijn moeder besluiten deze verkering te verbieden, hoewel ze er het fijne niet van wist. Ook misschien, omdat de Rijense roddels vele verhalen over haar voorgangster de ronde lieten gaan. Ik weet het niet.

Maar liefde is blind, maar vooral ook sterk. Ik bleef Riet twee of drie keer per week zien ondanks het verbod. Op zaterdagavond in de dorpskern bij cafetaria Apélufra, in Rijen beter bekend als ‘Dun Bakker’.  Zondagavond in de danszaal van Tivoli of De Leren Zool en op woensdagavond in de filmzaal van Het Patronaat in de Tuinstraat. Ons moeder wist dat, maar was er niet gelukkig mee. Een meisje met 'slechte' ouders kan geen goede partij voor je zijn, vindt ze. Meestal blijft dit onderwerp thuis onbesproken, maar soms uit ze haar ongenoegen tegen mij.

"Ma, laot ze dan nun keer meej mèn naor huis kome, dan lirde ze kenne," reageer ik dan, maar het heeft totaal geen vat op haar.

Onze pa moeide zich nooit met deze gesprekken. In stilte gunde hij mij m'n pril geluk wel, maar zegt steevast: "Henk, ge bent nog zo jong, ge hèt tijd zat," met direct daaropvolgend: "Ge wit ut: wà oos ma in durre kop heej, hèt ze nie in der kont!”

 

Terug naar 1961.

Ik heb een voetbalvriend, Dieter Müller, in Duitsland. Hij woont in het plaatsje Soest, in de heuvelen van Sauerland gelegen in de deelstaat Noordrijn-Westfalen. Het stadje, ter grootte van Oosterhout NB, bevindt zich onder de rook van Dortmund. Ik leerde Dieter kennen tijdens een jeugdvoetbaltoernooi in Rijen, toen hij als speler van Soest bij ons werd ingekwartierd. 

Later bezochten Jan Sijbers en ik hen in Soest. Jan is iets ouder dan ik en reed een Jawa motor, waarmee we voor twee weken naar Sauerland snorden. Ons tentje mochten we bij Dieter in de tuin opstellen. Niet dat we daarin geslapen hebben, want we kregen overal bij onze voetbalvrienden eten en een slaapplaats.

 

Een jaar na ons bezoek aan Soest komen ma Müller en Dieter een weekeindje bij ons in Rijen logeren. Die zaterdagavond wordt een gezellig treffen, waarbij Frau Müller mij plotseling de vraag stelt: “Hein (ze noemt me Hein, omdat Henk blijkbaar moeilijk uit te spreken is in haar Duits), haszt du keine Freundin?”

Even valt er een stilte in de kamer.

Dan antwoord ik, mijn moeder aankijkend: “Jawohl, seit zwei Jahren.”

“Wo ist sie jetz?,” is de wedervraag.

Ik denk even na en vertel haar dan het hele verhaal.

" Warum lassen Sie das Mädchen nicht hierher kommen?” vraagt Ma Müller aan mijn moeder.

"Nee, Henk is nog te jong," is haar verweer en de discussie is meteen gesloten.

 

Op zondagmorgen zitten beide moeders in onze 'goeie kamer' (de voorkamer achter de schuifdeuren), terwijl Dieter en ik, en mijn kleinere broertje Wim (net dertien geworden) ons in de huiskamer vermaken. Plots gaan de schuifdeuren open en stapt ons moeder de kamer binnen.

"Henk," zegt ze, mij aankijkend, "Gaod’oew mèske mar us haole!"

Ik ben verbouwereerd door deze woorden!

Riet halen? Nu? Op zondagmorgen? Hoe zo?

Ik denk echter niet lang na en antwoord:

"Ik euh, ik wit nie, of ze al vrij is." Maar ga meteen verder met: "ik fiets ur wel gaauw effe naor toe."

Riet bij me thuis, hoe kan dat nou? Waarom is mijn moeder nu ineens totaal van mening veranderd?

Later hoor ik, dat ma Müller haar gezegd zou hebben: "Frau Osterwiek, sicherlich können Sie die Freundin von Hein hier besser kommen lassen. Dann sehen Sie, was für ein Mädchen es ist."

En daar is mijn moeder ineens van door de knieën gegaan. Adviezen van vreemden doen het meestal het beste!

 

Ik zet mijn fiets tegen de gevel van het woonhuis aan het Martveld en bel aan. Riet doet open. Ze heeft een schort voor, dus ze is nog aan het werk.

"Riet, oos moeder wil kennis meej oe maoke! Kunde weg?"  Val ik maar meteen met de deur in huis. Ze kijkt me verbaasd aan.

"Nu, meteen?" komt er aarzelend uit. Ik knik.

"Moet ik even aan mevrouw van Alphen vragen," antwoordt ze zachtjes. "Even vragen of ik al weg mag." Ze loopt de gang in en nog geen dertig seconden later is ze al terug.

"Ik kan weg. Even iets anders aantrekken."

Ze loopt de trap op. Een kleine tien minuten later is ze terug. Rok tot net op de knieën en niet opgemaakt. Alleen wat lichte lippenstift op haar lippen. Ze weet, dat ik een hekel heb aan poeder, wenkbrauwstift en oogschaduw. Naturel is ze veel mooier dan met al die grondverf, zoals ik de opmaakmiddelen noem.

Ze springt bij me achterop de fiets en weg zijn we, richting Laagstraat.

 

Dan komen we thuis aan.

Riet is wat gespannen en dat gaat niet snel over! Mijn moeder stel ik ook wat zenuwachtig voor. Ze schudden elkaar de hand, ma en Riet. Kussen is er niet bij; ons moeder is niet zo kusserig. Ook de anderen stel ik voor, zoals mijn broertje Wim. Deze laat zien, dat hij goede manieren heeft geleerd en biedt Riet een stoel aan. Die dertienjarige schelm heeft echter de zitting op scherp gesteld!

Riet neemt netjes plaats, zakt met zitting en al door het meubelstuk en wordt in een onmogelijk gevouwen houding in het geraamte van het onderstel geklemd. De knieën tegen de schouders gedrukt, de benen met nylons en hoge hakken de lucht in stekend en haar achterste totaal onderuit gezakt. Haar oksels steunend op het houten frame zit ze vastgeklemd in het raamwerk van de stoel. Ze kan alleen haar vingers nog bewegen en met de ogen knipperen!

In de lach schieten is onze eerste reactie, maar Dieter en ik schieten haar snel te hulp. We moeten stoel en Riet plat op de kokosmat leggen om ze uit het houten geraamte te bevrijden. Maar het lukt: Riet staat langzaam op, het schaamrood op de wangen.

"Gift niks, hôr meid," stelt ons moeder haar gerust, "da heeft dieje kleine geflikt. Waor is ie?"

Wimke is nergens te vinden natuurlijk; die zit op een veilige plaats zich verrot te lachen!

 

Riet voelt zich even niet prettig bij deze gebeurtenis, maar later hebben we allemaal kunnen lachen om dit voorval. Wim had de houten hoeksteuntjes uit de stoel verwijderd, zodat de zitting er los in was gekneld.

Die eerste kennismaking tussen ons moeder en Riet is dus een ‘hoogstandje’ geworden. Door de schelmstreek van Onze Wim om nooit meer te vergeten.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Er brandde één kachel

Wat was vroeger het leven toch eenvoudig.

Als ik vroeger zeg, ga ik terug naar de begin jaren vijftig in de 20e eeuw. Mijn ouders betrokken een nieuwgebouwd huis in de Laagstraat in Rijen, eigendom van mijn grootouders. Het pand was hartstikke nieuw. Wij waren toen goedkoop in het gebruik van energie, iets wat bij die tijd hoorde: zuinig zijn met alles. Vier flesjes bier en een halve liter jenever op de kelderbank voor eventueel bezoek en een fles prik voor ons op de zondag.

Soms heb ik heimwee naar die tijd, die levenswijze half weg de vorige eeuw.

 

Water kwam uit slechts één kraan: de keukenkraan boven de granieten gootsteen. Alleen koud water, wel te verstaan. Als er warmwater nodig was, werd dat in een fluitketel of pan op de keukenkachel warm gemaakt en dat gebeurde alleen maar voor de huishouding. Om soep te maken of aardappels te koken; maar ook om de kuip van ons houten wasmachine te vullen.

Eens, eind jaren ’50, trapte mijn vader samen met veel buurtgenoten, in het verkooppraatje van een handelaar, die de deuren langs ging met een elektrisch doorstroomapparaatje. Het was een 220 volt geisertje van twintig centimeter hoog – een beetje eivormig, dat in plaats van de koudwaterkraan in de keuken op de waterleiding werd geschroefd. Het duurde enkele weken en het apparaatje gaf de geest. En zo geschiedde bij al onze buren. Telefoneren en brieven schrijven naar de handige handelaar hielp geen zier; het telefoonnummer bestond niet en de brieven bleven onbeantwoord!

Ook toen kon dat gebeuren!

Maar goed, onszelf wassen werd opnieuw gewoon gedaan met koud water, of het nu twintig graden boven nul of eronder was! Dat gebeurde dus aan de gootsteen in de keuken en eenmaal per week in een zinken teil in de bijkeuken. Water werd dus niet zoveel gebruikt en kostte ook maar een paar centen per kubieke meter.

 

In de kelder stond een gasmeter opgesteld met een gasleiding naar slechts één gasaansluitpunt: een tweepits groen geëmailleerd gasstelletje, dat ook weer op dat granieten aanrechtblad stond. Het werd alleen gebruikt in de zomer, wanneer het te warm was om de kachel in de keuken te stoken, want het toenmalige stadsgas was veel duurder dan het in de jaren ’60 oprukkende aardgas uit Groningen.

 

Het meeste energieverbruik zat dus in het stoken van kachels.

Daarvoor ging ik een paar keer met ons moeder in augustus naar het bos. Niet om hout te sprokkelen, maar om mastappels (dennenappels) te rapen. Als in de keuken de kleine plattebuiskachel ’s morgens vroeg werd aangestoken, vulden we de vuurpot eerst met een oude krant en daarna met mastappels. Soms ook ging er nog een scheut petroleum bij om de kachel snel brandend te maken. Als die dennenappels goed branden werd met de kolenkit de pot verder gevuld met antracietkolen. Soms kocht mijn vader eierkolen – samengeperst kolengruis in een ronde vorm – of van die langwerpige kolenbriketten, eveneens samengeperst kolengruis. De eierkolen en briketten werden meer in de avond gebruikt, omdat ze lang doorgloeiden en dus lang voor warmte in huis bleven zorgen.

Verder werd alles wat brandbaar was in de keukenkachel gestopt, zodat er weinig afval overbleef. Ook oude schoenen, toen nog geheel van leer, zowel het boventuig als de zolen en hakken. De spijkertjes waren in de as terug te vinden.

Een kolenhok, gemetseld in de bijkeuken, werd door kolenboeren als De Hoon, Heijnen of Willebrords voor de winter volgestort met een mud (70kg) of zeven, acht antraciet, meestal genoeg om de winter door te komen.

 

De keukenkachel was de hoofdverwarming in ons huis. Ons hele gezinsleven speelde zich grotendeels af in de keuken: koken, eten en radioluisteren. Populair in die jaren was het programma ‘De Bonte Dinsdagavondtrein’ met artiesten zoals Snip en Snap, Willy Alberti, Toon Hermans, Rudi Carrell, accordeontrio The Three Jacksons, Bob Scholte en Bobbejaan Schoepen. Dat was lachen en muziek, ontspanning van de hoogste plank!

De kolenhaard in de huiskamer werd alleen aangestoken, als er ’s winters in het weekeinde bezoek kwam. Omdat het steeds aansteken met papier, mastappels en hout zo arbeidsintensief was, besloten mijn ouders hier een oliehaard, geleverd door de firma Dekkers, te plaatsen met een tweehonderd liter tankje op een stellage naast het huis. Deze haard verwarmde zowel huis- als voorkamer, die gescheiden waren door schuifdeuren. De voorkamer, die wel een schoorsteen had, maar geen kachel, was gevuld met salontafel en vier fauteuils; alleen hoog bezoek werd hier toegelaten. Als er bijzondere gasten werden verwacht, dan schoof ons moeder de deuren tijdig open, zodat de warmte uit de huiskamer naar de voorkamer kon trekken.

 

De slaapkamers op de eerste verdieping waren niet verwarmd. Als ‘Vadertje Winter’ flink te keer ging en de temperaturen ver beneden nul kwamen, werd de gangdeur ’s avonds een tijdje opengezet.

“Dan kan de wèèrmte un bietje naor boven trekke,” legde ons moeder uit.

Maar ja, soms vroor het tot vijftien graden of erger onder nul! De ijsbloemen stonden dan op de ruiten!

“Ge slôpt ut lekkerst mééj bevrore ore,” zei ons vader altijd, maar hij zorgde wel voor genoeg wollen dekens, een dikke sprei en een breed zwaar kussen op het voeteind van het bed om voor ons de kou tegen te houden. En die oren trokken we ook onder de dekens!

 

Dan de elektriciteit.

De benedenverdieping bestond uit een voorkamer, zitkamer, entreehal, woonkeuken, bijkeuken, toilet en kelder. De kelder deed dienst als ‘koelkast’ en was tevens voorzien van een spekkuip, een aardappelhoek en banken om conserven of wekflessen op te zetten. Allemaal voorzieningen om etend de winter door te komen.

Alle ruimtes hadden één lichtpunt met wandschakelaar. De voor- en zitkamer, en de keuken en bijkeuken waren voorzien van elk één stopcontact. Op de verdieping waren drie slaapkamers, maar slecht één stopcontact op de overloop.

Buiten de lampen werd er weinig stroom verbruikt. In de keuken stond een radio voor het nieuws en de arbeidsvitaminen (een populair muziekprogramma, dat er elke ochtend op de werkdag was tussen tien en twaalf uur. Pas toen ik een jaar of vijftien was (1958) kocht moeder een kofferplatenspeler, waar we 45- en 33-toeren platen op konden draaien en ik naar Elvis Presley kon luisteren.

 

In de bijkeuken werd, na enkele jaren, een wasmachine geplaatst. Het was een houten kuip met elektromotor, die op vernufte wijze drie houten armen heen en weer liet zwaaien tussen het wasgoed. Op de kant van de kuip stond een wringer om, na het spoelen, het water uit het wasgoed te persen.

 In het begin moest moeder een teiltje water op de kachel zetten om het warme water in de kuip te gooien. Later kocht vader een elektrisch dompelelement, dat los in de kuip werd gezet om het water te verwarmen. Als moeder dacht de goede temperatuur te hebben bereikt, werd het element uit de kuip gehaald en de wasmachinemotor ingeschakeld.

Dan had moeder nog een elektrisch strijkijzer en een stofzuiger.

Dat was het eigenlijk.

Later kwam er nog een stikmachine bij, waarop ons moeder thuis schoenen en tassen in elkaar naaide. Onze eigen naaimachine was overigens nog met zo’n trapplateau, dus voetaandrijving.

 

Geen telefoon, geen telvisie, geen computer en bedenk er zelf nog maar een stapel apparaten bij. We hadden het allemaal niet nodig en we leefden toch gelukkig met elkaar.

Tjonge, ik zou zo weer terug in die tijd willen stappen! Ik wil niet zeggen, dat het toen allemaal beter was dan nu. Maar wel simpeler.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Raok me us aon

Ik heb verdriet

Heimwee

Verlangen

Nooit meer contact met jou

 

Ik heb gedacht

Gepeinsd

Getobd

Geen antwoorden gekregen

 

Ik heb gehuild

Getreurd

Gejankt

Eindelijk een zee van tranen

 

Mijn wangen nat

Gedrenkt

Gedroogd

Tegen beterweten in gezegd:

 

Hallo Riet, 

Waor bende,

Raok me us aon

Kom us effe naost me staon

Waor zitte

Ik mis oe

Kom noggus langs

Maar . . . . . . . . . . . . . . . . . 

© Henk M. van Oosterwijk

Blote meid

Het is ongeveer veertig jaar geleden.

In 1976 om precies te zijn. Riet en ik zijn aan een nieuw avontuur begonnen: het runnen van café ’t Halve Maantje aan de Dongenseweg in Rijen. Het centrum van Brabant.

Op Goede Vrijdag, voor Pasen dus, lig ik ’s morgens op de grond in het café naast het biljart te rollen van de pijn.

“Niersteenaanval,” kreun ik tegen mijn vrouw.

“Ik ga de dokter bellen,” antwoordt Riet en wil naar de telefooncel lopen.

“Nee, wacht,” reageer ik klagend, “we staan voor een druk weekeind. Laten we even afwachten. Misschien gaat het over.”

In 1970 had ik al een niersteenoperatie ondergaan, uitgevoerd door dokter Wierdak, een Poolse uroloog die zijn ervaring opdeed in de veldhospitalen tijdens de Tweede Wereldoorlog! Ik herinner me zijn onderzoek maar al te goed. Via een slangetje door mijn piemel naar de blaas bekeek hij mij van binnen en trok daarna in één ruk dat slangetje er weer uit. Er bleef geen piemel over!

“Niks wachten,” antwoordt Riet resoluut, ”ik ga bellen! Het werk hier los ik wel op!”

 

Een half uur later zit ik in de auto naast Riet, die me in het Ignatiusziekenhuis te Breda afzet. Na wat onderzoeken blijkt er inderdaad een steentje in de urineleider te zitten. Ik word naar de ziekenzaal gebracht om daar onder toezicht medicatie te ondergaan.

Wie ligt daar op die ziekenzaal? Christ Witlox!

Christ, de expediteur en grondverzetter uit Rijen, en stamgast van café ’t Halve Maantje. Hij is een dag voor mij hier binnengebracht met dezelfde pijnklachten en een niersteen, zoals ik.

We krijgen allebei medicatie, tegen de pijn en om de urinewegen te verweiden. U zult het niet geloven: tevens ontvangen we twee flesjes bier de man om het plassen te stimuleren.

In welk ziekenhuis krijg je bier?

Nou, in het St. Ignatius ziekenhuis te Breda!

Van dokter Mulder, die uroloog Wierdak is opgevolgd.

En het helpt!

Die middag vangt Christ zijn niersteen netjes op in een potje; en ’s avonds klettert mijn steentje, voor ik er erg in heb, tijdens het plassen in de wc-pot. Ik kan hem helaas niet meer terugvinden, maar overtuig het zustertje ervan, dat ik de steen werkelijk kwijt ben.

Je voelt het! Je bent opgelucht. Je plast weer gewoon. Nou gewoon, wel met een beetje pijn en wat bloed. Maar je steen is eruit!

 

We mogen echter het ziekenhuis nog niet verlaten. Zo makkelijk gaat dat niet in 1976!

Zo zitten we op zaterdagochtend, in afwachting van ons ontslag, een potje te kaarten. Christ, nog een nierpatiënt, ik en een oud pastoortje. Een katholiek heertje van drieëntachtig jaar, die ook graag en fanatiek een kaartje legt. Zo hartstochtelijk, dat we weinig kunnen winnen en dan slaat al snel de verveling toe, niewaar?

Ook bij Christ, die me knipogend aankijkt en dan plotseling omhoog springt. Met zijn rechterarm wijst hij naar het raam en roept: “Daor, un blote meid!”

Het oude pastoorke veert overeind, spoed zich naar het raam al roepend: “Waor?”Waor?”

“Daor op dè balkon,” antwoordt Christ, die moeite heeft zijn lach in te houden. Heel de zaal (we liggen er met acht man) schiet in de lach, terwijl het pastoorke door het raam staat te turen. Dan draait het manneke zich om.

“’k Zie wel un vrouw, die zit te zonnen. Mar die heej heur klere gewoon aon!”

Schijnbaar teleurgesteld loopt hij terug naar de kaarttafel en verdiept zich weer in zijn kaarten.

Het schaterlachen van zijn zaalgenoten hoort hij schijnbaar niet, want hij vraagt ongestoord:

“Wa was er ok wir troef?”

 

© Henk M. van Oosterwijk