Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Lasse baste, pa!

Het is ongeveer midden 1945.
We zijn in Rijen al een dik half jaar bevrijd van het Duitse juk. In onze gemeente Gilze-Rijen zijn veel doden gevallen. Doordat de geallieerden de "Vlieghaai", door de bezetter een groot militair vliegveld van gemaakt, vanaf 1943 regelmatig bestookten met bombardementen, vielen er nog al eens verwoestende bommen op Gilze, Hulten en in mindere mate op Rijen.
De angst voor luchtaanvallen is nu weg. De Canadezen en Polen verjoegen de Duitsers uit onze gemeente. De meeste weerstand werd door de Moffen, zoals wij ze noemden, geboden in enkele dagen strijd om de Vijfeiken. De Canadezen kwamen in de Pastoor Gillisstraat tot aan het café/winkeltje van Tinus Smee (Smeekens, nu cafetaria Wagemakers), de Duitsers lagen nabij de steenfabriek. Vlak voor onze deur (nummer 146) stond een uitgebrande Canadese tank met de verkoolde lijken er nog in.
Het oude huisje van mijn grootouders aan de Vijfeiken, toen verhuurd aan de familie Manus Pijpers, werd helemaal plat geschoten. Gelukkig was de familie tijdig uit de woning vertrokken. Het nieuwe huis van mijn opa en oma was pal naast de kapot geschoten woning gebouwd en werd niet getroffen door de Canadese en Duitse schutterij. Wij zaten met onze familie, pa, ma en ik, en onze tante Cor met zoon Henk, in een schuilgat, door mijn vader gegraven in ingericht om er te slapen, achter in onze tuin. Tussen de twee vuurlinies in dus. Proficiat 
Uiteindelijk sloeg het Duitse leger op de vlucht met achterlating van hun munitie. Dat woog te veel om op een snelle ontsnapping mee te nemen. Daarom werd alles in de waterpoelen, oude leemputten waar de steenfabriek haar grondstoffen uit groef, gekieperd om het onklaar en onzichtbaar te maken.
 
Terug naar 1945.
De munitielozing in de leemputten is een publiek geheim in de Pastoor Gillisstraat. Dat de grote kanonskogels van koper zijn gefabriceerd is ook bij iedereen bekend. Dus ieder huisvader gaat manieren verzinnen om, na de winter 44/45, dat waardevolle metaal uit de poelen te krijgen. Grote harken, vastgemaakt aan een lang touw, worden in elkaar gelast. Zo'n hark wordt in het water gegooid en met het touw naar de kant getrokken. Daardoor komt er van alle soorten rotzooi uit het water.
Ook de koperen hulzen, soms bijna een halve meter lang, maar wel kompleet met de ontsteking, het kruit en de kogel!
Eerst moet de ontsteking verwijderd worden en dan kogel en kruit.
Een levensgevaarlijk karwei!
Maar het brengt goed geld op en dus doet mijn vader ook mee aan deze rage.
 
Luister goed, ik herinner dit niet allemaal zelf, maar heb het uit de verhalen van pa en ma. Zelf ben ik nog geen drie jaar oud.
 
Er komt echter een kink in de kabel.
De marechaussee krijgt lucht van de gevaarlijke koperjacht, maakt een verbod bekend op het verzamelen van munitie en zendt patrouilles uit om de kopervissers in de kraag te grijpen. Tevens worden er links en rechts huiszoekingen gedaan en 'visgereedschap' met koper in beslag genomen.
Ook bij ons.
Op een dag in het weekeinde treden er twee heren in groen uniform, platte petten op en hoge kaplaarzen aan (dat weet ik dan nog wel) via de achterdeur onze keuken in het achterhuis binnen.
"Goeie dag, here," zegt mijn vader tegen de twee lange marechaussees, "waormeej ken ik u van dienst zijn?" Hij weet natuurlijk allang, waar die mannen voor komen.
"Wij willen uw huis en tuin eens doorzoeken," zegt het ene uniform, terwijl hij mijn vader een stuk papier overhandigt.
"Da ken," antwoordt pa weer, "ge maag alles overhoop haole, as ge't mar wir netjes op de goeie plots t'rug legt."
De uniformen reageren niet en gaan het huis en onze schuur door kijken.
Een kwartiertje later staan ze weer in de keuken, hoog en rechtop. Tegenover hen mijn vader in zijn manchesterse broek, ophouden door een paar galgen: de handen in de zakken.
"En?" Kijkt hij vragend naar de marechaussees. "Gevonde we ge zocht?"
"Wij willen u waarschuwen," zegt steeds dezelfde woordvoerder, "geen koper verzamelen of we pakken u op."
Dan ga ik me ermee bemoeien, een turf hoog.
Ik schop de spreekbuis tegen zijn schenen, zijn kaplaarzen dus, en roep:
"Pa, lasse baste!"
Het heeft geen gevolgen.
Voor het eerst zie ik bij die ene een flauwe glimlach op zijn uitdrukkingsloos gezicht. Hij tikt aan zijn pet en beide uniformen verdwijnen door de keukendeur en bijkeuken naar buiten. Vader roept nog ' houdoe' en ik klamp me vast aan zijn manchesterse  broekspijp.
 
Henk M. Van Oosterwijk