Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Hondenbeet

Het gebeurt in 1983.

Riet, de kinderen en ik wonen aan het Frederikplein in het Brabantse dorpje Rijen. Het is in de tijd, dat de dure wijk Atalanta nog niet is gebouwd en die grond nog begroeid is met een prachtig bos, wat is versneden door wandelpaden en zandweggetjes. Zelfs een weg, waar Napoleon zijn leger overheen stuurde.

We hebben een herdershond, Cesar genaamd, die een gedegen politieopleiding heeft gehad. Hij reageert daarom alleen maar op goede commando’s, een feit, dat we goed in de gaten moeten houden. Hij is intussen de tien jaar al gepasseerd en een grommerig oud beestje geworden. Toch blijft hij zich als huisdier goed gedragen. Hij heeft gen eigen kooi, maar vertoeft zonder problemen gewoon bij ons in het gezin.

Eens heeft hij mij in mijn hand gebeten, in de beginperiode, dat hij bij ons was en ongeveer vier jaar oud was. Hij zat op de achterbank van de auto en ik wilde hem bij de halsband pakken om hem uit de wagen te trekken.

Fout!

Ik had hem gewoon een commando moeten geven. Voor ik de halsband bereikte, beet hij in mijn rechterhand. Een flinke beet, die door een huisarts (naam zal ik niet noemen) weer dichtgenaaid werd.

Ook fout!

Een hondenbeet mag je niet dichten! Alleen elke dag schoonmaken en opnieuw verbinden!

Dus ik kreeg een flinke ontsteking, mijn hand werd twee keer zo groot en de arts stuurde me enkele dagen later snel door naar het ziekenhuis. Daar werd de wond open gemaakt en gezuiverd.

Uiteindelijk kwam het allemaal goed.

 

Terug naar het Frederikplein.

Het is een zonnige zomerse zondag.

We hebben onze tuinstoelen voor ons huis neergezet om gezellig over het pleintje heen te kunnen kijken. Een biertje erbij en wie doet ons wat?

Ook Cesar komt naast mijn stoel liggen, na een goed commando. We zitten gezellig met de buren te praten, als er een dame met een dwergpoedeltje langs komt. Het kleine hondje blaft naar ons huisdier, denkend dat het stalen lage hekje, dat op onze erfscheiding staat, hem voldoende zal beschermen. Hij komt er net met zijn bekje net bovenuit, als hij zijn kop schuin omhooghoudt.

Wat nooit gebeurt en Cesar nooit doet als hij het commando “Liggen” gekregen heeft, geschiedt nu: onze herder schiet omhoog en stapt over het hekje richting de poedel. De eigenaresse schrikt zo, dat ze met een ruk haar poedeltje aan de riem naar haar toe trekt. Cesar volgt grommend deze beweging, waarbij de vrouw in een poging haar lievelingsdiertje te redden, het aan de riem rondslingert, alsof het in een zweefmolen zit. Zelf met korte pasjes om haar as draaiend.

Ondanks mijn roepen en commando’s blijft Cesar achter het vliegende hondje aan springen.

Het is een situatie, waarmee je in een film zou kunnen lachen, maar dit is doodernstig!

Natuurlijk ben ik intussen opgesprongen en stap richting Cesar. In een poging hem te pakken, grijpt de hond mijn linkerhand en laat die niet meer los.

Ik voel de pijn van de snijdende tanden niet.

Ik druk zijn kop tegen mijn rechter oksel en sla de rechterarm om zijn nek heen. Zo sleep ik mijn hond door de voortuin, hij lopend op zijn achterpoten, de gang van ons huis in, de keuken door naar de achtertuin. Daar laat de hond me los en ik hem. Op twee meter afstand van mij gaat hij zitten, met hangende oren en een ‘sorry-blik’ in zijn ogen.

 

Het bloed loopt uit mijn hand, alsof er een waterkraan open staat. Ik loop de keuken in, pak de dichtbij zijnde handdoel en wind die om mijn hand als drukverband.

Intussen is Riet mij na gekomen en doet de buitendeur van de keuken dicht, zodat Cesar niet weg kan uit onze afgesloten achtertuin. Ze wijst naar het bloedspoor, dat vanaf de voor- naar de achterdeur loopt.

“We gaon meteen naor dun dokter,” terwijl ze een paar schone theedoeken pakt. “Doe die vuile handdoek mar weg.”

Ze kijkt me met een bezorgd blik aan.

“Neije, nie naar dun dokter,” wijs ik af, denkend aan die eerste hondenbeet van mij. “Direct naor de irste hulp van het Ignaotius ziekenhuis! Hoe ist meej dieje poedel?”

“Ammel goed,” antwoordt Riet. “Die vrouw is flink geschrokken, mar ut hondje mankeert niks.”

 

In het Ignatius ziekenhuis te Breda wordt op de spoedeisende hulp de wond goed schoon gemaakt. Tussen duim en wijsvinger, net in de handpalm, heeft Cesar dwars door mijn hand heen gebeten. Hij heeft een klein stukje bot geraakt, maar geen spieren of pezen.

Ik breng het er goed af dus, maar moet wel een hele week elke dag terug naar het hospitaal om de wond te laten zuiveren en opnieuw laten verbinden.

 

Als we uit Breda terugkomen stap ik onze tuin in, waar Cesar nog steeds zit.

“Doe da nou nie,” waarschuwt Riet me, “misschien pakt ie oe wir!”

Maar ik luister niet.

Als ik de keukendeur open, zit Cesar midden in de tuin naar mij te kijken met zijn oren recht overeind. Ik loop naar hem toe en sta een halve meter voor hem stil. Ik haal mijn verbonden hand uit de draagdoek en houd die voor zijn neus. De hond draait zijn kop weg, laat zijn oren hangen en kijkt me met een verontschuldigend blik schuin aan.

Hij begrijpt het.

Met mijn andere hand aai ik hem over zijn kop, doe zijn halsband aan en ga met hem het bos in.

We zijn weer dikke vrienden.

 

Na dit voorval zien we de oude Cesar toch nukkiger en grommig worden. Op een morgen staat hij onder aan de trap en laat de kinderen niet meer naar beneden komen. Als Raymond of Susanne het proberen, laat hij grommend zijn tanden zien.

Dan moeten we, in overleg met de dierenarts, besluiten hem een spuitje te laten geven. Moeilijk, maar het kan niet anders; hij wordt een gevaar voor de kinderen.

Ikzelf breng hem weg. Als hij de slaapinjectie heeft gehad, dommelt de hond langzaam weg. Met tranen in mijn ogen zie ik hem in slaap vallen. Een slaap, waaruit hij niet meer al ontwaken. IK heb de moed niet meer om zijn halsband van zijn nek halen.

Voor mij was hij, ondanks de beet, een grote vriend.

 

© Henk M. van Oosterwijk