Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Mooie Kerst

In de schemering van een koude Kerstavond loopt een grijzende man, met een banjo en rugzak om, een boerenerf op. Zijn haren zijn strak achterover gekamd boven een smal spits gezicht, waarin twee bruine ogen de omgeving aftasten.  Dan klopt hij op een achterdeur, waarschijnlijk de toegang naar de keuken. Een man in groene overall doet even later open.

“Ken ik u helpe?”

De banjoman knikt verlegen en mompelt: “Hebt u voor mij misschien een plaatsje in de schuur om te slapen?”

De boer kijkt hem lachend aan.

“Mar natuurlijk, man! ‘k Heb gin slaopkaomers mir vrij vanwege mijn zes kindere, mar in het hooi veine we wel un wèrum plekske. Hedde al gegéte?”

De banjoman knikt. “Ik hoef alleen een slaapplaatsje.”

“Lôp mar mee.” En de boer loopt richting zijn schuur en opent daar een kleine deur naast de hoge schuurdeur en gaat naar binnen. De banjoman volgt hem.

Als hij de schuur binnentreedt, komt de geur van het stoffige stro vermengd met de weeë lucht, die uit de nabijgelegen stal komt, hem tegemoet. Uit het gerammel van kettingen begrijpt hij, dat daar koeien zijn gestald.

De boer ontsteekt een olielamp, die aan de muur hangt.

“Zoek mar un plekske in het strooi.”

De boer wijst naar een trap, die naar de zolder leidt.

“Deze lamp en gin vuur gebruike hier,” stelt hij nog even de regels vast, “en ok nie roke.”

“Roken doe ik bijna nooit,” verzekert de banjoman zijn gastheer. “Af en toe eens een sigaartje bij een feestelijke gelegenheid. En licht is er genoeg voor mij.”

Hij wijst naar een stoffig dakraam, waar toch nog heldere maanstralen doorheen dringen. Ze voorspellem een koude nacht.

“Nou, truste dan.”

De boer draait de olielamp weer uit en zoekt zijn keuken weer op.

“Welteruste,” roept de banjoman hem nog na.

 

De grijze man klimt met rugzak en banjo de ladder op. Om zich tegen de komende koude te beschermen, trekt hij enkele bossen stro naar zich toe en bedekt zijn benen met een oude wollen deken. Zijn half versleten winterjas en gebreide muts zullen de rest van zijn lichaam aangenaam warm houden.

Hij rolt zich in zijn nestje van stro, legt nog even zijn hand op zijn muziekkoffer naast hem en probeert in slaap te komen. Het gerammel van de kettingen, dat vanuit de koestal weerklinkt, is voor hem het enige wat de stilte af en toe verbreekt.

Hij is een gezonde vent, die meestal meteen weg zakt in een droomloze slaap. De gehele dag snuift hij de frisse buitenlucht op en dat maakt slaperig als je rust en warmte krijgt.

 

Maar deze avond kan hij de slaap niet vatten.

Ongewild gaan zijn gedachten telkens weer terug naar de tijd, dat hij samen met zijn band gedurende het hele jaar door Nederland en Duitsland reisde. Soms ook door België. Elke dag gaf hij zich over aan de muziek en de vele fans.

Het was een mooi en lux leventje.

Kerstmis bracht dan rust in zijn drukke bestaan. Die dagen van ‘vrede op aarde’ deelde hij met zijn vrouw en zoontje, gezellig in een warm huis rondom de kerstboom met een glas wijn.

Er komt een glimlach op zijn gezicht en hij voelt weer zijn kind op schoot spelend met een miniatuur harmonica. Zijn ogen kruisen de blozende blik van zijn vrouw, waarmee hij liefdevolle dagen doorbrengt. In een geluksmoment meent hij de geur van haar parfum op te snuiven. Hij proeft de heerlijk rode wijn op zijn tong.

Gelukkige dagen waren dat, van de Kerst tot na nieuwjaarsdag. Even geeft hij glimlachend zijn herinneringen de vrije teugel.

 

Dan verdwijnt de lach van zijn gezicht.

Meestal vertrok hij weer op de tweede dag van het jaar. Weg van zijn gezin, met de band mee. Hij zorgde financieel goed voor vrouw en kind. Zij kwamen niets tekort; alleen zijn aanwezigheid.

Maar ondanks dat ze uit liefde getrouwd waren, kwam door zijn drukke leven als muzikant het gezin op de tweede plaats. Hij liet zich meeslepen door succes en glorie en de consequenties bleven niet uit.

Eens na een tournee van enkele weken met zijn muziekmaten kwam hij één dag eerder thuis, dan iedereen verwachtte. Daar vond hij een dorpsgenoot in zijn bed, met zijn vrouw! Er ontstond een stevige woordenwisseling, waarna zijn vrouw haar spullen bijeenpakte en vertrok. Ook zijn zoontje nam ze met zich mee. Hoewel het vertrek van zijn zoon hem extra pijn deed, hield hij hem niet tegen.

Hijzelf was immers nooit thuis! Hoe zou hij zijn zoon moeten opvoeden en grootbrengen? Dat moment betekende het einde van hun huwelijk. Hij zag zijn zoon voor de laatste keer.

Er verschijnt toch weer een glimlach op het gezicht van de banjoman bij de gedachte aan zijn kind. De jongen moet al een jongeman zijn. Gezond en sterk. Waarschijnlijk al getrouwd. Misschien is hijzelf al opa!

Ondanks dit vreugdevolle denkbeeld verdwijnt ook deze glimlach en keert hij terug in de harde werkelijkheid. Het lijkt of het kouder wordt en de man duikt dieper tussen het stro en trekt de wollen deken wat verder over zich heen.

 

Sinds de breuk met zijn vrouw en haar vertrek is hij dakloos. De muzikant nam destijds zijn banjo met koffer en mondharmonica, stopte wat kleren in een oude rugzak en liep de wereld in. Zonder doel; zonder toekomst, zijn gezin, vrienden en fans achterlatend. Alleen zijn muziek droeg hij met zich mee.

Slapen en eten doet hij nu in allerlei dorpen bij arbeidersfamilies, die tegen een kleine vergoeding mensen onderdak en eten verschaffen, een bed geven en hiermee wat extra’s verdienen. Vanuit deze tijdelijk onderkomens gaat hij de dorpen door tot iedereen van zijn banjo en mondharmonica heeft kunnen genieten.

Altijd vrolijk. Altijd sympathiek. Altijd te voet.

Na elk optredentje schudt hij met zijn centenbakje en gaat door tot dat hij alle straten en deuren van het dorp heeft gehad. Dan betaalt hij netjes zijn kostvrouw, pakt zijn rugzak en instrumenten en loopt naar het volgende dorp, waar hij opnieuw zijn rondje langs de deuren begint. In de kleine steden speelt hij in winkelstraten, maar als de politie de vergunning wil zien en hij die niet kan tonen, moet hij zijn banjo en rugzak oppakken en verdwijnen.

Dat brengt hem bij het volgende gehucht of kerkdorp.

Tot de vrieskou komt, die zijn vingers en handen verstijven en zijn mondorgeltje aan zijn lippen doet vriezen. Dan komt er geen geld meer binnen, geen munten meer in zijn centenbakje en breekt de tijd aan van zuinig zijn en proberen rond te komen met het geld wat die zomer apart gelegd is.

 

Met een kleine beweging nestelt hij zich nog behaaglijker in het stro en zijn gedachten dwalen af naar de voorbije zomer, toen de zon alles heerlijk opwarmde. De grond waarop hij liep, de beek waar hij zich in opfriste en het gras, waarin hij zijn middagdutje deed. Ook waren de dagen veel langer en dat betekende meer uren banjo en mondharmonica spelen, meer uren vrolijk zijn, meer uren muziek maken. Muziek, die hem vreugde en vrede geeft.

En geld om in leven te blijven.

Hij legt elke zomer wel wat opzij om de winter te overleven. De zomer! Bij die gedachte wordt hij warm en valt langzaam in een diepe slaap.

 

 

Het is ochtend en Eerste Kerstdag.

De banjoman wordt gewekt door het kraaien van een haan en ziet het zwakke zonlicht door het dakvenster vallen.

Hij staat op, slaat het stro van zijn kleren en gooit zijn spullen over zijn schouder. Even later klopt hij op de keukendeur van de boerderij. De boer, net klaar met de verzorging van zijn dieren, doet open.

“Kan ik u nog ergens mee helpen,” zegt de muzikant en hij kijkt de man in de blauwe overall vragend aan. Door de geopende deur ruikt hij de geur van verse koffie.

“Of moet ik u nog iets betalen voor de overnachting?”

De boer schudt ontkennend zijn hoofd. In de winter is er weinig werk op de boerderij en zijn dieren zijn al verzorgd. Bovendien heeft zijn slaapgast niet de goede lichaamsbouw voor het zware boerenwerk. Alleen het eelt op zijn vingertoppen verraad zijn beroep als banjo-speler.

“Neije, kèrel, ut werk is al gedaon.”

De boer doet een stapje achterwaarts en en zwaait zijn hand uitnodigend naar binnen.

“Kom d’rin. Dur is nog wel un plekske aon taofel.”

De muzikant kijkt langs de boer de keuken in.

Rondom een lange houten tafel zitten zes kinderen, drie zonen aan de ene zijde, twee dochters en de kleinste zoon aan de andere kant. Op een lage kast staat een eenvoudige kerstboom, niet rijkelijk aangekleed. Toch brengt de kleine den met zijn gekleurde ballen en brandende lampjes een gezellige kerstsfeer in deze eenvoudige boerenkeuken.

De boerin bevindt zich aan de kopzijde van de tafel, direct bij het grote kolengestookt fornuis en ook vlakbij de grote aanrecht. Haar blik kruist even die van haar man, die zich half omgedraaid heeft. Een blik van verstandhouding en de boer draait zich weer terug naar de man met de rugzak.

“Kom ‘r toch in,” herhaalt hij. “Doet oewe rugzak en oew jek uit en pak nun zit. D’r is ete zat! Vrouw, schenk us un lekker bakske koffie vur um in!”

Even weifelt de zwervende banjoman, maar dan stapt hij de gezellige woonkeuken in en ontdoet zich van tas en jas. Een van de meisjes neemt de spullen aan en bergt ze op, een jongen schuift zijn stoel naar hem toe en haalt voor zichzelf een kruk uit het achterhuis.

“Doe mar of ge thuis bent, pak mar,” moedigt de boerin hun gast aan, terwijl ze de koffie inschenkt.

De muzikant schuift aan. De tafel is gevuld met brood, eieren, spek, worst en gerookte ham en de gast maakt daar dankbaar gebruik van, aangemoedigd door de kinderen. De gastheer en vrouw gaan zelf ook verder met de maaltijd en kijken tevreden toe, hoe de banjoman zich te goed doet aan al het eten.

 

“Kunde gij veur oos un schoon kerstliedje speule?”

Het is de jongste zoon van de familie, die dit verzoek doet. De magen zijn gevuld en de boer knikt de muzikant bemoedigend toe.

De gast haalt de banjo en mondharmonica uit de muziekkoffer en kijkt vragend naar de kinderen.

“Kerstkiendje is gebore!” klinkt het uit verschillende monden.

De banjoman zet aan en even later klinkt het uit negen kelen en keeltjes:

“Kerstkiendje is gebore, al in nun arme stal. Drie daoge van tevore, toen wiesten ut de herderkes al.

Ja, toen wiesten ut de herders al.”

Er volgen nog meer liedjes, zoals ‘Stille nacht’ en ‘Er is un kindeke gebore..’ en nog veel meer.

De veehouder en zijn echtgenote kijken elkaar aan en genieten van deze viering. Op de boerderij is nog nooit zulk een mooi kerstfeest gevierd!

Na al het mooie gezang biedt de boer zijn gast een sigaar aan en steekt er zelf ook een op.

Het is toch een feestdag, nietwaar?

Samen laten zij de rook van de dikke sigaren door de grote keuken kringelen en de banjoman vergelijkt ze met zijn gevoel van geluk, waarvan hij dit moment geniet. De rookringen stijgen op tot aan het plafond, waar de kleine wolkjes zich verspreiden en in het niets verdwijnen…………

          

Bij deze gedachte maakt hij aanstalten om te vertrekken. “Het is tijd voor mij, om te gaan.”

De banjoman wil het gezin verder niet storen, maar nog een kop koffie slaat hij niet af. Daarna trekt hij zijn jas aan en neemt de rugzak op zijn schouders. Pakt de muziekkoffer en dankt de boer en zijn vrouw voor de gastvrijheid.

“Gin daank, gin daank,” antwoordt de boer. “Wij veine ut allemaol fijn, dè ge veur oos gespuld hèt. ’t Is misschien wel de schôonste Kerst, die we ooit gehad hebbe. Gij bedaankt, man!”

De boerin schudt de hand van de banjoman en de kinderen roepen allemaal: “Houdoe, banjoman!”

 

De muzikant gaat door de keukendeur naar buiten en steekt nog eenmaal zijn arm ten afscheid in de lucht. Dan loopt hij de wereld weer in. Terug in de kou, terug in de eenzaamheid. Maar toch met een heel warm gevoel, dat het boerengezin in hem doet opwellen.

De banjoman marcheert naar een volgend onbekend doel. Hij hunkert naar de zomer, die hem warmte en nieuwe geestkracht zal geven om met zijn banjo en mondorgeltje van deur naar deur te trekken en de mensen gezellige muziek te brengen.

Nog nagenietend van de goede maaltijd en de gezelligheid met het boerengezin stapt hij voort, vol gepompt met nieuwe energie. Zal hij richting zijn vroegere woonplaats gaan? Mogelijk komt hij daar zijn zoon tegen!

Met deze gedachte loopt hij vrolijk verder, echter niet wetend welke richting hij is ingeslagen. Hij is weer alleen en eenzaam, maar heeft een glimlach om de mond bij de mooie herinnering aan deze Kerstmorgen bij het boerengezin.

Dit kleine beetje geluk heeft hem weer een stuk levensmoed gegeven.

 

© Henk M. van Oosterwijk.