Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Bij de Marine

Het is zo maar een zaterdag in het jaar 1960.

We zijn zestien jaar oud, mijn vriend Cor Aarts en ik. Cor heeft zijn definitieve levensloop vastgelegd door bij de Koninklijke Marine zijn handtekening te plaatsen. Zes jaar lang zal hij als beroeps voor Nederlands vlag en eer ’s werelds zeeën gaan bevaren.

Dit weekeinde is hij thuis. We besluiten we met z’n tweeën naar Dongen te gaan. Mijn vriend heeft zich in zijn marine-kleren gestoken. Een normale zaak voor deze tijd. We bezoeken een oom en tante in Dongen en daar gebeurt het volgende:

 

Terwijl we aan de koffie zitten, kijk ik bewonderend en eigenlijk een beetje jaloers naar Cor, die in zijn marine-pak een stoere uitstraling heeft. Plots krijg ik een idee.

“As we nou ’s van klere ruilen,” zeg ik tegen Cor. Ik probeer intussen de hete koffie op te slurpen. “Zo mar efkes. Ik wil d’r ok wel ’s as nun marineman uitzien!” Ik kijk hem vragend aan.

“Als ik daar maar geen problemen mee krijg,” brengt Cor er nog tegen in, maar ik weet hem te overtuigen. In de gang wisselen we van kleren. Cor heeft ongeveer hetzelfde postuur als ik, maar is enkele centimeters korter. En dat kunde goed aan mijn aangetrokken uniform zien, want zowel de mouwen als de broekspijpen zijn wat aan de korte klant.

Het geheel zit een beetje strak.

“Het past prima,” verzeker ik mijn vriend.

“En zeg nou mar ‘s, wè ge lust van de frietboer,” zeg ik tegen de familie en vriend.

“Je gaat toch niet de straat op in mijn kleren!!?” werpt Cor tegen.

Hij kijkt een beetje ongerust naar de marine-uniform, of er niet ergens een scheur begint te ontstaan.

“Ik gaoj irst wè te ete veur jullie haole,” werp ik tegen, “dan kan ik tenminste echt geniete van die klere! Ik trakteer!”

Na enig aarzelen stemt Cor toch in met mijn voorstel en spring ik even later op mijn fiets om een friettent te zoeken. Nou zoeken, tante Jo heeft aangegeven, dat er een snackbar in de Wilhelminastraat is. Vlakbij dus.

Ik rijd in de Wilhelminastraat het trottoir op, stap zwaaiend met m’n rechterbeen over het zadel van mijn fiets en plaats de tweewieler tegen de voorgevel van het bedrijfspand. Even zet ik mijn marine-pet wat scheef op mijn hoofd en stap de frietzaak binnen.

 

“Goeie n’aovond.”

“Ok zo!” Mijn groet wordt door het vrouwtje achter de toonbank beantwoord. Slechts één klant zit aan een tafeltje. Hij groet me terug met een lichte hoofdknik en bekijkt me wat mistroostig. Ik richt me tot het vrouwtje en doe mijn bestelling, inclusief een biertje. Daarna ga ik wat nonchalant op de toonbank/annex bar hangen, kijk wat zwijgend rond en opnieuw kruist mijn blik die van de klant.

“In dienst, jom?” begint de klant zijn gesprek.

“Ja! Bij de marine,” zeg ik wat overbodig. Het marine-pakje lijkt hierdoor nog strakker te gaan zitten dan toen ik het aantrok.

“Dè zie’k,” zegt de klant grinnikend. “Ge zeit nie van de laandmacht.”

Hij vindt het onderwerp schijnbaar interessant, want hij gaat verder met zijn korte vragen: “Dienstplicht?”

Hij kijkt mij nog steeds met een lach in zijn ogen aan, maar wacht het antwoord niet af.

“Ik heb ook achttien maonden gediend. Zestien te lang. Irst twee maanden opleiding en daarna de lapswaans uithange en fiste.  Tenminste, fiste a’k geld haai. Waant van ene gulde vijfentwintig per dag worde nie gauw zat!”

Hij kijkt me weer van top tot teen aan. Waarschijnlijk ziet hij wel, dat de broekspijpen en mouwen eigenlijk iets te kort zijn, denk ik. 

Nou is ’t mijn beurt, gaat het door mijn hoofd. Maar voor ik iets kan zeggen, vervolgt de klant zijn verhaal.

“Neie,  ’t was baole! En thuis konde ze best n’n goei kostganger gebruiken, die wè cente in de portemenee brocht. Oos moeder had ’t nie zo breed. Ik heij achttien maonden in mijn soldateklere motte lopen. Pas nadè ik afzwaaide, naam oos moeder me mee naor de stad om ’n goei pak te kope. Neije, verlore tijd, dieje dienst! Ik heb d’r meer kwaoie dan goeie dinge geleerd!”

Ja, wat moet ik hier nou mee, denk ik weer bij mezelf. Hoe moet ik nou dit gesprek verder laten gaan.

“Hoe lang nog?” was hij me opnieuw voor.

En nou ben ik aan de beurt!

 

“Vijf jaor en acht maonde!” zeg ik triomfantelijk.

Daar zal hij niet van terug hebben! En inderdaad: de klant kijkt mij verstijfd aan. Even weet hij niets te zeggen, maar dan hervat hij zich weer en vraagt:

“Ge wil toch nie zegge, dè ge veur beroeps getekend het, hè. Zo stom zulde toch wel nie zijn?”

De klant slaat zijn rechterbeen over z’n linkerknie, leunt achterover en neemt mij vorsend op, daarbij zijn wenkbrauwen naar beneden trekkend. Ik knik echter bevestigend.

“Jao, nao drie maonden opleiding heb ik veur zes jaor getekend.”

Ik zie een lichte ontzetting in zijn ogen en dat is voor mij het teken om door te gaan.

“Ik krijg nou een complete opleiding tot machinist en dan gaon we vaoren. Vanuit Den Helder de hele wèreld over. En as me dè goed bevalt, dan kan ik misschien straks wir veur zes jaor bijtekenen of wellicht veur vast bij de marine blijve!”

De klant is uit het veld geslagen en vergeet zelfs zijn korte vragen te stellen. Opnieuw een teken voor mij om door te gaan.

“ ’t Betaolt hartstikke goed en ’t is ok mee ’n goed veuruitzicht. Ge leert een vak, promotie volgt automatisch, dus ok meer geld in de knip! Deur ’t vaoren in de tropen worden die maonden nog ’s dubbel geteld en gaoj ik vruuger mee pensioen. Wè wilde nog meer?”

De klant is geheel verbouwereerd en weet niets anders te zeggen als: “tjonge, tjonge. Stom, stom. Tjonge.”

Ik weet trouwsens ook niets zinnigs meer naar voren te brengen.

 

Maar we worden gered door het vrouwtje.

“Oewe friet is klaor,” zegt ze, terwijl ze de klant aankijkt. “Twee frikadelle speciaol, n ’n nassibal en friet. Saome éénvijfenzeuventig.”

De klant grijpt naar zijn kontzak, haalt z’n portemonnee tevoorschijn en rekent af. Hij pakt zijn zak eten en draait zich naar de deur. Nog even kijkt hij me aan en loopt hoofdschuddend langs me heen.

“Tjonge, tjonge. In dienst een vak lere? Niks lere! lere om de lapswaans uit te hange!”

Hij stapt de deur uit en ik zie hem door het grote raam nog steeds hoofdschuddend zijn weg huiswaarts nemen. In gedachte hoor ik nog steeds de ‘tjonge tjonge!

Nog nagenietend van het gesprek fiets ik met mijn snacks weer terug naar tante Jo. Daar wordt nog even gelachen om mijn verhaal, terwijl Cor en ik weer van kleren verwisselen.

En zo ben ik toch even bij de Koninklijke Marine geweest!

 

© Henk M. van Oosterwijk 

Uit mijn boek: Mijn jeugdherinneringen.