Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Schrobbelèr

Ik weet het: alcoholische drank is niet goed voor een mens. Maar toch ben ik van mening, dat het ook veel plezier brengt. Bij mij althans.

Niet dat ik alcoholist ben, maar vijf van de zeven dagen in de week neem ik toch een lekker glas whisky voor het te bed gaan. Dat doet me denken aan de tijd, dat ik in de ‘midlifecrises’ zat. Nou ja, een crises kun je het niet noemen, want ik ben er geluidloos doorheen gegleden. Nu ben ik vijfenzeventig en merk ik ook weinig van het ouder worden. Op enkele kleinigheidjes na dan. Ik behoor nu toch bij de nieuwe generatie 50+, niewaar.

Maar terug naar mijn herinnering.

 

Het gebeurt in de negentiger jaren. Onze kinderen hebben beide hun zelfstandige leeftijd bereikt en dat geeft ons weer een stuk vrijheid terug.

Riet, mijn vrouw, en ik houden allebei van biljarten en van een drankje, een combinatie die in veel dorpscafés te vinden is. Onze vrienden, Peter en Ria, houden daar ook van. Alleen Ria houdt het bij kijken naar de biljartsport; met het drankje doet ze volop mee. Zo komt het, dat we nogal eens een keer met vieren naar ’t Biljartcentrum gaan in de Julianastraat in Rijen. Zo ook deze zaterdag.

 

Het is gezellig druk in het café, zodat we voor het biljarten even uitwijken naar de zaal, waar vijf biljarttafels staan. Als Riet, Peter en ik ons partijtje hebben gespeeld, schuifelen we weer terug naar de gezelligheid in het café en pakken daar diverse biertjes. Tenminste Peter Ria en ik, want Riet drinkt wijncognac. Ik heb net een verstandig gesprek met Wim, zoals ik oud-secretaris van de Rijense Biljart Federatie. Samen zitten we ook in de organisatie van het Boemaars-toernooi, dat als inzet heeft het kampioenschap van Rijen driebanden groot. Het toernooi draagt de naam van ex-wethouder Gerrit Boemaars, ook wel ‘de burgemeester van Molenschot’ genoemd.

 

“Zin in een partijtje tien-over-rood?”

Het is kastelein Henny, die ons met deze vraag stoort in ons gesprek.

“Prima,” reageer ik, “dan bende ergus meej bezig. Aanders staon we hier toch mar te drinke.”

Ook Wim en Peter doen mee.

Ge moet weten, dat tien-over-rood best een moeilijk spel is. Je moet steeds met dezelfde gemerkte witte bal stoten en eerst de rode bal raken, voordat die de andere witte bal aanstoot. Als je echter met geroutineerde biljarters speelt, waarvan wij aannemen dat we daarbij horen, kan er ‘afgelegd’ worden. Dus de witte bal zodanig wegleggen, dat de rode bijna niet te raken is. Zowel verdediger als aanvaller kan daarbij al zijn punten kwijtraken en op 0 terecht komen.

Ik zal het maar niet verder uitleggen, maar je begrijpt dat het spel dan erg lang kan duren.

En de drank helpt daarbij ook nog een handje.

 

“Allemaal nun Schrobbelèr?” vraagt Henny na enkele rondjes bier aan de biljarttafel.Maar er is geen keuze, want de kastelein schuift ons meteen een dienblad met vier Schrobbelèrkes toe.

“Lekker,” is de reactie van ons alle drie. Schrobbelèr is een zoet onschuldig kruidendrankje, dat ze in Tilburg hebben uitgevonden.

Nou, onschuldig! Het heeft slechts 22% alcohol, maar na een aantal biertjes kan het toch onverhoeds toeslaan. Zeker als het te snel gedronken wordt. Als bierdrinker ben je gewend om stevige slokken te nemen. Doe je dat bij Schrobbelèr, dan is je borrelglaasje in één keer leeg.

En zo geschiedt.

Dus Wim loopt weer snel naar de bar om de borrels te laten vullen. Ook Peter en ik laten onze beurt niet voorbijgaan. Als Henny, na diverse stoten over rood en missers, dan met acht borrels aan komt zetten, is het hek van de dam.

 

Intussen gaat de strijd tien-over-rood onverwijld door, zwaar beïnvloed door de Schrobbelèr: iedereen staat op nul!

En dan komen de grappen!

Terwijl Wim even het toilet bezoekt, wisselt Hennie de stootbal om voor een bal met een loden kern. En die kern ligt echt uit het lood!

Als Wim terug is en met die bal de rode bal probeert te raken, gaat zijn stootbal een geheel eigen weg volgen en rolt met een grote boog ver van rood vandaan.

Wim is ontzet. “Ik gaaf um helemaal gin effect. Hoe kan da nou?” Hij kijkt ons aan, terwijl Henny weer snel de ballen verwisseld. Peter, Henny en ik zijn aan de beurt en de stootbal doet gewoon rechtlijnig zijn werk.

“Ge mot deze keer nie zoveul effect geve,” adviseert Peter en onttrekt weer even de aandacht van Wim van het biljart. De kans voor Hennie om opnieuw de ballen te verwisselen.

Wim legt nu serieus aan op rood. Het is eigenlijk een simpel balletje, die je met je ogen dicht moet kunnen maken. Maar opnieuw loopt de stootbal met een boog weg van rood. Wim richt zich op van de biljarttafel en kijkt ons met een verbaasde blik aan.

“Ge mot um ok gin effect geve,” zegt Peter serieus. “Ik zee ut toch!”

“Mar da deej ik nie!” roept Wim uit met een machteloze stem.

Afijn, dit herhaalt zich nog enkele keren en dan ziet Wim ineens de verwisseling van de ballen. Wij brullen van het lachen. Alle ingehouden pleziertjes van de voorbije minuten komen er ineens uit.

Wim kan er ook om lachen, maar dat heeft toch even zijn tijd nodig.

 

Intussen zijn de dienbladen met acht Schrobbelèrs regelmatig aangedragen en vinden we, in gezamenlijk overleg, dat we beter met biljarten  kunnen stoppen. We staan alle vier nog zonder punten en de tien zal door niemand gehaald worden. Deze avond zeker niet.

En dan gebeurt er iets, dat ikzelf niet meer kan herinneren. Ik heb het van horen zeggen dus; van mijn eigen vrouw nog wel.

 

Het café heeft verschillende steunpalen, die bouwkundig een stalen balk moeten stutten. Deze palen zijn rondom met hout betimmerd. Op ongeveer één meter tachtig hoogte zit een plateautje, waar je een glas bier op kwijt kunt.

Ik heb blijkbaar dorst gekregen van al die Schrobbelèr en weer een biertje besteld. Na een stevig slok zet ik het glas op dat plateau.

Dat gaat nog wel.

Als ik echter een tweede dronk wil nemen, kan ik met mijn hand het glas niet meer bereiken. Misschien sta ik te dichtbij of te ver weg van de paal?

Met de linkerhand rustend tegen de paal om mijn evenwicht te kunnen behouden, reik ik met de rechterhand steeds omhoog naar mijn glas bier. Maar mijn arm is te kort of zoiets. Ik krijg mijn biertje niet meer te pakken.

Ziet u het voor u?

Het lijkt toch hopeloos?

Dat is het dan ook. Na vier of vijf pogingen hoor ik ineens een vertrouwde stem achter me.

“Ik denk, Henk, dat ut tijd is om naor huis te gaon. Ik heb al afgerekend.”

“Ik denk ut ôk.” Ik draai me half om naar Riet, maar houdt de paal met twee handen vast. “Hier ken ik toch nimmer bij mijn bier!”

 

© Henk M. van Oosterwijk